Zoek alle publicaties
en nieuws

Toont
0
van
0
artikelen

Order

Datum

Soort publicatie

Categorie

De rechtsstaat
Journaal
12
Dec
2023
Dec 6, 2023
De rechtsstaat is gestoeld op liberale beginselen als vrijheid en gelijkheid. Het doel van de rechtsstaat is burgers te beschermen tegen de macht van de overheid en oneigenlijke invloeden van andere burgers. In deze uitgave heeft de TeldersStichting verschillende deskundige gevraagd om hun licht te laten schijnen op de huidige ontwikkelingen, specifieke kenmerken en wellicht wel tekortkomingen van de Nederlandse rechtsstaat.
Diversiteit
Journaal
07
Jul
2023
Jul 3, 2023
Wat wordt er precies bedoeld wanneer er wordt gesproken over diversiteit? Wat valt er vanuit liberaal perspectief hierover te zeggen? Lees het in het nieuwe Liberaal Journaal!
Oorlog en vrede
Journaal
12
Dec
2022
Dec 19, 2022
Wat zijn belangrijke vraagstukken op het gebied van oorlog en vrede? Wat valt er vanuit liberaal perspectief hierover te zeggen? Lees het in het nieuwe Liberaal Journaal!
Schadebeginsel
Journaal
09
Sep
2022
Sep 19, 2022
Liberalen willen dat een individu maximale vrijheid kan genieten. Dit uitgangspunt geldt voor elk individu. Geen enkele burger kan claimen dat hij meer vrijheid zou mogen genieten dan een mede-burger. Het basale recht op vrijheid is niet het recht van de sterkste of de brutaalste. Vrijheid is niet onbegrensd. Ik heb de vrijheid helemaal los te gaan op een boksbal, maar niet de vrijheid om een ander mens of een bushokje in elkaar te slaan.
Nationale Onafhankelijkheid
Journaal
12
Dec
2018
Dec 23, 2018
Liberaal Journaal van de TeldersStichting uit 2018 over nationale onafhankelijkheid.
Eigendom
Journaal
01
Jan
2022
Jan 17, 2022
Hoe kijken liberalen tegen eigendom aan? Lees het in deze nieuwste editie van het Liberaal Journaal. Met onder andere externe bijdragen van Claire Martens en Ronald van Raak.
Vrijheid
Journaal
Filosofie, Religie & Ethiek
12
Dec
2015
Dec 10, 2015
Individuele vrijheid wordt veelal pas echt gewaardeerd op het moment dat men het moet ontberen. Tot die tijd wordt het door velen al te eenvoudig als iets vanzelfsprekends gezien. Met de komst van het ijzeren gordijn verloren velen voor een lange periode hun vrijheid. Groot was dan ook de vreugde toen in 1989 de muur viel en er althans in Oost-Europa een einde kwam aan de communistische onderdrukking.Maar wat betekent vrijheid nu eigenlijk concreet, mede vanuit verschillende achtergronden? Welke grenzen stellen ook liberalen soms aan de individuele vrijheid? Hoe ver kan de individuele vrijheid gaan? Moeten mensen soms ook tegen zichzelf in bescherming worden genomen? In deze editie van Liberaal Journaal gaan we op zoek naar de achtergronden van het begrip vrijheid.
Vooruitgang
Journaal
Technologie
12
Dec
2017
Dec 10, 2017
De technologie heeft de afgelopen eeuwen enorme vooruitgang geboekt. Maar zijn we er in de loop van de geschiedenis ook in moreel opzicht op vooruit gegaan? En zijn liberalen nu eigenlijk wel progressief of eerder conservatief? Worden we van vooruitgang gelukkiger? Onze computer heeft af en toe een update nodig. Maar kunnen de mensenrechten in ons digitale tijdperk onderhand niet ook eens een update gebruiken? Het zijn slechts enkele vragen die aan bod komen.
Jubileumeditie 60 jaar TeldersStichting
Journaal
Geschiedenis
12
Dec
2014
Dec 10, 2014
Individuele vrijheid wordt veelal pas echt gewaardeerd op het moment dat men het moet ontberen. Tot die tijd wordt het door velen al te eenvoudig als iets vanzelfsprekends gezien. Met de komst van het ijzeren gordijn verloren velen voor een lange periode hun vrijheid. Groot was dan ook de vreugde toen in 1989 de muur viel en er althans in Oost-Europa een einde kwam aan de communistische onderdrukking.
Democratie
Journaal
Democratie & Rechtsstaat
12
Dec
2020
Dec 28, 2020
In een democratie is de wil van het volk de witeindelijke bron van legitieme machtsuitoefening. Democraticen zijn er in allerlei soorten en maten, maar ze bevatten wel een aantal gezamenlike kenmerken. Zo is er een direct gekozen volksvertegenwoordiging die op basis van vrije en geheime verkiezingen tot stand komt. Een deel van het parlement kan in een democratie ook indirect gekozen worden, zoals in Nederland de Eerste Kamer. In een democratie is er een grondwet waarin de vrijheid van burgers is verankerd en wordt beschermd. Daarnaast is er sprake van machten- scheiding, van een levendige civil society en van vrije nieuwsgaring. Tot slot wordt in een democratie gestreefd naar politieke gelijkheid voor de burgers.
Coronacrisis
Journaal
Economie
10
Oct
2020
Oct 1, 2020
De hele wereld wordt sinds weken in de greep gehouden door het coronavirus, oftwel COVID-19. De gevolgen van de pandemie op het dagelijks leven zijn aanzienlijk en zullen dat naar verwachting ook nog een tijd blijven. Zoals Mark Rutte heeft aangegeven, wordt in deze crisis noodgedwongen op basis van vijftig procent van de kennis honderd procent van de beslissingen genomen. Allerlei vragen blijven daarbij vooralsnog in de lucht hangen.
Tolerantie
Journaal
Veiligheid
08
Aug
2019
Aug 1, 2019
De mate waarin afwijkend gedrag of afwijkende meningen in een samen- leving worden toegelaten, wordt door- gaans aangeduid met de term tolerantie of verdraagzaamheid. Het begrip toleran- tie komt van het Latijnse woord tolerare, wat letterlijk verdragen, uithouden of verdure betekent. Het in de democra- tische rechtsstaat belangrijke beginsel van non-discriminatie vloeit voort uit tolerantie. Individuen hoeven het niet met elkaars handelingen of uitingen eens te zijn of afwijkend gedrag of een afwij- kende uiting te ondersteunen, ze hoeven deze slechts te tolereren, te verdragen.
Tussen Zelfredzaam & Zorgzaam
Journaal
Filosofie, Religie & Ethiek
02
Feb
2019
Feb 1, 2019
Liberalen krijgen nogal eens het verwijt dat zij a-sociaal zouden zijn. Waarom dat dan zo is, wordt daar lang niet altijd bij verteld. Voor zover dit wel gebeurt, of wordt gesuggereerd, blijkt dat het eigenlijk om verschillende verwijten gaat. Meestal is de achtergrond het verzet van liberalen tegen nieuwe sociale wetgeving, of hun kritiek op (de werking van) bestaande sociaal bedoeld zijnde maat- regelen. Daarachter schuilt een verwijt dat liberalen aan de menselijke maat voorbij zouden gaan, of überhaupt geen aandacht zouden hebben voor mensen in nood.
Vrouwenkiesrecht
Journaal
Geschiedenis
09
Sep
2017
Sep 1, 2017
In 2017 is het honderd jaar geleden dat het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd, evenals het passief kiesrecht voor vrouwen. Daarmee konden vrouwen zich voortaan verkiesbaar stellen en ook gekozen worden. Tevens werd de weg vrijgemaakt voor actief kiesrecht voor vrouwen het recht om ook zelf een stem uit te brengen. Het zou nog tot 1919 duren alvorens vrouwen daadwerkelijk actief kiesrecht verwierven.
Solidariteit
Journaal
Democratie & Rechtsstaat
03
Mar
2016
Mar 2, 2016
Voor u ligt een nieuwe editie van het Liberaal Journaal. Dit jaar staat het thema ‘solidariteit’ centraal. Wellicht vindt u dat een opmerkelijke keuze. Solidariteit is immers geen liberaal beginsel in de Beginselverklaring van de VVD. Vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, sociale rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid zijn dat wel. Toch rechtvaardigen politici in naam van ‘solidariteit’ allerlei politieke keuzes.
december 2021
Reflectie
12
Dec
2021
Dec 28, 2021
hoofdstuktitels
Zonder polarisatie, geen sensatie
In gesprek met Heleen Dupuis. Geen vrijheid zonder consequenties, ook in de COVID-19-crisis
Tweedeling: een misleidend, maar verklaarbaar concept
Het schadebeginsel en de uitholling van tolerantie
Regulering van giften aan partijen: een verschuivende balans
december 2023
Reflectie
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
hoofdstuktitels
Marcel Wissenburg - De belofte van het ecomodernisme
september 2023
Reflectie
10
Oct
2023
Oct 23, 2023
hoofdstuktitels
Marcel Wissenburg - Vrijheid voor of van godsdienst?
Niels van Driel - Kerk en staat. Een historische schets van de verhoudingen in Nederland
Mark van de Velde - De verhouding tussen kerk en staat in het Verenigd Koninkrijk: wel vrijheid maar geen gelijkheid van godsdienst
Niek Pas - Laïcité en islam. Eigentijdse uitdagingen aan de Franse scheiding van kerk en staat
Paul Zoontjens - Voorbij openbaar en bijzonder onderwijs
april 2023
Reflectie
05
May
2023
May 15, 2023
hoofdstuktitels
Jacques Sluysmans - Onteigening en liberalisme
Fleur de Beaufort - Eigen initiatief onder de brug
Jan Kees Wiebenga - De politisering van de Eerste Kamer
Allard Knook - Verleen niet meer, maar slimmere staatssteun
Hessel Nieuwelink - Burgerschapsvorming door politiek en onderwijs
december 2022
Reflectie
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
hoofdstuktitels
Bas Steunenberg - Complotartsen
Jelle van Buuren - De lokroep van complottheorieën
Lex van Eijndhoven e.a. - Zorgcultuur in beweging
Herre Kingma - Gezondheidszorg in Nederland: kiezen én delen
Reinout Woittiez en Bas Groenendijk - Liberalisme en dramatiek
september 2022
Reflectie
10
Oct
2022
Oct 10, 2022
hoofdstuktitels
Marc Jansen - Rusland versus Oekraïne
René Westra - Stikstof: uitdaging en perspectief
Andreas Kinneging - Het belang van academische vrijheid
Fleur de Beaufort - Kanttekeningen bij 'linkse solidariteit'
Govert den Hartogh - De Wet voltooid leven: een doodlopende weg
mei 2022
Reflectie
05
May
2022
May 30, 2022
hoofdstuktitels
Ulysse Ellian - De rechtsstaat, een nadere duiding
Marcel Wissenburg - Een half dozijn illusies armer
Ton Elias - Verdediging democratie vergt harde keuzen
Roy van Run - Een liberale oplossing voor de woningcrisis
Henk van der Kolk - Loopt de versplintering de spuigaten uit?
december 2021
Reflectie
01
Jan
2022
Jan 30, 2022
hoofdstuktitels
Concordia
Meedogenloze meritocratie
Zonder polarisatie, geen sensatie
Vrijheid van onderwijs in de 21e eeuw
Het schadebeginsel en de uitholling van tolerantie
september 2021
Reflectie
11
Nov
2021
Nov 1, 2021
hoofdstuktitels
Waarom de markt?
Ecologisering van de landbouw
Heeft het liberalisme gefaald?
Hoe gaan we coronabeleid evalueren?
Oudenampsens merkwaardige tournures
december 2020
Reflectie
12
Dec
2020
Dec 1, 2020
hoofdstuktitels
Liberale strafrechtspolitiek
Liberaal spagaat of toch bruggen bouwen?
Een Nederlands fiasco: de dekolonisatie van Indonesië
De opmars van China moet meer overheidsaandacht krijgen
'Neerlands hoop in ongezonde dagen'. Innovatie en medische technologie
mei 2021
Reflectie
07
Jul
2021
Jul 27, 2021
hoofdstuktitels
Het Verkiezingscircus
Liberale concurrentie in de jaren 60
Het parlement: wetgever of controleur?
Vertekenende beelden. Verkiezingsuitslag 2021
Komt er na de coronacrisis een inflatiecrisis?
september 2020
Reflectie
09
Sep
2020
Sep 18, 2020
hoofdstuktitels
mei 2020
Reflectie
05
May
2020
May 1, 2020
hoofdstuktitels
75 jaar bevrijding: Westeloosheid
Boekrecensie: Waarom naties falen
Reacties op Dijkhoff: Na het Klaasverhaal
75 jaar vrijheid vieren in tijden van corona
Buitenland: Het immigratiedebat; twee opinies
december 2019
Reflectie
12
Dec
2019
Dec 1, 2019
hoofdstuktitels
Boekrecensie: Vrijheid in gemeenschap
Klimaat: Nederland arm, de wereld warm
Boekrecensie: Hoe uniek is Bloemendaal?
Van de Redactie: Onzekerheid en het klimaat
Overheid: Algemeen kiesrecht (maar dan echt)
september 2019
Reflectie
09
Sep
2019
Sep 1, 2019
hoofdstuktitels
Reacties op Dijkhoff: Voorwoord
Reacties op Dijkhoff: Wederkerigheid
Van de Redactie: Dankwoord aan Niek Kok
Van de Redactie: Digitaal Autoritarisme
Reacties op Dijkhoff: Discussiëren met Klaas
mei 2019
Reflectie
05
May
2019
May 5, 2019
hoofdstuktitels
Grote schoenen
Als de Chinezen komen ...
Liberale vrouwen na de oorlog
Feminisme en liberalisme tot 1945
Liberale vrouwen in de Tweede Kamer vanaf 1968
december 2018
Reflectie
12
Dec
2018
Dec 1, 2018
hoofdstuktitels
Rectificatie
Noot van de redactie
Drogredenen van de diversiteit
Hoe Hongarije liberalen uitdaagt
Gratis geld voor iedereen: wie betaalt?
juli 2018
Reflectie
07
Jul
2018
Jul 1, 2018
hoofdstuktitels
Studiekeuzestress
Wat is fascisme? Oorsprong en ideologie
Dilemma’s rond het levenseinde liberaal belicht
Thorbecke: een even fascinerende als afstotende wilskracht
Burgerschapsonderwijs. De docent en het democratische gesprek
mei 2018
Reflectie
05
May
2018
May 1, 2018
hoofdstuktitels
Populisme en economie
Digitalisering en Bildung
Lokaal liberaal klimaatbeleid
Naar een gekozen burgemeester?
Een liberale aanpak is duurzaam
eindjaar 2017
Reflectie
12
Dec
2017
Dec 31, 2017
hoofdstuktitels
Een gezin verplicht
Verantwoordelijkheid neme
Herinneringen aan 'oom Ben'
Concrete plannen voor Europa
Orthodox is het nieuwe gewoon
december 2017
Reflectie
12
Dec
2017
Dec 1, 2017
hoofdstuktitels
Speranski
Witte goudkoorts in Bolivia
Een nieuwe geschiedenis van de Russische Revolutie
CDU Politieke partij of beroepsvereniging voor bestuurders?
Liberalen en de Russische Revolutie Enkele verkennende observaties
juli 2017
Reflectie
07
Jul
2017
Jul 1, 2017
hoofdstuktitels
Integriteit
Geopolitiek en defensie
De langste verkiezingscampagne ooit
VVD moet zich niet blindstaren op regeren
Monetair diplomaat met oog voor het menselijke
Digitalisering en liberale kernwaarden
Boek
Technologie
03
Mar
2023
Mar 9, 2023
https://gompel-svacina.eu/product/digitalisering-en-liberale-kernwaarden/
De samenleving is volop aan het digitaliseren, waar zowel het individu als de maatschappij als geheel van profiteert. Technologieën als de smartphone en het internet zijn bijvoorbeeld niet meer weg te denken uit het dagelijks leven. Toch kent digitalisering niet alleen maar positieve effecten. Er zijn ook verschillende belangrijke uitdagingen te noemen. Denk aan zaken als cybercriminaliteit, desinformatie, discriminerende algoritmen en de datazucht van grote techbedrijven. Steeds duidelijker wordt dat ook de politiek hierin een rol heeft te vervullen. In 'Digitalisering en liberale kernwaarden: Vrijheid door grenzen te stellen in de digitale wereld' nemen de auteurs een aantal belangrijke thema’s op het gebied van digitalisering onder de loep en maken ze duidelijk hoe essentiële liberale kernwaarden als privacy, autonomie en gelijkwaardigheid houvast kunnen bieden voor het digitaliseringsbeleid. Er wordt gekeken naar het effect van digitalisering op de vrije markt, de democratie, de relatie tussen burger en overheid, en de veiligheid van de samenleving. Tevens wordt benoemd hoe het digitaliseringsbeleid kan worden ingebed in een algemene governance-strategie. Het boek is op een toegankelijke wijze geschreven, waarbij de focus niet ligt op de technische details, maar juist op de maatschappelijke impact van digitalisering. 'Digitalisering en liberale kernwaarden' is opgesteld door een werkgroep bestaande uit Frans Osinga (voorzitter), Wilbert Jan Derksen (scribent), Tamara de Bel, Dennis Broeders, Paul Ducheine, Marijn Janssen, Sander Klous en Ronald Prins.
Verschil moet er zijn
Boek
https://gompel-svacina.eu/product/verschil-moet-er-zijn-liberale-perspectieven-op-ongelijkheid/
Ongelijkheid wordt op allerlei terreinen nogal eens als probleem ervaren, maar hoe terecht is dat? En hoe kijken liberalen vanuit hun gedachtegoed tegen ongelijkheid aan? In dit boek onderzoeken verschillende auteurs de mate van ongelijkheid op deelterreinen als inkomen en vermogen, gezondheidszorg, onderwijs, generaties, groepsidentiteit, sekseverschillen en toegang tot politieke macht. Daarnaast is er aandacht voor verschillen tussen stad en land, binnen Europa en op wereldschaal. Het boek valt niet bij ons te bestellen, maar wel bij uitgeverij Gompel & Svacina. Klik rechtsonder op de knop 'Bestel' om doorgestuurd te worden naar hun website.
Liberale leiders in Europa
Boek
Portretten van prominente liberale Europese politici in de negentiende en vroege twintigste eeuw (Hardcover). Aanbieding: tot 1 juli voor 12,50 inclusief verzendkosten i.p.v. 20 euro!
Verschil moet er zijn. Liberale perspectieven op ongelijkheid
Boek
11
Nov
2021
Nov 18, 2021
https://gompel-svacina.eu/product/verschil-moet-er-zijn-liberale-perspectieven-op-ongelijkheid/
Ongelijkheid wordt op allerlei terreinen nogal eens als probleem ervaren, maar hoe terecht is dat? En hoe kijken liberalen vanuit hun gedachtegoed tegen ongelijkheid aan? In de kern van het liberalisme zijn de waarden van keuzemogelijkheden (vrijheid) en het vermogen deze mogelijkheden daadwerkelijk te benutten (autonomie) onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gelijkheid is daarbij van belang voor zover het verwijst naar het fundamentele uitgangspunt dat de vrijheid en autonomie van iedereen van belang is en niet alleen van bepaalde groepen burgers.
Varianten van liberalisme
Boek
Filosofie, Religie & Ethiek
04
Apr
2021
Apr 30, 2021
Het wemelt van uitdrukkingen met het woord ‘liberaal’ erin maar wat betekenen ze? Waar staat bijvoorbeeld een klassiek-liberaal voor? En een sociaal-liberaal? Een liberal in de Verenigde Staten? En wat is toch dat neoliberalisme, waar je tegenwoordig zoveel over hoort? Kennelijk heb je liberalisme in allerlei soorten en maten. En het lastige is dat blijkbaar niet iedereen bij die verschillende soorten liberalisme aan hetzelfde denkt. Om de spraakverwarring die dit oplevert te beteugelen schreef Patrick van Schie een beknopte inleiding.
Een markt voor ons allemaal
Boek
Economie
02
Feb
2021
Feb 4, 2021
https://gompel-svacina.eu/product/een-markt-voor-ons-allemaal/
Een markt voor ons allemaal behandelt het liberale perspectief op de markt. Het sluit zich niet aan bij het wijdverspreide doemdenken, maar heeft een positieve kijk. Het legt uit waarom liberalen voorstander zijn van een vrije markt en waarom zij die term prefereren boven ‘het kapitalisme’. Het schetst hoe de vrije markt sterk aan ons welvaren heeft bijgedragen en aansluit bij de fundamentele liberale waarde van individuele vrijheid.
Eigenzinnige liberalen. Onafhankelijk denkende politici in Nederland (UITVERKOCHT)
Boek
Geschiedenis
12
Dec
2014
Dec 10, 2014
Dit item is helaas niet meer leverbaar. Het Nederlandse liberalisme had niet bestaan zonder het vaak moedige en eigenzinnige optreden van de 'vrij-liberalen' in de negentiende en vroege twintigste eeuw. Een serie portretten van nog altijd bekende staatsmannen, zoals Samuel van Houten, én liberalen die ten onrechte in de vergetelheid zijn geraakt.
Bezielend verband. Basisgrammatica van het Nederlandse burgerschap
Boek
Migratie & Integratie
12
Dec
2018
Dec 1, 2018
De afgelopen vijftig jaar is de Nederlandse samenleving enorm veranderd. De traditionele zuilstructuur van de Nederlandse samenleving is grotendeels verdwenen. Daarnaast zijn er grote groepen mensen met een niet-westerse achtergrond in ons land komen wonen. Nederland heet nu een multiculturele samenleving te zijn.
Digitalisering en bildung
Boek
Binnenland
01
Jan
2017
Jan 1, 2017
De plicht der politieke partijen
Boek
Democratie & Rechtsstaat
10
Oct
2013
Oct 10, 2013
Het (voort) bestaan van politieke partijen houdt de gemoederen voortdurend be- zig. ‘Must there then always be parties?’, vroeg de liberale historicus en politicus James Bryce zich af. Bij wijze van antwoord somde hij een aantal utopische omstandigheden op waarin partijen overbodig zijn, om die vervolgens af te doen als een ‘flight in a thin air so far above the surface of this planet’
Liberale verantwoordelijkheid. Individuele, economische en democratische plichten
Boek
10
Oct
2014
Oct 1, 2014
De individuele vrijheid geldt binnen de liberale filosofie traditioneel als de belangrijkste waarde. Niet voor niets stelt de VVD in haar beginselverklaring dat zij de individuele vrijheid ‘zowel in geestelijk als in materieel opzicht als het hoogste goed’ beschouwt. Echter vrijheid alleen is niet voldoende. Verantwoordelijkheid is voor liberalen onlosmakelijk verbonden met de vrijheid; het is de keerzijde van dezelfde medaille. In de beginselverklaring wordt daarom gesteld dat de VVD ‘verantwoordelijkheid [ziet] als het ethisch fundament onder een samenleving van vrije mensen.
Geopolitiek en defensie
Boek
Veiligheid
11
Nov
2017
Nov 1, 2017
Toen het curatorium van de TeldersStichting in 2015 besloot aan een werkgroep te vragen een geschrift over ‘Geopolitiek en defensie’ op te stellen was de wereldpolitiek al zeer in beweging. En die bewegingen zijn steeds intensiever geworden. Na de annexatie van de Krim, de situatie in Oost-Oekraïne, de ramp met lijnvlucht MH-17, de conflicten in het Midden-Oosten, de vluchtelingenstromen alsmede vele kleinere of grotere brandhaarden ziet de wereld er niet veiliger uit.
Soevereiniteit
Boek
Internationaal
08
Aug
2016
Aug 4, 2016
Zonder daar altijd bewust van te zijn, gaan veel van de berichten in het nieuws en in de kranten over het thema soevereiniteit. Als het gaat over politiek en verkiezingen bijvoorbeeld, maar ook bij de onderwerpen die raken aan de Europese Unie en de inzet van onze krijgsmacht. Het gaat daarbij altijd over bevoegdheden en meer specifiek de verdeling en concentratie daarvan. Nog altijd een uiterst belangrijke vraagstuk. Gezien de toenemende complexiteit van bestuurslagen waarmee burgers zich vandaag de dag geconfronteerd zien, misschien zelfs wel belangrijker dan ooit. Toch is het zelden duidelijk wat precies wordt bedoeld met soevereiniteit als die term wordt gebezigd. Personen kunnen het in hetzelfde gesprek over soevereiniteit over totaal verschillende zaken hebben.
Groeien naar vermogen. Een liberaal antwoord op Thomas Piketty
Boek
Economie
01
Jan
2015
Jan 1, 2015
In gesprekken over de invloed van ideeën op de praktische politiek wordt vaak een beroemde uitspraak van John Maynard Keynes aangehaald. De Britse econoom schreef in The General Theory of Employment, Interest and Money, dat in 1935 verscheen: ‘Practical men, who believe themselves to be quite exempt from any intellectual influence, are usually the slaves of some defunct economist. Madmen in authority, who hear voices in the air, are distilling their frenzy from some academic scribbler of a few years back.’
10 vuistregels voor een realistisch buitenlands beleid
Boek
Internationaal
01
Jan
2016
Jan 1, 2016
Discussies over het buitenlands beleid worden veelal ingekaderd in het klassieke ‘belangen versus waarden’ dilemma – in Nederland bekend als het eeuwige ‘koopman versus dominee’ debat. In 1982 schreef de toenmalig directeur en latere minister van Defensie Joris Voorhoeve hierover in een publicatie van de TeldersStichting: ‘Nederland is een kleine mogendheid, maar voert een buitenlands beleid dat gebaseerd is op het gevoel voor veel in de wereld medeverantwoordelijk te zijn’. Een land als Nederland moet zich echter bewust zijn wat zijn – zeer relatieve – positie in de wereld is. Buiten Europa denkt iedereen in termen van belangen en het is, zo betoogde Halbe Zijlstra recent in Liberaal Reveil, ‘tijd dat wij hetzelfde doen’.
Kunnen kiezen. Vrijheid, keuzes en rechtvaardigheid in de curatieve gezondheidszorg
Boek
Leefomgeving & Klimaat
01
Jan
2015
Jan 1, 2015
In 2006 werd het huidige zorgverzekeringsstelsel voor curatieve zorg ingevoerd, onder meer met het idee de patiënt ‘centraler’ te stellen. Nu, bijna 10 jaar later, is het tijd de balans op te maken. Terwijl de aandacht van de politiek volop ligt bij het beheersen van de zorgkosten – en par- tijen van links tot rechts het eens zijn over de noodzaak daarvan –, is er minder aandacht voor de vraag of dit stelsel wel zo dienstbaar is aan de burger, verzekerde en patiënt als liberalen een decennium geleden wellicht verwachtten.
Gelukspolitiek. Liberalisme en de waarde van vrijheid
Boek
Filosofie, Religie & Ethiek
01
Jan
2014
Jan 1, 2014
De openingszinnen van het voorwoord tot een geschrift van de TeldersStichting dat slechts enkele maanden geleden verscheen, luiden als volgt: ‘De individuele vrijheid geldt binnen de liberale filosofie traditioneel als de belangrijkste waarde (...) Echter vrijheid alleen is niet voldoende. Verantwoordelijkheid is voor liberalen onlosmakelijk verbonden met de vrijheid; het is de keerzijde van dezelfde medaille.’
Zeker van energie. Een liberaal perspectief op het Nederlandse energiebeleid
Boek
Leefomgeving & Klimaat
01
Jan
2014
Jan 1, 2014
U bent zojuist begonnen met lezen in het alweer 121e geschrift van de TeldersStichting. Een publicatie die geheel in het teken staat van energie en het enorme belang daarvan voor onze huidige en toekomstige samenleving. We staan niet altijd bewust stil bij de relevantie van een betrouwbare toegang tot energie. Vaak nemen we het zelfs voor lief. Desondanks heeft energie een beduidend aandeel in de vele verschillende aspecten van ons moderne leven. In algemene termen zou gezegd kunnen worden dat we er zelfs grotendeels afhankelijk van zijn geworden. Daaraan zal in de toekomst weinig veranderen.
Onbegrensde arbeidsmigratie: zegen of zorg? Een liberale kijk op intra-EU migratie en sociale zekerheid
Boek
Migratie & Integratie
01
Jan
2013
Jan 1, 2013
Met de uitbreiding van de Europese Unie, die momenteel uit 28 lidstaten bestaat, heeft het fenomeen intra-EU migratie steeds meer aan belang gewonnen. De burgers van de lidstaten zijn vrij, zo is vastgelegd in de richtlijn vrij verkeer van personen, om zich overal in de Unie te vestigen en te proberen in andere lidstaten werk te vinden. Vooral na de toetreding van Polen in 2004 is duidelijk geworden dat dit stevige consequenties kan hebben, zowel in positieve als negatieve zin. Het aantal Poolse (arbeids) migranten dat naar Nederland kwam na de toetreding werd, zo zal ook in dit geschrift worden verduidelijkt, flink onderschat. In korte tijd zijn er enkele honderdduizenden Polen naar Nederland gekomen.
Arbeidsmarkt openbreken voor jongeren
Boek
Technologie
01
Jan
2013
Jan 1, 2013
Een verloren generatie. De term komt oorspronkelijk van Ernest Hemingway die hiermee de generatie jonge mannen tijdens de Eerste Wereldoorlog uit de oorlogvoerende landen bedoelde die, vaak verminkt en getekend, terugkwamen van het front en moeilijk konden aarden in de burgermaatschappij.
Legitimiteit van de rechterlijke macht
Boek
Democratie & Rechtsstaat
01
Jan
2013
Jan 1, 2013
De rechtspraak staat in onze samenleving van mondige burgers, journalisten en politici volop ter discussie, dat lijdt geen twijfel. Dit kan als een kenmerk van een levendige democratische rechtsstaat worden beschouwd. De rechterlijke macht als derde staatsmacht is net zo zeer onderwerp van kritische volgers als de wetgevende en de uitvoerende machten dat zijn. In voorgaande decennia vond wellicht minder politieke discussie over rechtspraak plaats en lieten pers en samenleving zich misschien minder horen. Maar met een maatschappelijk debat over het werk van de rechter is op zichzelf genomen niets mis.
De jarige NAVO
Column
Veiligheid
04
Apr
2024
Apr 8, 2024
Patrick van Schie
Directeur Patrick van Schie reflecteert op het 75-jarige bestaan van de NAVO.

De NAVO bestaat 75 jaar. Nog maar een paar jaar geleden verklaarde de Franse president Macron de NAVO ‘hersendood’. Waarschijnlijk was de wens hier mede de vader van zijn gedachte want de Fransen hebben nooit veel opgehad met organisaties waarin niet zij maar de Amerikanen de eerste viool spelen. Daarom pleiten de Fransen altijd maar weer voor een militaire taak voor de EU.

Niet doen. Ja, veel Europese landen schieten nog altijd schromelijk te kort voor wat betreft hun defensie. Een flink aantal haalt nog altijd niet de minimaal benodigd geachte 2% van het BBP aan defensie-uitgaven. En die 2% is gelet op de huidige spanningen wellicht al te weinig; 3% zou een betere norm zijn. Als het gaat om materieel en andere militaire capaciteiten heersen er forse achterstanden. Beloftes aan Oekraïne kunnen nu niet worden nagekomen en ook eigen krijgsmachten kampen met tekorten en achterstanden.

De oplossing is níet een duplicatie in de vorm van een defensiepoot voor de EU. Wat moet gebeuren is dat Europese NAVO-lidstaten eindelijk voldoende investeren in hun eigen krijgsmachten. De NAVO heeft de juiste beproefde structuren, is bij uitstek toegerust op de defensietaak én: heeft een duidelijke en onmisbare leider, de Verenigde Staten. Van het oude gezegde over de NAVO (van lord Ismay) gaat nog altijd op dat zij in ieder geval tot taak heeft de Russen buiten Europa en de Amerikanen er in te houden.

In het ‘keep the Russians out’ is de NAVO de eerste 75 jaar van haar bestaan buitengewoon succesvol gebleken, dat wil zeggen het NAVO-grondgebied is al die tijd gevrijwaard van een invasie gebleven. De omvang van dit grondgebied is vooral na de Koude Oorlog uitgebreid, laatstelijk met Finland en Zweden. Niet vanwege expansionistische neigingen van de NAVO zelf maar omdat de verdedigingsorganisatie nieuwe leden extra veiligheid biedt tegen Russische agressie. Verdediging tegen de Russen als taak leek na 1991 weg te zijn maar dat was schijn. Wie zich níet in illusies wenste te wentelen – wat een grote meerderheid van de politici wel deed – en wie kennis bezat of wilde nemen van de Russische interne verhoudingen en externe bedoelingen, wist dat de Russische dreiging bleef sluimeren.

Op dit moment zien de meeste inwoners van de liberale democratieën die dreiging maar al te duidelijk. Maar er zal altijd een neiging zijn ervan weg te kijken, zich niet te willen voorstellen dat de eigen veiligheid op het spel kan komen te staan en dus defensie opnieuw uit te kleden ten behoeve van overheidsuitgaven die sneller bevrediging geven. Het is dus zaak alert te blijven en de bereidheid op te brengen de territoriale verdediging op peil te brengen en te houden.

Bovenal is het zaak de Amerikanen bij Europa betrokken te houden. Wij hebben niet in de hand of isolationistische krachten in de Verenigde Staten (Trump) de overhand krijgen maar wel om te laten zien dat wij onszelf en onze bondgenoten willen verdedigen. Aan deze soft power, de bereidheid zo nodig gewapenderhand op te komen voor onze kostbare vrijheid, ontleent de Navo zeker zo veel kracht als aan de eveneens benodigde militaire capaciteiten.

Hugo’s handigheid. Over de proef met een kleiner stembiljet voor de EP-verkiezingen
Column
Democratie & Rechtsstaat
03
Mar
2024
Mar 14, 2024
Patrick van Schie
Directeur Patrick van Schie bekritiseert de proef met een kleiner stembiljet bij de aankomende Europese verkiezingen

Hebt u bij het uitbrengen van uw stem op 22 november staan worstelen met het stembiljet? Volgens diverse nieuwsberichten was het een enorm gedoe, om het grote stembiljet open te vouwen en om het na het rood maken van het gewenste vakje weer zodanig dicht te vouwen dat het makkelijk in de stembus kon worden gedeponeerd.

Demissionair minister van Binnenlandse Zaken Hugo de Jonge leeft met de kiezers mee, beweert hij. ‘Dat enorme biljartlaken [het stembiljet] is niet gebruiksvriendelijk.’ Het werd zo groot omdat er op 22 november 2023 26 partijen aan de Tweede Kamerverkiezingen deelnamen, elk met een sliert(je) aan kandidaten.

Hugo gaat het de kiezers makkelijker maken. Om te beginnen in vijf gemeenten waar bij de verkiezingen voor het Europees Parlement op 6 juni a.s. een proef wordt gehouden met een kleiner stembiljet, formaat A3. Een proef want als het bevalt wil hij het landelijk gaan invoeren, eerst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2026. Dan zou het kleinere stembiljet in alle (momenteel) 342 gemeenten moeten worden gebruikt.

Een kleine technische aanpassing, zal menigeen denken, ja, dat past een demissionair minister nog wel. Maar hoe krijgt Hugo de Jonge dit voor elkaar? Hoe kunnen alle rood te maken hokjes in eens op een veel kleiner vel papier passen? De truc die Hugo gebruikt is dat een kiezer voortaan eerst een lijst met uitsluitend de partijen ziet. Daar kan deze kiezer het hokje voor de partij van zijn of haar keuze rood kleuren. Wenst hij ook een voorkeurstem uit te brengen dan staan eronder de nummers (rangorde) van de kandidaten vermeld; daar kan dan nóg één hokje rood worden gemaakt. Namen staan er niet bij vermeld. Wie wil weten welke naam bij welk nummer hoort kan op de achterwand van het stemhokje kijken wie welk getal heeft. Wel even het juiste nummer onthouden.

Of dit makkelijker is, valt nog maar te bezien. Een veel zwaarwegender nadeel is echter principieel: dit vormt een radicale breuk met het stelsel waarin een kiezer op een persoon stemt, en niet op een partij.  Art. 129 Gw bepaalt: ‘De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen….’ Artt, 54 en 55 bevatten eenzelfde formulering voor Tweede en Eerste Kamerverkiezingen: het zijn leden die worden gekozen, niet partijen. De Kieswet specificeert (art. J20): ‘Op de bij de verkiezingen te bezigen stembiljetten kunnen kiezers een keuze maken uit de kandidaten over wie de stemming moet geschieden.’ De te maken keuze betreft individuele kandidaten, geen partijen. En ook niet kandidaten in de vorm van nummers, waar men moeite moet doen na te gaan wie achter welk nummer schuilt.

Hugo de Jonge maakt het de kiezer dus niet makkelijker; hij maakt het veel moeilijker om een voorkeurstem uit te brengen. Kiezers die uitsluitend een hokje van een partij rood maken worden geacht op de nummer 1 van de lijst te hebben gestemd. De afgelopen decennia zijn steeds meer kiezers overgegaan tot het uitbrengen van een voorkeurstem. Blijkbaar zinde dit Hugo de Jonge niet en probeert hij daar nu op een kunstmatige manier paal en perk aan te stellen.

Dat past een demissionair minister niet. Maar het is bovendien in strijd met de historische traditie van verkiezingen in ons land én in strijd met de Grondwet. Indien het CDA, de partij van Hugo de Jonge, werkelijk geeft om de grondrechten waar het zegt zo aan te hechten, dan zou het in ieder geval de huidige Grondwet dienen te respecteren zolang die niet is gewijzigd. En een eventuele aanpassing van de Grondwet in de richting die Hugo de Jonge nu gaat is ongewenst.

Het probleem van de Nederlandse politiek is namelijk niet dat partijen te weinig macht over volksvertegenwoordigers hebben, maar dat de partijdiscipline in de loop der tijd juist te strak is geworden. Het uitbrengen van een voorkeurstem is een van de weinige middelen waarover kiezers beschikken om af te kunnen wijken van wat de partijbonzen graag willen. Hugo’s handige truc zal de kiezers alleen maar meer buitenspel zetten. Hoog tijd om daar een stokje voor te steken.

De term 'grensoverschrijdend gedrag' is problematisch
Column
Filosofie, Religie & Ethiek
02
Feb
2024
Feb 19, 2024
Wilbert Jan Derksen
Wetenschappelijk medewerker Wilbert Jan Derksen pleit voor het gebruik van andere termen dan grensoverschrijdend gedrag.

De laatste jaren werden overal in de samenleving gevallen van ‘grensoverschrijdend gedrag’ gemeld. De kranten stonden er vol mee. Het meest recente voorbeeld waren natuurlijk de misstanden binnen de NPO. Eerder zette het schandaal rond televisieprogramma The Voice of Holland het land al op z’n kop. Maar ook buiten de cultuur- en mediawereld zagen we deze problemen aan het licht komen. Zo werd in de politiek voormalig Kamervoorzitter Khadija Arib beschuldigd van grensoverschrijdend gedrag. Ook in het bedrijfsleven duikt de term regelmatig op.

Het is goed dat deze problemen tegenwoordig meer onder de aandacht worden gebracht. Toch is er een serieus probleem met het gebruik van de term ‘grensoverschrijdend gedrag’. Het is namelijk een nogal ambigu begrip dat voor verschillende interpretaties vatbaar is. Kijken wij bijvoorbeeld naar de incidenten bij de NPO, dan sprak het onderzoeksrapport onder meer over gevallen van discriminatie, intimidatie, maar ook roddelen. Bij The Voice of Holland ging het daarentegen vooral over misdragingen van seksuele aard, met zelfs beschuldigingen van verkrachting. Roddelen en verkrachting vallen dus blijkbaar onder dezelfde noemer van grensoverschrijdend gedrag.

Dat is mijns inziens een nogal grote marge wat betreft de ernst van het incident. Door dit allemaal onder dezelfde term te laten vallen, is niet duidelijk of iemand wordt verdacht van een relatief lichte misdraging of een serieus (en mogelijk zelfs strafbaar) vergrijp. Dat kan voor zowel de aanklager als de beschuldigde een pijnlijke situatie opleveren.

Beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag komen geregeld op, zonder dat duidelijk is om wat voor gedrag het precies gaat. “Het onderzoek loopt nog” wordt dan vaak gezegd, of: “daar doen wij in het belang van de betrokkenen geen uitspraak over”. Daarmee wordt vervolgens de speculatiemolen in de samenleving volop aangezwaaid. Bovendien worden hier soms gelijk al consequenties aan verbonden, waaronder ontslag. Het helpt ook niet mee dat beschuldigingen vaak anoniem worden gedaan (al valt dat vanuit het perspectief van het slachtoffer natuurlijk vaak wel te begrijpen). Geregeld leidt dit tot aanklachten, zonder dat de beschuldigde weet van welke aard die precies zijn of uit welke hoek ze komen. Het is lastig je daartegen te verdedigen.

‘Grensoverschrijdend’ is natuurlijk sowieso al een moeilijke term om mee te werken. Iedereen heeft namelijk eigen opvattingen over waar deze grens precies ligt. In veel gevallen is het wel duidelijk wanneer iets niet door de beugel kan, maar er is ook een groot grijs gebied. Het is dus belangrijk om dit zo goed mogelijk af te kaderen en duidelijk taalgebruik is daarbij cruciaal.

In plaats van de algemene term grensoverschrijdend gedrag te gebruiken, zou het al beter zijn om te spreken van ‘verbaal grensoverschrijdend gedrag’ of ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’. Nog beter zou zijn om duidelijkere termen te gebruiken als intimidatie, discriminatie, uitsluiting, manipulatie, geweld, aanranding etc.

Wel moeten we oppassen dat niet ook van deze termen de betekenis wordt opgerekt. Waar met ‘geweld’ bijvoorbeeld vroeger alleen fysiek geweld werd bedoeld, wordt tegenwoordig ook wel eens van ‘verbaal geweld’ gesproken. Is ‘schelden’ of ‘beledigen’ niet een betere term? Sowieso lijkt er een zekere ‘woord-inflatie’ merkbaar te zijn in de samenleving. Termen als ‘fascist’, ‘crisis’ en ‘onveilig’ vallen te pas en te onpas en verliezen langzamerhand hun oorspronkelijke betekenis.

Voor liberalen is het belangrijk dat wij op een open wijze met elkaar de discussie kunnen aangaan over dit soort gevoelige onderwerpen. Dan is het wel essentieel dat er een consensus bestaat over wat de woorden die wij gebruiken precies inhouden. Dat is al helemaal belangrijk wanneer het beschuldigingen betreft die verstrekkende gevolgen kunnen hebben.

Drs. Wilbert Jan Derksen is wetenschappelijk medewerker bij de TeldersStichting.

Podcast 'Ecosofie' met Patrick van Schie
Column
Leefomgeving & Klimaat
12
Dec
2020
Dec 4, 2020
Patrick van Schie over beprijzing van externaliteiten en 'the tragedy of the commons'.

In een serie over de ideologie achter Nederlandse politieke partijen vertelt Patrick van Schie, directeur van de TeldersStichting, over de ideologie van de VVD: het liberalisme. Hoe kijkenliberalen naar thema’s als vrijheid, rechtvaardigheid en (kansen)gelijkheid? Tevens wordt er ingegaan op duurzame aspecten als beprijzing van externaliteiten en the tragedy of the commons.  

Beluister de aflevering hier.

Podcast 'De liberalen' met Patrick van Schie
Column
Filosofie, Religie & Ethiek
01
Jan
2021
Jan 28, 2021
In gesprek met Patrick van Schie en Coen Brummer over vrijheid, het belang van gelijke kansen en de rol van de Staat.

In de aanloop van de Tweede Kamer verkiezingen van 2021 ging de podcast ‘Vergezichten’ opzoek naar de verschillende grondbeginselen en idealen die in het Nederlandse partij landschap te vinden zijn.

In de aflevering over ‘De liberalen’ gaat Patrick van Schie, directeur van de TeldersStichting, in gesprek met Coen Brummer, destijds directeur van de Hans van Mierlo Stichting, over onder meer de betekenis van vrijheid, het belang van gelijke kansen en de rol van de staat.

 

Beluister de aflevering hier.

Podcast 'Het spel & de macht' met Patrick van Schie
Column
Democratie & Rechtsstaat
11
Nov
2023
Nov 9, 2023
In gesprek met Patrick van Schie over democratie en rechtsstaat.

In de podcast ‘Het spel & de macht’ van Universiteit Leiden bespreken wetenschappers, studenten en praktijk deskundigen onderwerpen op het gebied van politiek en bestuur in Nederland.

In de tweede aflevering van het vierde seizoen is Patrick van Schie, directeur van de TeldersStichting, te gast. In deze aflevering wordt gesproken over de uitdagingen voor de democratie en de rechtstaat, zoals het politiek cordon sanitaire. Tevens worden voorstellen ter verdediging van de democratie en rechtsstaat besproken.

 

Beluister de aflevering hier.

Groter is niet sterker: uitbreiding van de Tweede Kamer is geen goed idee
Column
09
Sep
2023
Sep 8, 2023
Patrick van Schie
Mirjam Bikker en Laurens Dassen, de fractievoorzitters van ChristenUnie en Volt, hebben eind augustus een initiatiefnota ingediend met onder andere het voorstel de Tweede Kamer uit te breiden van 150 naar 250 zetels.

Mirjam Bikker en Laurens Dassen, de fractievoorzitters van ChristenUnie en Volt, hebben eind augustus een initiatiefnota ingediend met onder andere het voorstel de Tweede Kamer uit te breiden van 150 naar 250 zetels. Dit is nodig, betogen zij, om de Kamer te versterken. Daarnaast wijzen zij erop dat de Tweede Kamer sinds de vorige uitbreiding in 1956 (van 100 naar 150 zetels) niet meer is gegroeid terwijl ons land 65% meer inwoners telt. Ook internationaal vergeleken telt ons parlement weinig leden, stellen Bikker en Dassen. Voeg daarbij dat de wereld en de wetgeving steeds complexer worden, en de logische conclusie lijkt te zijn dat uitbreiding met 100 extra zetels onontkoombaar is.

Maar het is een misvatting dat groter gelijk staat aan sterker. Het Franse parlement, zo blijkt ook uit een in hun eigen nota opgenomen grafiek, telt relatief veel leden. Dit parlement is echter notoir zwak. Een vergadering is niet krachtiger als er meer mensen aan deelnemen. De Poolse landdag in de 17e en 18e eeuw was bijzonder omvangrijk. Een ‘Poolse landdag’ is echter synoniem geworden voor krachteloos.

De Verenigde Staten tellen bijna 20 keer zoveel inwoners als Nederland. Toch is hun Huis van Afgevaardigden ‘slechts’ 3 keer zo groot als onze Tweede Kamer. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de Amerikaanse Senaat de belangrijkste ‘kamer’ in het Congres vormt. De Amerikaanse Senaat is kleiner dan onze Tweede Kamer. Maar bepaald niet machtelozer.

Voor zover onze Tweede Kamer zwak is hebben de parlementariërs (als collectief) dat aan zichzelf te wijten. Zij zijn het die maar al te vaak van incident naar incident hollen. Zij zijn het die motie na motie indienen in de hoop daarmee het nieuws te halen. Zij zijn het die zich laten insnoeren door een gedetailleerd coalitieakkoord, of voor zover zij tot de oppositie horen meest coûte que coûte negatieve kritiek op de coalitie spuien in plaats van constructief te werk te gaan. En zij zijn het die zich, zowel coalitie als oppositie, in een strak keurslijf laten rijgen (fractiediscipline) in plaats van het grondwettelijk gebod navolgen om zonder last te oordelen.

Bikker en Dassen onderkennen dat Kamerleden zich nu te veel door incidenten laten leiden. Daarom stellen zij tevens meer ‘visiedebatten’ voor. Dat is in beginsel een goede zaak, maar de kans daarop wordt met meer Kamerleden eerder kleiner dan groter. Méér Kamerleden betekent nog meer specialistische portefeuilles. Dat vergroot niet de kans dat een Kamerlid een samenhangende visie ontwikkelt. En als hij of zij die al heeft, dan moet deze ook geuit kunnen worden. Zolang de huidige fractiediscipline leidend blijft, zullen andere leden dan de fractievoorzitters amper kans krijgen een bredere visie te ontvouwen.

Natuurlijk moet wetgeving met kennis van zaken worden beoordeeld. Maar voor het technisch doorvlooien van concept-wetten zijn niet meer Kamerleden nodig. Dat kunnen (zo nodig wat meer) medewerkers ook doen. Een Kamerlid moet vooral bepalen of het doel van het wetsvoorstel juist is. En of het wel nodig is. Het is beter om de hoeveelheid wetgeving aan te passen aan het aantal Kamerleden dan andersom; misschien kan dat de onbedwingbare regelzucht inperken. Dan moeten Kamerleden daar natuurlijk wel alert op zijn. Voor het ondersteunen in de ontwikkeling van visies ten slotte heeft een Kamerlid niet meer collega’s nodig maar een beter geoutilleerd wetenschappelijk bureau. Juist zulke ondersteuning is internationaal vergeleken in Nederland nogal calvinistisch geregeld.

Ook als er aan de omvang van de Kamer en aan de fractiediscipline niets verandert is er voor in ieder geval de fractievoorzitters geen enkel beletsel om zich op hoofdlijnen te richten en, als ze die hebben, hun grotere visie te ontvouwen. Behalve dan het nu toegestane aantal interrupties. Het zou al heel wat schelen als men zou afspreken dat een Kamerlid eerst zijn of haar hele verhaal mag afmaken alvorens te worden geïnterrumpeerd. Eerst luisteren, pas dan in debat gaan. Zo moeilijk zou dat toch niet hoeven zijn?

De huidige AI-revolutie vraagt om snelle wetgeving
Column
Technologie
05
May
2023
May 9, 2023
Wilbert Jan Derksen
Wetenschappelijk medewerker Wilbert Jan Derksen schrijft over de implicaties van generatieve AI.

Het zal weinig mensen ontgaan zijn: er vindt momenteel een ware aardverschuiving plaats op het gebied van kunstmatige intelligentie (artificial intelligence; AI). Met de lancering van ChatGPT eind vorig jaar heeft zogeheten generatieve AI bij het grote publiek naam gemaakt. Wat deze vorm van AI uniek maakt is dat via ‘prompts’ (commando’s die de gebruiker intypt) ‘originele’ content kan worden geproduceerd; denk aan tekst, beeld en geluid. Origineel tussen aanhalingstekens, aangezien de AI zich daarbij wel baseert op gigantische hoeveelheden al bestaande data.  

Degenen die al even met deze technologie hebben geëxperimenteerd zullen hebben gezien tot welke verbluffende resultaten dit kan leiden. Volledige werkstukken worden binnen enkele seconden op je beeld getoverd. Er worden nu dan ook al boeken verkocht die door AI zijn geschreven. Beeldmateriaal kan eveneens op deze wijze worden gegenereerd. Hoe goed de kwaliteit daarvan kan zijn, bleek wel toen de winnaar van een internationale fotografiewedstrijd zijn prijs weigerde, nadat hij aangaf de winnende foto via AI te hebben gegenereerd.

Het is lastig niet enthousiast te worden van alle mogelijkheden die deze technologie ons kan bieden. Toch geldt ook hier, zoals bij vrijwel iedere grote technologische ontwikkeling, dat er bepaalde problemen aan kleven. Problemen die ook voor liberalen relevant zijn.  

Neem bijvoorbeeld de gevolgen van deze technologie voor het intellectueel eigendom. Ook kunst kan nu met behulp van AI gegenereerd worden. Zoals eerder aangegeven baseert deze technologie zich daarbij wel op alle beschikbare data, in dit geval het werk van andere kunstenaars. Deze artiesten gaan dus concurrentie ondervinden van een partij die juist hun werk gebruikt om producten te genereren. Dat voelt oneerlijk.

Is het tegelijkertijd niet zo dit iedere kunstenaar zich laat inspireren door (en in die zin ‘steelt’ van) andere artiesten? Waar ligt dan precies de grens tussen plagiaat en inspiratie? En verschuift die grens op het moment dat er AI in het spel is (en zo ja, waarom dan eigenlijk)? Liberalen zien het eigendomsrecht als een onmisbare pijler voor vooruitgang en individuele vrijheid. Op juridisch vlak zal dus snel duidelijkheid geschept moeten worden over dergelijke zaken.    

Dat dit problemen oplevert bleek ook toen onlangs een met AI gegenereerd nummer van twee bekende rappers viral ging, waarop de platenmaatschappij van de artiesten streamingdiensten verzocht het nummer te verwijderen. Heb je altijd al Donald Trump een cover van I Will Survive willen horen zingen. Binnen een paar kliks is het geregeld. Daarmee voel je waarschijnlijk ook aan dat we nu aan de vooravond staan van een stortvloed aan desinformatie. Want net zoals we politici ludieke muzieknummers kunnen laten zingen, kunnen we ze controversiële uitspraken in de mond leggen en die delen op sociale media. Vanuit liberaal perspectief geeft dit grote zorgen ten aanzien van onder meer de democratie.

Drie seconden aan stemgeluid zou al voldoende moeten zijn om iemands stem na te kunnen bootsen. Het is daarmee ook een handig instrument voor cybercriminelen, die zich via de telefoon kunnen voordoen als je kind die vraagt of die even wat geld kan lenen om alvast de huur over te kunnen maken aan de huisbaas. Waar WhatsApp-fraude nu al voor enorme problemen zorgt, zal deze vorm van digitale oplichting mogelijk nog lastiger te herkennen zijn. De veiligheid van burgers komt daarmee dus in het geding. Een andere zorg waar op dit moment nog geen oplossing voor is, is het probleem van ‘hallucinaties’. Hoe indrukwekkend goed deze technologie ook werkt, regelmatig produceert die informatie die verkeerd blijkt te zijn. Als de AI het antwoord niet weet op een bepaalde vraag kan het voorkomen dat deze gewoon maar wat verzint. Het probleem is dat dit op zo’n zelfverzekerde en geloofwaardige toon gebeurt, dat de gebruiker hier niet snel aan zal twijfelen. Ook dit kan er dus voor zorgen dat er de nodige misinformatie wordt verspreid.      

Generatieve AI zal daarnaast een grote impact hebben op de arbeidsmarkt. Net werd al gerefereerd aan kunstenaars, maar ook beroepen in onder meer de marketing, juridische en financiële sector zullen worden getroffen. Verschillende beroep zullen ingrijpend veranderen en sommige zelfs geheel verdwijnen, zo is de voorspelling. Opvallend daarbij is overigens dat waar wij voorheen dachten dat automatisering vooral laaggeschoolde handarbeiders zou treffen, nu juist hoogopgeleiden het haasje lijken te zijn. Voor liberalen is het belangrijk na te denken over hoe geanticipeerd kan worden op deze ontwikkeling, zodat mensen zelfredzaam kunnen blijven.

Verschillende experts hebben bovendien gewaarschuwd voor het feit dat er een existentiële dreiging van AI uitgaat. De makers van ChatGPT geven aan dat hun uiteindelijke doel is om artificial general intelligence te creëren – dat wil zeggen, een AI die het menselijk brein evenaart of zelfs voorbijstreeft. Deze vorm van AI is niet ontworpen voor een specifieke taak, maar is net zoals de mens instaat om de wereld in brede zin te begrijpen en die kennis op allerlei manieren toe te passen.

Daarnaast zou deze AI zichzelf continu kunnen verbeteren, maar daarmee uiteindelijk mogelijk niet meer door mensen te doorgronden of erger nog, te beheersen zijn. De AI zou autonoom beslissingen kunnen gaan maken die onvoorspelbaar en potentieel zeer schadelijk zijn voor de mensheid. AI kent immers geen empathie en zal bijvoorbeeld kunnen redeneren dat de mensheid een obstakel (of instrument) is voor haar ultieme doel om maximale efficiëntie te behalen. Dat klinkt als sciencefiction, en dat is het op de korte termijn ook, maar op de lange termijn moet er wel degelijk rekening worden gehouden met dergelijke scenario’s.

Een grote risicofactor is dat er momenteel een race gaande is tussen verschillende concurrenten op het gebied van deze technologie. Bijna alle grote techbedrijven werken wel aan een eigen generatieve AI en willen deze zo snel mogelijk de markt op brengen. Deze markt kenmerkt zich namelijk door een winner-takes-all-effect: wie een voorsprong behaalt is nauwelijks meer in te halen. Op soortgelijke wijze wist Google bijvoorbeeld de alleenheerser op het gebied van zoekmachines te worden.

De voorgenoemde problemen maken duidelijk dat voorzichtigheid geboden is bij deze technologie. In de AI-race wordt snelheid echter als belangrijker dan voorzichtigheid gezien. Ongelukken liggen daarmee op de loer.

De makers van ChatGPT stellen dat zij de technologie ondanks haar gebreken nu al op de markt brengen om feedback van gebruikers te ontvangen en om de samenleving alvast voor te bereiden op de impact die AI zal hebben in de komende jaren. Dat zal vast voor een deel kloppen, maar het is overduidelijk dat hier ook een economisch motief aan ten grondslag ligt om de snelste partij te zijn. Dit blijkt ook wel uit het feit dat er in vergelijking met het aantal technici slechts een handjevol ethici bij het ontwikkelingsproces betrokken worden. Ethiek wordt door deze partijen toch nog vaak als slechts een bijzaak gezien die voor onnodige vertraging kan zorgen.

Als we kijken naar de potentiële gevaren van AI is het vreemd dat marktpartijen op zo’n achteloze manier te werk kunnen gaan. Vergelijk dit bijvoorbeeld eens met de auto-industrie die extreem zwaar wordt gereguleerd om de veiligheid van verkeersdeelnemers zo goed mogelijk te kunnen waarborgen. Een soortgelijk beleid zouden we ten aanzien van AI-ontwikkeling moeten hanteren, want ook daar spelen serieuze veiligheidsrisico’s. Tel daarbij de eerdergenoemde problemen open het wordt duidelijk dat de politiek zich hier meer mee zal moeten gaan bemoeien. Wetgeving is de enige manier waarop deze technologie in goede banen kan worden geleid. En daarbij is een ding wel duidelijk: is er geen tijd meer te verliezen.

Het streven naar diversiteit gaat te ver wanneer er gestuurd wordt op uitkomsten
Column
Filosofie, Religie & Ethiek
04
Apr
2023
Apr 20, 2023
VVD-fractiemedewerker Marlon Jansen pleit voor diversiteit gebaseerd op individuele capaciteiten en niet op afkomst.

In 2020 presenteerde toenmalig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Ingrid van Engelshoven het nieuwe nationale actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek. Volgens het plan zorgt een inclusieve, diverse en veilige leer- en werkomgeving waarin iedereen zich kan ontplooien voor de hoogst mogelijke kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Hoewel dit een nobel streven is, zijn er vragen te stellen over hoe diversiteit bijdraagt aan een hogere kwaliteit en op welke manier er naar meer diversiteit gestreefd moet worden.

Om deze vragen te beantwoorden, moet worden gekeken naar wat diversiteit inhoudt. Diversiteit gaat over de verschillen tussen mensen. Dit kan gaan om zichtbare kenmerken zoals geslacht, leeftijd en huidskleur, en het kan gaan om niet-zichtbare kenmerken zoals karakter, politieke overtuiging en opleidingsniveau. Het kan gaan om aangeboren kenmerken of kenmerken die je door je leven heen opdoet. Meer diversiteit in een groep betekent dus dat de groep bestaat uit mensen die zo veel mogelijk van elkaar variëren.

Onderzoek suggereert dat meer diversiteit in groepen kan leiden tot meer creativiteit en beterewerkverhoudingen. Mensen kunnen leren van diversiteit. Zo komt een mens in aanraking met meer perspectieven, waardoor je een bredere kijk op de wereld krijgt. Dit kan vervolgens leiden tot een hogere kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Het gaat hier echter niet om diversiteit van zichtbare kenmerken, maar om diversiteit op basis van eigenschappen. Zo leidt een groep bestaande uit de meest uiteenlopende zichtbare kenmerken, maar wel met dezelfde eigenschappen, niet tot meer creativiteit en betere werkverhoudingen.

Toch zijn mensen vaak geneigd om in hokjes te denken. Op die manier plaatsen we personen met zichtbare kenmerken in groepen. Bijvoorbeeld vrouwen, op basis van geslacht, of ouderen, op basis van leeftijd. Vaak vertonen deze groepen overeenkomstige eigenschappen. Zo worden mannen vaker als impulsief gezien. Vanuit liberaal oogpunt is het alleen niet logisch om een mens op deze manier te beoordelen. Een liberaal beoordeelt een persoon op zijn individuele capaciteiten en niet op zijn afkomst. Een liberaal zal hoe men zich uitspreekt over groepen niet laten bepalen hoe je met een individu omgaat. Je kan een individuele man niet impulsief noemen, omdat hij een man is. Het feit dat een persoon bepaalde identiteitskenmerken heeft, mag nooit tot een conclusie leiden.

Een liberaal staat voordiversiteit op basis van gelijkwaardigheid. Je laat ieder mens in zijn waarde, ook wanneer deze persoon afwijkt van jouw kenmerken. Binnen het liberalisme staat men open voor alle perspectieven. Dit is dan ook de basis van artikel 1 van de Grondwet: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld”.

Toch worden er in het verlengde van het actieplan inclusiequota ingesteld over het aantal biculturele medewerkers. En dit is waar een liberaal de grens trekt. Streven naar diversiteit gaat te ver wanneer er gestuurd wordt op uitkomsten. Dit gebeurt wanneer je een groep samenstelt op basis van diversiteit van identiteitskenmerken. Denk hier aan het aannemen van een vrouw, omdat de groep voornamelijk uit mannen bestaat. Hierbij wordt de vrouw voorgetrokken, omdat er wordt verwacht dat ze door haar identiteitskenmerk diversiteit zal meebrengen. Ze wordt dus beoordeeld op basis van haar groepskenmerken en niet op basis van haar individuele capaciteiten. Dit betekent dat niet ieder mens gelijkwaardig wordt behandeld en gaat tegen artikel 1 van de Grondwet in.

Voor een liberaal moet het startpunt van iedereen gelijk zijn, ongeacht hun identiteitskenmerken. Mensen moeten worden beoordeeld op basis van individuele capaciteiten, en niet op basis van hun afkomst. Door te streven naar kansengelijkheid ontstaat diversiteit vanzelf, waardoor er omstandigheden tot stand komen die diversiteit bevorderen. Diversiteit is voor een liberaal dus een belangrijk goed, zolang er gestreefd wordt naar kansengelijkheid en niet naar uitkomsten op basis van identiteitskenmerken.

Drs. Marlon Jansen is fractiemedewerker in de Tweede Kamer bij de VVD op de portefeuille Hoger Onderwijs, Wetenschap en Emancipatie.

De mogelijkheid tot partijverbod is een glibberig pad
Column
Democratie & Rechtsstaat
01
Jan
2023
Jan 30, 2023
Patrick van Schie
Directeur Patrick van Schie wijst op de gevaren van de mogelijkheid tot het verbieden van politieke partijen.

Minister van Binnenlandse Zaken Hanke Bruins Slot wil de mogelijkheid hebben politieke partijen te verbieden. Haar voorstel vormt een prominent onderdeel van de nieuw in te voeren Wet op de politieke partijen (Wpp). Deze zou vanaf 1 januari 2024 de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) moeten gaan vervangen.

Het kunnen verbieden van een politieke partij is een concreet uitvloeisel van de ‘weerbare democratie’-gedachte die door de Leidse hoogleraar Bastiaan Rijpkema in zijn dissertatie uit 2015 is uitgewerkt. Het stoelt op een reëel dilemma: een democratie biedt ook gelegenheid aan antidemocratische partijen om aan de macht te komen. Wanneer zo’n partij daarin slaagt, zal ze de democratie de nek omdraaien. Dit is dan onomkeerbaar (tenzij er een democratische opstand uitbreekt of het een latere dictator toevallig belieft de democratie weer in te voeren). Deze kans op zelfvernietiging moet worden voorkomen. Het is te vergelijken met John Stuart Mill’s adagium dat een individu niet vrijwillig zijn vrijheid mag verkopen, omdat er geen weg terug is. Een vrijheid om je eigen vrijheid om zeep te helpen is met zichzelf in strijd en dus ontoelaatbaar, stelde Mill.

Om zelfdestructie van de democratie te voorkomen valt er in theorie dus wel iets te zeggen voor de mogelijkheid van een partijverbod. De opvatting van minister van Justitie Donner – een CDA-partijgenoot van Bruins Slot – een kleine 20 jaar geleden dat als een meerderheid van het parlement de sharia wenst in te voeren, dat we dat dan maar moeten laten gebeuren, getuigde van een verderfelijk fatalisme. Onze democratische rechtsstaat is het waard te verdedigen.

Tegelijkertijd, zo beseft de minister blijkens haar memorie van toelichting, wordt het riskant wanneer een overheid zich gaat bemoeien met wat een politieke partij zoal mag vinden. ‘Een gezonde democratie is immers gebaat bij een veelheid aan opvattingen en een vrij debat daarover. Ook als het gaat om opvattingen die door gedeelten van de samenleving als onwenselijk worden gezien. Dat geldt niet alleen voor het individu maar ook voor een collectief als een politieke partij’, schrijft Bruins Slot terecht. Tot een partijverbod moet dan ook niet te snel worden overgegaan; het dient een uiterste redmiddel te zijn.

Waar het op aankomt is op welke gronden een partijverbod zal gaan berusten. De minister wil dat de Hoge Raad voortaan een politieke partij kan verbieden indien zij ‘door haar doelstelling of werkzaamheden een daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een of meer grondbeginselen van de democratische rechtsstaat’. Over die grondbeginselen straks veel meer. Eerst de gekozen formulering. De minister schrijft dat doelstelling en werkzaamheden veelal in samenhang zullen worden bekeken. Maar dat is niet zoals het wetsvoorstel is geformuleerd. Er staat ‘of’, niet ‘en’. Dit betekent dat op grond van deze tekst een partij waarvan wordt geoordeeld dat zij conform haar doelstellingen een van de grondbeginselen in gevaar brengt, zou kunnen worden veroordeeld. Dat is op zichzelf al een ernstige inbreuk op de vrije meningsvorming over de inrichting van ons staatsbestel. Daarbij komt dat het lastig zal zijn objectief te bepalen of er van zo’n daadwerkelijke en ernstige bedreiging sprake is (zie mijn betoog verderop).

Bovendien kent Nederland geen onveranderlijke grondwet. Onze grondwet groeit; af en toe wordt eraan geknutseld. Dat moet niet te vaak gebeuren, maar wanneer de mogelijkheid wordt afgesloten beperkt dit het democratische debat en kan een grondwet niet langer meegroeien met de veranderende inzichten in een samenleving. Die kunnen er ook toe leiden dat een bepaalde grondwetsbepaling wijziging behoeft, of zelfs dient te worden geschrapt. Het is nogal wat om toekomstige generaties de mogelijkheid te ontnemen het staatsbestel naar hún inzichten vorm te geven en te menen dat de huidige ‘wijsheid’ boven elke kritiek verheven is.

De minister verdedigt zich door te stellen dat het om een beperkt aantal wezenlijke grondbeginselen gaat, zonder welke van een democratische rechtstaat geen sprake is. Zij somt er in lid 2 van artikel 86 (waarin het partijverbod vastligt) vijf op. Aantasting van een van deze vijf grondbeginselen zou aanleiding tot een partijverbod moeten kunnen zijn. Het vijftal lijkt houvast te geven maar dat is schijn. Ik zal dit aan de hand van een paar voorbeelden duidelijk maken.

Het eerste beginsel dat wordt genoemd is ‘periodieke, vrije en geheime verkiezingen’. Dit lijkt evident; welke democratisch gezinde persoon kan daar nu tegen zijn? Ik ben er zelf zonder meer voorstander van. Maar was de voorgangster van minister Bruins Slot dat ook? Kajsa Ollongren (D66) maakte het als minister van BZK bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen voor 70-plussers mogelijk hun stem per brief uit te brengen. Dit in verband met de toen nog om zich heen grijpende coronapandemie. Zij sloot niet uit dat ook bij latere verkiezingen het stemmen per brief (wellicht zelfs ruimer) zou worden toegepast. In de Verenigde Staten is er bij de presidentsverkiezingen van 2020 zelfs op zeer grote schaal gebruik van gemaakt.

Aan briefstemmen hangt echter één groot nadeel, dat indruist tegen het eerste grondbeginsel van Bruins Slot: een geheime stemming is aldus niet verzekerd. We weten namelijk niet of iemand die per brief stemt dit zonder dwingende ogen achter zich heeft gedaan. We weten zelfs niet of zo iemand zélf het hokje voor de persoon van zijn of haar voorkeur heeft roodgekleurd. Wie geheime verkiezingen wil garanderen, moet stemmen per brief dus uitsluiten. Worden partijen die dat niet willen doen, die voor het stemmen per brief pleiten, met een partijverbod bedreigd?

Dat zal vast niet de bedoeling zijn. Maar volgens de tekst van het wetsvoorstel tast zo’n partij een van de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat aan. En het beginsel kan op basis van de gekozen formulering eveneens worden aangetast indien een politieke partij pleit voor een volkomen democratisch bedoelde vernieuwing: namelijk om volksvertegenwoordigers niet te kiezen maar te loten. Een voorstel daartoe is tien jaar geleden uitgewerkt door de Vlaamse historicus David van Reybrouck in zijn boek Tegen verkiezingen. Hij betoogde daarin dat echte democratie niet bestaat uit het kiezen van een oligarchie (vertegenwoordigers van partijen) maar uit het eerlijk loten van burgers – zoals in het antieke Athene werd gedaan – die daardoor allemaal op gelijke voet in aanmerking komen voor het ambt van volksvertegenwoordiger. Men kan over dit voorstel denken zoals men wil; maar antidemocratisch is het niet. Toch zou een partij die zich uitspreekt voor loten in plaats van kiezen van volksvertegenwoordigers – en daar ook voor ijvert – conform de tekst van het wetsvoorstel lijnrecht in strijd met het eerste grondbeginsel van de democratische rechtsstaat handelen.

Het gaat minister Bruins Slot niet enkel om de democratie maar tevens om de rechtsstaat. Dit is vervat in de grondbeginselen 4 en 5 uit lid 2 van artikel 86: de ‘scheiding der machten’ en de ‘onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak’. Ik zal niet betwisten dat beide beginselen horen bij een democratische rechtsstaat; integendeel. Alleen ligt de verhouding tussen democratie en rechterlijke macht niet zo eenvoudig als het hier wordt voorgesteld. Niet voor niets heerst er een levendig debat, in de politiek maar zeker ook onder rechtswetenschappers, over ‘rechterlijk activisme’, dat is de neiging van (sommige) rechters om met ‘eigentijdse’ interpretaties van wetten en verdragen aan rechtsvorming te doen, niet voor een individueel geval maar als algemeen bindende regel. Zulk rechterlijk activisme beperkt de beslisruimte van de politiek. Anders gezegd: de democratisch gekozen en gelegitimeerde wetgevende macht wordt op deze manier ingesnoerd door ongekozen rechters.

Over de vraag wie hier de scheiding der machten schendt en of de aldus handelende rechters wel ‘onpartijdig’ te werk gaan woedt een levendig debat. Vooral aan de linkerkant van het politieke spectrum wordt betoogd dat elke poging om dit rechterlijk activisme in te tomen en de politieke besluitvorming weer te leggen waar zij (vanouds) hoort – in het parlement (of eventueel volgens een anderszins democratisch gelegitimeerde wijze) – automatisch een onaanvaardbare aantasting van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zou zijn. Maar de rechtsstaat houdt níet in dat rechters de hoogste macht in onze staat uitoefenen. Evenmin zijn rechters in een democratische rechtsstaat boven kritiek verheven, zeker niet wanneer zij zich op het terrein van een van de twee andere trias-machten begeven.

Dan wordt het wel wonderlijk dat de hoogste rechterlijke macht in ons land – de Hoge Raad – volgens het wetsvoorstel de bevoegdheid krijgt een politieke partij te verbieden die een in de ogen van die partij verstoord evenwicht tussen de machten der trias wil herstellen door een deel van de verschoven macht weer terug te leggen waar zij oorspronkelijk lag: bij de volksvertegenwoordiging. Een rechterlijke instantie mag derhalve gaan beoordelen of het nog geoorloofd is dat een politieke partij aan de rechterlijke machtsuitbreiding een halt wil toeroepen. Met het adagium dat macht niet gauw zichzelf zal beperken en dus door een elders gelegen tegenmacht zal moeten worden ingetoomd, wordt hier de hand gelicht.

Al met al zijn de in het wetsvoorstel geformuleerde grondbeginselen van de democratische rechtsstaat nogal glibberig, zodat willekeurige toepassing ervan op de loer ligt. Opmerkingen die D66-leider Kaag onlangs maakte dat het gevaar louter in ‘extreemrechtse’ hoek zou liggen, waarbij zij zich (bewust?) blind toonde voor antidemocratische tendensen onder extreemlinkse en islamitisch-fundamentalistische groeperingen, duiden erop dat als het aan sommige linkse partijen ligt bovenal hun meest ‘lastige’ tegenstanders moeten worden verboden. Maar het verbieden en monddood maken van ‘lastige’ tegenstanders is geen kenmerk van een weerbare democratie; dat is een bezigheid van dictators.

In ons land is tijdens de Koude Oorlog noch de Communistische Partij Nederland (CPN) noch de Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland marksisties-leninisties (KENml), de directe voorloper van de SP, ooit verboden ondanks hun openlijke antidemocratische gezindheid en hun banden met afzichtelijke dictaturen (voorop de Sovjet-Unie respectievelijk maoïstisch China). Het toestaan van deze partijen heeft onze democratie niet zwakker gemaakt; er heeft geen enkel gevaar bestaan dat zij langs democratische wijze aan de macht zouden komen. En iets verder terug: de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) kwam in 1940 niet aan de (schijn)macht langs democratische weg maar als marionet van de Duitse bezetter.

Ook zonder de bepalingen van het wetsvoorstel kan een politieke partij die werkelijk een gevaar voor de democratie vormt worden verboden, en wel op helderder gronden: namelijk wanneer zij geweld pleegt tegen de democratische instellingen of tegen haar politieke tegenstanders. De Duitse Weimar-republik is in 1933 inderdaad ten onder gegaan doordat de nationaal-socialisten (NSDAP) en de communisten (KPD) tezamen een meerderheid in het parlement veroverden. Maar zowel de NSDAP als de KPD had ruim voor die tijd verboden kunnen worden vanwege het door beide partijen gepleegde grootschalige en grove (straat)geweld). Een – in de praktijk algauw willekeurig toegepast – verbod van politieke partijen louter omdat zij ernaar streven ons staatsbestel anders in te richten is niet de juiste manier om de democratie te redden. Het risico op misbruik van de bepalingen in het wetsvoorstel is groter dan het gevaar dat onze Nederlandse democratie van binnenuit bedreigt.

Zorg voor een betrouwbaar, helder en volledig voedselkeurmerk
Column
Economie
01
Jan
2023
Jan 30, 2023
Wilbert Jan Derksen
Wetenschappelijk medewerker Wilbert Jan Derksen pleit voor een beter voedselkeurmerksysteem.

‘Je bent wat je eet’ zo luidt het gezegde, maar wat eet je nou eigenlijk? Fitness-junkies, veganisten, gluten-intoleranten en mensen met andere diëten zullen wellicht regelmatig de ingrediëntenlijst van een product doorlezen. De meeste mensen zien het echter niet zitten om bij elk artikel de leesbril op te moeten zetten voordat het in de winkelmand kan worden gelegd. Om consumenten toch de gelegenheid te geven een gezonde keuze te kunnen maken kan daarom gewerkt worden met een keurmerk. Zo weet men in een oogopslag of het hier een verantwoord product betreft of niet.

Maar de wereld van keurmerken blijkt een schimmige te zijn. In de supermarkt zien we niet alleen keurmerken op het gebied van gezondheid, maar ook zaken als dierenwelzijn, fair trade en duurzaamheid. Sterker nog, in Nederland zijn er wel 100 van dat soort keurmerken te vinden. Veel te veel natuurlijk om van de consumenten te verwachten dat zij die allemaal herkennen. Bovendien blijkt daar een flink aantal weinig betrouwbare keurmerken tussen te zitten. Er zijn namelijk geen regels voor het opzetten van een keurmerk en in feite kan iedereen dat zomaar doen. De grote supermarktketens kennen zodoende ook weer hun eigen keurmerken.  

In het televisieprogramma Keuringsdienst van waarde werd bijvoorbeeld de onzin van het ‘beter voor’-keurmerk van Albert Heijn blootgelegd. De programmamakers gingen langs bij een van de ‘beter voor varken, natuur en boer’-varkensboeren. Wat hij had moeten doen om dat keurmerk te bemachtigen: wat vogelhuisjes ophangen, een ‘insectenhotel’ inrichten, en een kleine bloemenstrook inzaaien. Helaas bleken zowel de vogels als insecten ver te zoeken. De maatregelen zullen voor de natuur geen zoden aan de dijk zetten en wat de varkens hieraan zouden hebben is al helemaal een raadsel. Toch zal de consument bij het zien van dit keurmerk wel in de veronderstelling zijn dat hij door dit product te kopen goed bezig is voor zowel de natuur als dierenwelzijn. Een goed voorbeeld van misleidende ‘greenwashing’.

Terug naar de gezondheid: op dit gebied zien we nu in de supermarkt steeds vaker de zogeheten ‘Nutri-Score’ staan op producten. In die score wordt met behulp van letters (A tot en met E) beoordeeld hoe gezond de samenstelling van een product is; A is het gezondst, E het ongezondst. Zo kan de consument in een oogopslag zien of hij een gezonde keuze maakt of niet. Toch blijkt ook hier weer het nodige op aan te merken zijn. Zo worden producten niet in het algemeen, maar binnen hun productencategorie beoordeeld. Een diepvriespizza kan op die manier een A-score krijgen wanneer die van alle diepvriespizza’s de minst ongezonde variant is. Het blijft echter een diepvriespizza en daarmee dus wel degelijk ongezond. Dit is vooral verwarrend wanneer je daarnaast een stuk zalm ziet liggen met een C-score. De consument kan zo ten onrechte denken dat die diepvriespizza een gezondere keuze is dan dat stuk zalm.

Toch valt er wel wat te zeggen voor dat systeem. Door producten binnen hun categorie te beoordelen, stimuleer je fabrikanten naar een zo gezond mogelijke variant te streven. Als je producten alleen in het algemeen zou beoordelen, zou een diepvriespizza nooit een goede score kunnen krijgen en is er dus geen prikkel deze minder ongezond te maken. Terwijl we willen dat ook die fabrikanten streven naar een zo gezond mogelijke (of beter gezegd: zo min mogelijk ongezonde) variant. Alle kleine beetjes helpen, dus tevens daar moeten we verbetering stimuleren.  

De oplossing is daarmee vrij simpel: zorg voor een combinatie van de twee systemen. Geef ten eerste een algemene gezondheidsscore en ten tweede een gezondheidsscore die geldt binnen die specifieke productcategorie. We willen natuurlijk een wirwar van verschillende scores voorkomen, maar een combinatie van twee zou voor iedereen te overzien moeten zijn. Het zou helpen als daarbij ook een informatiecampagne gestart wordt waarbij consumenten duidelijk op de werking van het scoresysteem worden gewezen.

Een dergelijke voedselkeurmerk is vanuit liberaal perspectief natuurlijk alleen maar aan te moedigen. Het stelt individuen namelijk beter in staat bewuste keuzes te maken, zonder dat hier ingrijpen van bovenaf bij nodig is. Er wordt gezorgd voor meer transparantie en op die manier ook voor meer autonomie voor de consument. Deze kan zo immers beter een eigen overweging maken. Ook liberalen die bijvoorbeeld moeite hebben met het idee van een suikertaks zouden zich daarachter moeten scharen. Daarbij is het dus wel zaak dat er op het gebied van keurmerken betere regels komen zodat er geen sprake kan zijn van misleiding. Bovendien moeten keurmerken zowel volledig als makkelijk te begrijpen zijn.

Het vuurwerkverbod vanuit liberaal perspectief: voor en tegen
Column
Binnenland
01
Jan
2023
Jan 16, 2023
Hoe verhoudt het vuurwerkverbod zich tot de liberale beginselen? In deze column geeft Pieter van der Staak een pleidooi voor, en Leon Scholten een pleidooi tegen het vuurwerkverbod.

Een liberaal pleidooi voor een vuurwerkverbod

door Pieter van der Staak

De feestdagen zijn een mooi moment voor reflectie, ook voor ons als liberalen. En wat is nou actueler om op terug te kijken dan de liberale houding ten opzichte van een vuurwerkverbod? Nadat de jaarwisselingen tijdens corona zijn aangegrepen om een algeheel verbod in te stellen was de meest recente jaarwisseling in de bekende vrije vorm. Dit was voor verschillende burgemeesters een mooi moment om een kritische noot te plaatsen bij de manier waarop wij het nieuwe jaar inluiden. Want wat is er precies liberaal aan doelloos dingen opblazen, waarbij je potentieel mensen verwondt en bezittingen beschadigt?

Iedere jaarwisseling zijn de gevolgen van het afsteken van (illegaal) vuurwerk groot. Het Oogziekenhuis in Rotterdam sprak dit jaar van een horrornacht met als jongste slachtoffer een zevenjarige. VeiligheidNL meldt een totaal van 1253 slachtoffers, waarbij de behandelingen de belastingbetaler in totaal 3,9 miljoen euro hebben gekost. Het is niet duidelijk of de slachtoffers zelf het vuurwerk af hebben gestoken of omstanders waren, maar met een dusdanig grote groep is het realistisch dat er onschuldige omstanders tussen stonden. Die mensen zijn door vuurwerk nu blind, zijn ledematen kwijt, of hebben gehoorschade opgelopen.

Naast de fysieke schade die deze mensen geleden hebben, stellen verzekeraars dat er voor tien miljoen euro aan particuliere schade gemeld is. Medische kosten, claims van bedrijven en schade aan overheidseigendommen zijn hierin niet meegenomen, wat het bedrag dus nog vele malen hoger doet uitvallen. Wij normaliseren dat er ieder jaar zo’n gigantische schade aan het land wordt aangericht waar de gemeenschap lekker voor op mag draaien. Dat roept toch enige cynische gedachtes aan The Purge op, de film waarin in één nacht alle misdaden eenmalig door de vingers gezien worden. Tot slot is er nog de schade die wordt aangericht aan de omgeving en die niet wordt uitgedrukt in geld, denk hierbij aan de (huis)dieren en de vervuiling van de natuur.

Wanneer wij als liberalen de grens van de vrijheid willen bepalen wordt vaak John Stuart Mill aangehaald: mijn vrijheid houdt op, waar die van jou begint. Ik denk dat we het allemaal eens zijn dat de eerder genoemde gewonde mensen en de mensen wier eigendom wordt vernield allemaal stuk voor stuk in hun vrijheid zijn aangetast. Daarom moeten we de daad bij het woord voegen en de oorzaak aanpakken.

Een veelgehoord tegenargument is dat het zonde is om een mooie traditie te ontnemen van het volk. Dit raakt echter kant noch wal. De traditie van harde knallen met oud en nieuw om geesten te verjagen is allang niet meer de reden waarom mensen vuurwerk afsteken, sterker nog ik denk dat mensen niet eens weten dat dat de traditie is. Daarnaast kun je tradities best achter je laten op het moment dat je ze ongezond of onveilig vindt worden, roken in een restaurant was lange tijd ook heel normaal, maar dat doen we nu ook niet meer.

Een tweede argument dat vaak wordt aangehaald, is dat een verbod niet te handhaven valt: dat is volledig juist onder de huidige wetgeving en cultuur in het land. De regels omtrent kopen en afsteken zijn te wisselend over de tijd heen en tussen gemeenten. Zoals de politiebond ook aangaf, bemoeilijkt dit optreden. Eenduidig beleid zal daarentegen duidelijk zijn en ook ertoe leiden dat mensen weten waar ze zich aan moeten houden. Dit zal over de jaren heen zorgen voor een cultuurverschuiving waarin vuurwerk minder normaal wordt geacht, wat er weer toe leidt dat mensen de moeite niet meer gaan doen om illegaal vuurwerk te kopen. In het begin van het rookverbod in de horeca was het ook lastig handhaven en wennen voor mensen, maar tegenwoordig weten we niet beter. Tegelijkertijd kan de politie bij een algeheel vuurwerkverbod beter optreden en hebben zij ook meer mandaat wanneer ze dat doen, dit voorkomt dat de situatie verder escaleert.

Een derde argument dat je vaak hoort, is dat de huidige maatregelen waarbij verschillende typen vuurwerk verboden worden, zoals knalvuurwerk, de mensen drijven richting het zwaardere vuurwerk, en dat je daarom juist zou willen reguleren. Dit is echter niet de bewezen reden dat de afgelopen jaren het vuurwerk steeds zwaarder wordt. Je kan net zo goed de onrust in de maatschappij aanwijzen als de oorzaak van het feit dat mensen naar zwaarder vuurwerk grijpen, we weten simpelweg niet waarom het zo is. Daarnaast gaan hier ook de argumenten op dat deze cultuur over de jaren heen kan veranderen en dat juist bij een algeheel verbod de politie makkelijker kan ingrijpen, ook bij zwaar vuurwerk.

Een ander liberaal argument is dat mensen ervoor kiezen zich bloot te stellen aan de gevaren en de risico’s. Wintersport is bijvoorbeeld ook niet zonder risico’s, maar dat doen mensen ook nog steeds. Deze vergelijking gaat echter niet op, daar zijn de slachtoffers immers altijd zelf participant in de activiteit zelf, waar het bij vuurwerkslachtoffers ook om omstanders kan gaan. Daarnaast vind ik het een onrealistische en onwenselijke manier van verantwoordelijkheid van je afschuiven als je een slachtoffer van brandschade vertelt dat hij zijn auto maar in een parkeergarage had moeten zetten, want hij nam zelf vrijwillig deel aan een risicovolle situatie, namelijk: buiten parkeren.

Tot slot hoor je vaak dat het vuurwerk niet hetgeen is dat de schade aanricht, maar mensen die het onzorgvuldig afsteken. En dat je het probleem dus bij die rotte appels moet oplossen. Als we de Nederlandse jaarwisseling echter vergelijken met landen zonder vuurwerkcultuur, zoals Frankrijk of Groot-Brittannië, zien we dat daar aanzienlijk minder ongeregeldheden plaatsvonden, wat impliceert dat de ongeregeldheden toch echt verbonden zijn aan vuurwerk.

In deze reflectie van 2022 weeg ik de voorargumenten en tegenargumenten van vuurwerk af zoals zojuist besproken en kom ik tot de conclusie dat vuurwerk leuk is voor een avondje, maar de liberale aanpak toch zou zijn om een algeheel verbod in te stellen. Te veel omstanders worden fysiek of financieel geraakt. Tevens is het duidelijk dat een algeheel verbod juist een hoopvolle en haalbare situatie van handhaafbaarheid biedt en ook de vuurwerkcultuur zal doen veranderen. Op naar een knalvrij 2023/2024!

Pieter van der Staak (1999) volgt de master Financial Economics aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en is oud-Hoofdbestuurder bij de JOVD.

Een liberaal pleidooi voor tolerantie van vuurwerk

door Leon Scholten

Met de recente jaarwisseling is de discussie over een totaalverbod op vuurwerk weer opgelaaid. Ondanks de steeds luidere roep hierom vielen dit jaar ongeveer evenveel slachtoffers als voor de coronapandemie. Tevens waren er geen grote ongeregeldheden. Maar ook los van de recente jaarwisseling is een vuurwerkverbod mijns inziens weinig liberaal.

Er gold deze jaarwisseling een vuurwerkverbod in twaalf gemeenten, waarbij twee zich later zullen aansluiten. Nog eens tien gemeenten overwegen het. Dit valt in het niet bij het aantal van 223 ondervraagde gemeenten. De lokale verboden werden massaal genegeerd. Daarom pleitten de burgemeesters van twee grote steden voor een landelijk verbod. Hetzelfde gold voor twee politiebonden. Een bondsvoorzitter sprak grote woorden: hij twijfelde aan de geloofwaardigheid van de rechtsstaat als er in zo weinig plaatsen een verbod was. Teneinde een ‘eenduidig beleid’ te krijgen, moest het maar voor het hele land gelden.

Dit is de omgekeerde wereld. In onze democratie beslist onze nationale volksvertegenwoordiging over de wetten die in het hele land gelden. Vrijheidsbeperkende maatregelen – nog afgezien van de rechtvaardigheid vanuit liberaal perspectief – kunnen onmogelijk worden genomen omdat een klein aantal gemeenten tegen de landelijke politiek in gaat: Een meerderheid van de Tweede Kamer is tegen. Bij de discussie rondom een vuurwerkverbod is er een diepe kloof tussen de stad en de regio zichtbaar. Vooral in de grote steden vinden grote ongeregeldheden en geweld tegen de politie plaats. In de regio is veel minder aan de hand. In mijn eigen Kampen wordt zelfs meer toegestaan dan in de meeste gemeenten, bijvoorbeeld carbidschieten. Potentieel risicovol, maar er worden goede afspraken gemaakt tussen de gemeente en de jongerengroepen die dit leuk vinden. Overtreders worden gewoon aangepakt door de politie. Het is daarom ook geen toeval dat het vooral burgemeesters van grote steden zijn die voor een landelijk verbod pleiten. Maar hoe rechtvaardig is het dat liefhebbers op het platteland niet meer mogen afsteken omdat grote gemeenten de controle niet kunnen bewaren? Ook ligt het in de rede dat er juist in de regio problemen gaan ontstaan, omdat een verbod daar op nagenoeg geen draagvlak zal rekenen en daar altijd meer mocht.

Kleine kinderen denken vaak dat de politie de regels bepaalt, maar in werkelijkheid hebben zij die alleen te handhaven. Voor deze – vaak gevaarlijke - bezigheid verdienen agenten alle respect en middelen, en dient de politiek ook hun veiligheid na te streven. Maar is het aannemelijk dat een algemeen vuurwerkverbod geweld tegen de politie vermindert? Ook buiten oud en nieuw wordt tijdens ongeregeldheden vuurwerk naar de politie gegooid, terwijl het dan helemaal niet verkocht mag worden. Het is dan ook vooral illegaal vuurwerk dat hiervoor gebruikt wordt (hierbij doel ik op zwaar vuurwerk dat ook voor de coronapandemie illegaal was). Terwijl er wordt gediscussieerd over een geheel verbod, is gooien met vuurwerk nog niet eens een strafverzwarende omstandigheid bij mishandeling of openlijke geweldpleging. Pas vorige maand is een motie met deze strekking ingediend. Het paard wordt achter de wagen gespannen.

Ook bij een algemeen verbod zal er vuurwerk worden afgestoken. Het kan simpelweg uit België en Duitsland of per post geïmporteerd worden. Dit gebeurt immers al met illegaal vuurwerk. Het enige effect is vervaging van de grens tussen verantwoord, voor corona legaal, vuurwerk en gevaarlijke, reeds illegale, rotzooi. De wetgever hield deze juist scherp: te zwaar of anderzijds gevaarlijk vuurwerk werd doorlopend verboden, bijvoorbeeld babypijltjes en Romeinse kaarsen. Het verbod op al het knalvuurwerk dat tijdens de coronapandemie is ingevoerd had niet blijvend moeten zijn. Ik zie dit niet als nodige aanscherping, maar als een poging tot een aanloop naar een totaalverbod. Overigens was dit jaar aan geknal alsnog geen gebrek. De roep om een verbod is ook niet milder geworden nu alleen siervuurwerk nog mag. Het is daarnaast aannemelijk dat het bij misdrijven gebruikte vuurwerk illegaal is. Laten we eerst proberen het illegale vuurwerk terug te dringen: dit is nog volop verkrijgbaar. Gaan we wiet niet langer gedogen omdat cocaïnebendes te machtig zijn geworden (en deze zo een extra markt geven)?  

Het feit dat de meeste gepeilde mensen voor een verbod zijn, is geen argument op zich. Hierom een verbod invoeren is eerder een ‘tirannie van de meerderheid’ dan democratie. Op oudjaarsavond valt te merken dat sommige mensen er plezier aan hebben. Wie heeft het recht dat te verbieden vanwege eigen ergernis of afkeer? Juist vanuit het liberale gedachtegoed moet tolerantie worden betracht. Net als het draaien van muziek weliswaar gereguleerd wordt (decibels, tijdstip), maar niet geheel verboden is omdat omstanders of omwonenden er zich mogelijk aan kunnen ergeren. Tolerantie geldt per definitie niet voor iets waar een individu van houdt; zelf heb ik weinig met vuurwerk. Soms wordt angst bij huisdieren als argument genoemd voor een verbod. Iets over de helft van de honden en katten is bang voor vuurwerk. Er zijn 1,5 miljoen honden en 2,6 miljoen katten in Nederland. Ondertussen worden er in ons land 116,4 miljoen landbouwdieren gehouden. Deze bestaan enkel voor menselijke consumptie, met weinig aandacht voor hun welzijn. Hun (ongetwijfeld grotere) stress en angst zien weinigen. Met andere woorden, dit argument ziet niet op angst bij dieren maar ergernis bij hun baasjes. Eigenaren pleiten dan ook vaker voor een verbod dan dat ze een angstig huisdier hebben, en slechts zes procent vaker dan alle respondenten.

Het afsteken van vuurwerk brengt weliswaar risico’s met zich mee, maar hetzelfde geldt voor verkeersdeelname of bepaalde sporten. Wel kan een derde persoon gewond of eigendom beschadigd raken door verkeerd gedrag. Dit wordt al strafrechtelijk aangepakt. Waarom moeten verantwoordelijke vuurwerkliefhebbers hiervoor ook gestraft worden? Natuurlijk is dit een argument dat ook wordt gebruikt voor vrij wapenbezit in Amerika, maar het fundamentele verschil is dat een vuurwapen bedoeld is om te beschadigen. Vuurwerk is daarentegen een consumentenproduct. Volgens het schadebeginsel van de liberaal John Stuart Mill mag macht alleen gebruikt worden tegen iemands wil om schade bij anderen te voorkomen. Hieraan is bij legaal vuurwerk dus niet voldaan.

Leon Scholten (1997) is afgestudeerd historicus en liep stage bij de TeldersStichting.

Een groter parlement staat niet sterker
Column
Democratie & Rechtsstaat
06
Jun
2022
Jun 23, 2022
Patrick van Schie
De ChristenUnie zegt het parlement sterker te willen maken. Een van de door haar voorgestelde maatregelen is uitbreiding van de Tweede Kamer: van 150 naar 200 leden. Directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie schrijft dat dit het parlement niet per se sterker maakt.

De ChristenUnie zegt het parlement sterker te willen maken. Een van de door haar voorgestelde maatregelen is uitbreiding van de Tweede Kamer: van 150 naar 200 leden. PvdA, GroenLinks en Volt blijken meteen voor het plan van Segers c.s. gewonnen. Maar waarom een Kamer met meer leden sterker zou zijn wordt door geen van deze partijen duidelijk gemaakt. Waarschijnlijk is de gedachte dat met meer mensen de uitvoerende macht – de regering en de overheidsinstanties – beter is te controleren.

Dat klinkt best logisch. Maar is het ook zo? Staan grote parlementen sterker dan kleinere? Een klassiek geval is de Senaat in het oude Rome. Die telde op het hoogtepunt van zijn macht ten tijde van de Republiek 300 leden. In de 1e eeuw voor Christus werd hij fors uitgebreid, eerst door Sulla, daarna door Caesar. Sulla beweerde (eveneens) de positie van de Senaat te willen versterken, maar in werkelijkheid zou het orgaan aanzienlijk zwakker komen te staan. Caesar pretendeerde niet eens dat hij met de Senaat door deze te vergroten meer macht wilde toedelen. Het resultaat van de uiteindelijke verdrievoudiging was een forse afname van het gewicht dat de Senaat nog in de schaal kon leggen.

Nu was de Senaat van het oude Rome geen democratisch lichaam zoals wij dit kennen en speelde er naast de uitbreiding van het orgaan nog meer. Wel maakt het voorbeeld reeds duidelijk dat het groter maken van een parlement juist op een verzwakking kan uitdraaien.

En laten we de tegenwoordige parlementen in democratische landen dan eens in ogenschouw nemen. Italië en Frankrijk kennen Kamers van Afgevaardigden van 630 respectievelijk 577 leden. Fors meer dan onze Tweede Kamer. De parlementen van Italië en Frankrijk zijn echter structureel notoir zwak. Israël, toegegeven een land met iets meer dan de helft van de inwoners van Nederland, heeft een kleiner parlement dan wij: 120 leden. Toch is de Knesseth een relatief machtig lichaam. En wat te denken van de Verenigde Staten? Het land telt 19 keer zoveel inwoners als Nederland terwijl het machtigste onderdeel van het Congres – de Senaat – slechts 100 leden telt. De Amerikaanse Senaat, anders dan onze Eerste Kamer direct door de kiezers gekozen, is in diverse opzichten machtiger dan de Nederlandse Tweede Kamer.

Hiermee is niet gezegd dat een kleiner parlement automatisch sterker staat. Maar voordat tot uitbreiding van de Tweede Kamer wordt overgegaan is het zaak zich ervan te vergewissen dat het effect niet averechts zal zijn.

Uitbreiding van het aantal Kamerleden heeft nóg een nadeel. Nu al klinken tal van Kamerleden als zij aan het woord zijn meer als ambtenaren die zich in details verliezen dan als volksvertegenwoordigers die grote politieke lijnen aangeven. Meer Kamerleden betekent: kleinere portefeuilles. Het aantal generalisten, dat al niet overhoudt, zal door de organisatie van de fracties verder verminderen. En dat kleine Kamerfracties goede generalisten kunnen opleveren wordt in ons land al jaren door de SGP aangetoond, los van de vraag of hun specifieke levensbeschouwing wordt onderschreven. De Kamerleden van deze partij hebben in ieder geval geen moeite duidelijk te maken waar zij voor staan.

Een Kamer met kleur vergt eerder minder dan meer leden. Dat een niet al te grote Kamer zich moet kunnen laten bijstaan door meer ondersteunende medewerkers die enig tegenwicht kunnen bieden aan de enorme departementen is daarmee geenszins in strijd. Minder ambtenaren en ingehuurde bureaus bij de overheid en meer ondersteuning in het parlement; dat zal de verhoudingen inderdaad evenwichtiger maken.

Maar uitbreiding van het aantal Tweede Kamerleden dreigt het parlement te verzwakken. Begin er daarom niet aan. Een Tweede Kamer met 150 leden is meer dan genoeg.

Stop de politisering van de exacte wetenschappen
Column
Filosofie, Religie & Ethiek
06
Jun
2022
Jun 13, 2022
Wilbert Jan Derksen
Wetenschappelijk medewerker Wilbert Jan Derksen gaat in op de recente spanningen tussen de politiek en de wetenschap.

De verhouding tussen de wetenschap en de politiek is verslechterd in de afgelopen jaren. Dit bleek maar weer eens uit de brief die onlangs werd verstuurd uit naam van honderden wetenschappers richting Den Haag. Hierin namen zij het op voor directeur van het RIVM Jaap van Dissel, die een week eerder door FvD-Kamerlid Gideon van Meijeren als corrupt werd gekwalificeerd. Ook in andere landen zien we dat bepaalde politici de betrouwbaarheid van de wetenschap betwisten. Denk aan de VS, waar met name Donald Trump tijdens zijn presidentschap regelmatig de integriteit van de wetenschap in twijfel trok.

Maar wat wordt er nu eigenlijk precies bedoeld met wetenschap? De wetenschap bestaat immers uit verschillende disciplines die belangrijke onderlinge verschillen kennen. Grofweg kunnen we deze disciplines opdelen in twee groepen: exacte wetenschappen en menswetenschappen (in het Engels ook wel ‘hard sciences’ en ‘soft sciences’ genoemd). Disciplines als wiskunde, virologie, biologie, meteorologie en scheikunde kunnen onder de noemer exacte wetenschappen worden geschaard. Vakgebieden als economie, geschiedenis, sociologie, filosofie en psychologie zijn dan weer voorbeelden van menswetenschappen.

In de exacte wetenschappen wordt de natuurlijke wereld bestudeerd door middel van controleerbare (en daarmee reproduceerbare) experimenten. De uitkomst hiervan kan dan ook vaak wiskundig worden weergeven. In de menswetenschappen wordt eerder gekeken naar immateriële zaken als gedrag en cultuur, waarbij het lastiger is controleerbare experimenten op te zetten. Het is hier meestal onmogelijk om alle variabelen die de uitkomst kunnen beïnvloeden te beheersen. Mensen (en al helemaal groepen mensen) zijn immers erg complex en gedragen zich niet volgens dezelfde wetmatigheid als bijvoorbeeld de zwaartekracht.

Dat betekent dat het bewijzen van theorieën in de menswetenschappen veel lastiger is dan in de exacte wetenschappen. Ze zijn meestal immers niet falsificeerbaar doordat experimenten niet volledig kunnen worden gereproduceerd. Vaak is er dan ook gepaste terughoudendheid wat betreft de voorspellende waarde van deze theorieën en is er geregeld geen sprake van een algemene consensus over welke theorie de juiste is.  

Desalniettemin wordt soms beweerd dat ook in de menswetenschappen bepaalde natuurwetten te ontdekken zijn. Het ‘historicisme’ stelt dat de geschiedenis ijzeren wetmatigheden vertoont op basis waarvan duidelijke voorspellingen kunnen worden gemaakt. Zo stelde Karl Marx op deze wijze dat het onvermijdelijk was dat het kapitalisme uiteindelijk vervangen zou worden door het communisme. De liberale filosoof Karl Popper (1902-1994) ontkende dit door te wijzen op de onmogelijkheid om dergelijke theorieën te falsificeren. Maar vooral waarschuwde hij voor het gevaar van politici die deze gedachtegang toch ter harte namen en vaak als dictators over lijken gingen om de voorspellingen van deze theorieën uit te laten komen.

Tegenwoordig zien we echter het tegenovergestelde gebeuren. Waar voorheen het wetmatige karakter van de exacte wetenschappen onterecht werd toepast op de menswetenschappen, projecteren sommige politici tegenwoordig ten onrechte de onzekerheid en subjectiviteit die heerst binnen de menswetenschappen op de exacte wetenschappen. Denk aan politici die twijfel zaaien over de effectiviteit van het coronavaccin (tegen ziekenhuisopname) of over data omtrent de opwarming van de aarde. Maar ook bijvoorbeeld de politieke partij BIJ1 die het wiskundeonderwijs wil ‘dekoloniseren’.

Een dergelijk debat past wellicht in de context van bepaalde menswetenschappen, waar veelal geen duidelijke wetenschappelijke consensus heerst. Zo hebben we in het verleden gezien dat bepaalde politici de Keynesiaanse economische theorie aanhingen, terwijl anderen de monetaristische economische theorie voorstonden. Voor de exacte wetenschappen, indien er sprake is van een duidelijke wetenschappelijke consensus, geldt dit echter niet. Dat wil overigens niet zeggen dat er binnen de exacte wetenschappen altijd een dergelijke consensus heerst.          

Maar het zijn niet alleen politici die hieraan bijdragen. Ook vanuit de exacte wetenschappen zijn er onwenselijke ontwikkelingen op te merken. Zo zien we steeds vaker dat wetenschappers zich niet beperken tot onderzoek, maar ook oproepen tot of zelfs meedoen met bepaalde politieke acties. Onlangs gingen bijvoorbeeld tientallen klimaatwetenschappers onder de naam Scientist Rebellion de straat op om te protesteren tegen het klimaatbeleid. Daarnaast zagen we tijdens de coronacrisis regelmatig dat virologen zich uitspraken over het coronabeleid, terwijl dit toch duidelijk een politieke afweging was, waarin niet alleen medische, maar ook economische, sociale en andere factoren een rol speelden (aan de andere kant ging het kabinet hier ook politieke verantwoordelijkheid uit de weg door steeds te verwijzen naar het advies van het OMT). Ook zien we de woke-agenda nu steeds vaker terugkomen in de exacte wetenschappen. Zo wil het wetenschappelijk tijdschrift Nature wetenschappers verplichten voortaan gender en sekse in hun studies mee te nemen (of ze laten verantwoorden waarom ze dit niet hebben gedaan).

Door hun eigen vakgebied op deze manier te politiseren, zaaien wetenschappers twijfels onder de bevolking over hun onafhankelijkheid. Op die manier ontstaat het idee dat wetenschappelijk onderzoek slechts het product is van bepaalde achterliggende politieke doelstellingen. Van wetenschappers mag dan ook verwacht worden dat zij transparant zijn over hun onderzoeksmethodes en hier voldoende helder over zijn naar de samenleving toe.

Natuurlijk is de aanwezigheid van een wetenschappelijke consensus over een bepaald onderwerp op zichzelf ook niet heilig. Er zijn genoeg voorbeelden te noemen waar deze consensus er was, maar later wetenschappelijk onderzoek aantoonde dat het toch anders zat. Maar hier hebben we wetenschappers voor en niet politici. De politiek hoort zich niet met de wetenschap te bemoeien, net zoals de wetenschap zich niet over politieke kwesties hoort uit te spreken. Wetenschappers en politici dienen zich dan ook te beseffen dat ze op fundamenteel andere speelvelden opereren en dat bemoeienis over en weer uiteindelijk resulteert in een afname van het maatschappelijk vertrouwen in beide kanten.  

drs. Wilbert Jan Derksen is wetenschappelijk medewerker bij de TeldersStichting.

Voedsel geen persoonlijke keuze meer?
Column
04
Apr
2022
Apr 25, 2022
Patrick van Schie
Directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie gaat in op het rapport van het wetenschappelijk instituut voor het CDA, waarin een voorstel stond voor een minimumleeftijd voor fastfood.

Even dacht ik nog: dit moet een verlate 1 april-grap zijn. Het bericht de dinsdag na Pasen dat het wetenschappelijk instituut van het CDA jongeren wil verbieden om een frietje (of ander als ongezond gekwalificeerd voedsel) te kopen. Maar het blijkt een serieus voorstel uit het rapport Gezond leven. De zorg voor het lichaam als gemeenschappelijk goed.

De bedachte ondertitel heeft de wetenschappers van het CDA vast tevreden gestemd, zo stel ik mij voor. Kijk eens hoe mooi wij christen-democraten het weer ‘samen’ doen. Mij als liberaal lopen echter de rillingen over het lijf. Mijn lijf! Hoe collectivistisch kun je worden om de zorg voor het lichaam tot een ‘gemeenschappelijk goed’ te verklaren? ‘Over himself, over his own body and mind, the individual is sovereign’, schreef de liberale denker John Stuart Mill in 1859. Voor liberalen is dit een vanzelfsprekend uitgangspunt. Maar we zien hoezeer het oppassen geblazen is: voor het wetenschappelijk instituut van het CDA geldt dat dus niet.

Smaken verschillen. Wat iemand eet en drinkt is bij uitstek een kwestie van eigen keuze. Maar nee, zo stellen de CDA’ers, die benadering is ‘te individualistisch’. Personen die ongezond worden door hun levensstijl doen afbreuk aan ‘de eigenlijke bestemming van mensen’. Een ‘eigenlijke bestemming’ waarover de christen-democraten ongetwijfeld ‘hogere’ kennis bezitten, zo zullen zij althans claimen. Met behulp van de macht van de staat willen de CDA-onderzoekers zich zelfs met het eten en drinken van de burgers bemoeien.

Het verwijt dat dit betutteling is wordt in het rapport Gezond leven alvast verworpen door boudweg te beweren dat ‘het aanbod betuttelt’. De vrije markt wordt aangewezen als schuldige aan ongezondheid als gevolg van levensstijl. Die vrije markt zet mensen immers aan hun lusten te volgen in plaats van zelfbeheersing te tonen. Je zou zeggen: die vrije markt biedt een ruim aanbod: uiteenlopend van groenten en fruit tot en met inderdaad frites en pizza. Aan ieder de keuze. Maar nee, zo beweren de CDA’ers: mensen kunnen die keuze helemaal niet aan. Ze zijn ‘onwetend’ (!), ze raken in de stress van het ‘overaanbod’, en zij vallen ten prooi aan ‘consumentisme’ en aan ‘de onmacht van de prijs’.

Wat dit laatste betreft: je hoort vaker de bewering dat ongezond voedsel goedkoper zou zijn dan gezond voedsel en dat daar een verderfelijke verleiding naar het eerste van zou uitgaan. Maar het is een vreemd argument want (seizoens)groenten zijn zowat de goedkoopste voedingswaren die er te verkrijgen zijn. Wat mensen er ook toe brengt te kiezen voor friet en pizza, het kan niet zijn dat ze zich geen gezonder voedsel zouden kunnen veroorloven. Prei en broccoli zijn echt goedkoper dan pizza en roomijs.

Om het nuttigen van ongezonde voedingsmiddelen tegen te gaan denkt het wetenschappelijk instituut van het CDA aan het instellen van een minimumleeftijd om fastfood te mogen kopen. Bovendien wil het instituut het aanbod in fastfoodrestaurants reguleren, ‘ongezonde’ producten belasten en een ‘gratis gezonde lunch’ op basisscholen aanbieden. ‘There is no such thing as a free lunch’, wist Milton Friedman al; íemand moet de rekening betalen en dat zijn uiteraard wéér de belasting ophoestende burgers die net iets meer dan het minimum verdienen.

Nóg stuitender is echter de redenering die aan de overheid een macht verschaft zich met werkelijk alles wat die ‘onwetende’ burgers niet zelf zouden kunnen bepalen te bemoeien. Dit rapport gaat over het lichaam, zo wordt aan het begin opgemerkt. Gaat een volgend rapport van het wetenschappelijk instituut van het CDA soms aangeven welk geestelijk voedsel burgers nog tot zich mogen nemen? Het zou zeker aansluiten bij een oude traditie onder confessionelen om ‘zedeloze’ lectuur te verbieden, waarvan we mochten hopen dat ze die achter zich hadden gelaten.

Gelukkig nam de Tweede Kamerfractie van het CDA, net als die van de VVD, onmiddellijk afstand van het rapport van de met haar verwante wetenschappers. Kennelijk heeft men bij de CDA-fractie meer affiniteit met een andere confessionele traditie, namelijk die om de staat niet zomaar het gezin te laten binnendringen.

Nu erkennen liberalen dat kinderen nog niet altijd de juiste keuze kunnen maken noch hun ouders steevast voor hen. De leerplicht werd in 1901 bijvoorbeeld door liberalen ingevoerd, tegen het verzet van de confessionelen in, met als argument dat er bescherming nodig was tegen ouders die hun kinderen liever lieten werken dan in de schoolbanken te laten vertoeven. Een kind moet de kans krijgen zich te ontwikkelen en eigen keuzes te leren maken.

Als het om eten en drinken gaat, kan het leren maken van eigen keuzes prima met voorlichting over gezondheidsrisico’s van verschillende producten. Kinderen zouden dan tevens moeten leren dat een statistisch hogere kans op een bepaalde ziekte bij het veelvuldig nuttigen van een product, niet hetzelfde is als een ziekte die onvermijdelijk gepaard zou gaan met het af en toe nuttigen van dat product. En bovenal zouden ze moeten leren dat het aan henzelf is te bepalen waaraan zij de meeste waarde toekennen. Is dat het louter nuttigen van gezond geachte producten en je nooit eens aan iets lekkers mogen ‘bezondigen’? Of mag een mens in een vrij land zelf bepalen of hij een leuk leven genietend van lekker eten verkiest boven een lang leven kauwend op door christen-democraten bereide kostjes uit de staats-gaarkeuken?

Wat Europa wel en niet moet doen in verband met Oekraïne
Column
02
Feb
2022
Feb 28, 2022
Patrick van Schie
Wat Europa wel en niet moet doen in verband met Oekraïne volgens Patrick van Schie, historicus en directeur van de TeldersStichting

De Russische invasie in Oekraïne heeft heel Europa wakker geschud; laat, maar beter laat dan nooit. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie dachten de meeste West-Europese politici dat ons continent voortaan voor altijd vrede zou kennen. Er werd zeer fors op defensie bezuinigd, en wat over bleef werd vaak ingericht op vredesmissies veelal buiten Europa. Dat het met Rusland mis zou kunnen gaan, werd voornamelijk in Oost-Europa beseft (alsmede in Zweden) maar elders weggewuifd als Koude Oorlogsdenken.

De Russische annexatie van de Krim in 2014 en het militaire gestook in de oostelijke Oekraïne vanaf dat jaar, brachten al wel enig besef bij dat we op onze hoede moesten zijn, maar het merendeel van de Europese Navo-landen versterkte zijn defensie toch slechts mondjesmaat. Ook Nederland voldeed afgelopen jaren helaas niet aan de Navo-norm waarin wij hebben toegezegd ten minste 2% van het BBP aan defensie te zullen besteden.

Het regeerakkoord bevat eindelijk een forse investering in de zo lang verwaarloosde defensie maar deze zal ons nog altijd niet op de Navo-norm brengen. In Duitsland is de knop dit weekend om gegaan. Er komt een fonds van € 100 miljard aan investeringen in defensie en het land gaat zich voortaan eindelijk aan de Navo-norm houden. Het wordt hoog tijd dat Nederland nu hetzelfde gaat doen. De 2% van het BBP voor defensie is echt het minimum waaraan wij ons voortaan dienen te houden.

Intussen krijgt Oekraïne in zijn strijd tegen de Russische overweldiger volop steun uit de wereld. Dat is goed. De Navo- en EU-landen leveren echter zelf geen troepen. Ook dat is verstandig. De Navo is er niet toe verplicht. Oekraïne is immers geen Navo-lidstaat. Bovendien is het land vergeleken met Rusland ongetwijfeld democratischer maar verre van een stabiele liberale democratie. Oekraïne verdient veel steun maar ervoor ten strijde trekken zou te ver gaan.

Het gevaarlijke aan de situatie is dat Poetin zich niet langer door een weloverwogen politiek lijkt te laten leiden. Hij is getergd en bezeten van het idee dat Rusland hoe dan ook zijn oude omvang moet herkrijgen. Daarbij komt dat er in Rusland geen sprake meer lijkt te zijn van een collectief leiderschap, zoals dat er in de Sovjet-Unie sinds de dood van Stalin in 1953 althans nog wel was. Wie houdt Poetin in toom? De op TV vertoonde publieke optredens met zijn ministers en adviseurs laten zien dat de dictator geen enkele tegenspraak duldt. De mensen om hem heen tonen zich bange lakeien.

In die omstandigheden is het van belang in ieder geval aan onze zijde rationeel te blijven handelen. De Oekraïense president Zelensky laat een bewonderenswaardige combinatie van moed en koelbloedigheid zien. Hij heeft zich ook niet laten provoceren. De voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, heeft nu verklaard dat Oekraïne zozeer bij Europa hoort dat het EU-lid moet worden. Hier krijgen emoties de overhand. Het is een domme en gevaarlijke uitspraak.

Indien Oekraïne níet met een buitenlandse invasie te kampen zou hebben, was een EU-lidmaatschap voor het land al onverstandig geweest. Het land is geen volwaardige democratie, straatarm en door en door corrupt [zie ook: ‘Waar liberalen voor moeten opkomen: de liberale democratie’]. Het zou ook in die omstandigheden in de verste verte niet klaar zijn voor een EU-lidmaatschap, nog los van de vraag of de burgers in de huidige EU-lidstaten het land wel zouden willen toelaten. Von der Leyen sprak sowieso voor haar beurt.

Maar in de omstandigheden waarin Oekraïne nu, triest als het is, verkeert is het zaak geen olie op het vuur te gooien. Het in het vooruitzicht stellen van een EU-lidmaatschap trekt de EU nodeloos meer de oorlog in. Zou het denkbaar zijn dat de EU een lidstaat die met een invasie te kampen heeft niet militair te hulp schiet? Het is van daar maar een klein stapje naar het moeten leveren van troepen aan een land dat op de drempel van EU-lidmaatschap staat. De EU-lidstaten moeten dan ook snel duidelijk maken dat Oekraïne níet op die drempel staat. Verbondenheid voelen met de Oekraïners is iets anders dan het hoofd niet meer koel houden.

Nederland moet hoofd koel houden bij Franse woede over duikbotendeal
Column
09
Sep
2021
Sep 22, 2021
Patrick van Schie
Directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie over het AUKUS-pact van Australië, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk .

De Franse woede op Australië, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk over hun AUKUS-pact is ongewoon hevig. Ambassadeurs terugroepen uit bevriende landen, zoals de Fransen hebben gedaan uit Washington DC en Canberra, geldt als een zwaar middel in de diplomatie. De AUKUS-deal houdt in dat Australië 8 nucleair aangedreven onderzeeërs bouwt en dat de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk de daarvoor benodigde kennis met dit land delen. De deal komt in de plaats van een eerdere overeenkomst waarbij Australië conventionele onderzeeërs van Frankrijk zou afnemen.

Het is op zich begrijpelijk dat Frankrijk over het opzeggen van deze overeenkomst verbolgen is. Of en in hoeverre Australië hiermee ook contractbreuk pleegt, is een juridische kwestie. Er zou zware vertraging in de levering optreden en de kosten liepen sinds het sluiten van die overeenkomst enorm op; of dit onder de ontbindende voorwaarden valt moet maar in een juridische procedure worden beslist. Het is hoe dan ook een zaak tussen Frankrijk en Australië.

De Europese Unie meent echter van niet. Ursula von der Leyen, de voorzitter van de Europese Commissie, noemde AUKUS ‘onaanvaardbaar’ en eiste opheldering. De voorzitter van de commissie voor internationale handel in het Europees Parlement, Bernd Lange, ging verder en eiste excuses uit de Angelsaksische landen. De ministers van Buitenlandse Zaken van de EU hebben zich, soms schoorvoetend maar toch, achter de Fransen geschaard. Dat is onnodig en onverstandig. Nederland zou zich in ieder geval niet door de drieste Frans-Duitse tandem op sleeptouw moeten nemen.

Als gezegd: het opzeggen van de overeenkomst tussen Frankrijk en Australië is allereerst een juridische kwestie. Daarbij zijn de Nederlandse belangen niet in het geding. Anders ligt het met de bredere geopolitieke achtergrond van AUKUS. De drie Angelsaksischelanden maken een statement plus een concrete vuist tegen het agressieve optreden van communistisch China in Oost-Azië. Zoals de – door het Internationaal Gerechtshof in Den Haag verworpen – Chinese claim op de Zuid-Chinese Zee, een gebied waarop andere aangrenzende landen evenzeer aanspraak maken en waar wij alle belang hebben dat het een veilige, vrij bevaarbare zee blijft. Beijing gebruikt militaire middelen om zijn claim kracht bij te zetten. Tegen deze en andere Chinese machtsontplooiingen is tegenmacht nodig. De Verenigde Staten leveren die. Australische kernonderzeeërs die geruisloos kunnen opereren helpen daarbij. Frankrijk daarentegen wil met de Chinezen zoete broodjes blijven bakken en zou, ware dit anders, ook niet in staat zijn de benodigde tegenmacht te bieden.

Recent opinieonderzoek van de European Council on Foreign Relations toont aan dat Europeanen weliswaar in toenemende mate zien dat er een soort ‘Koude Oorlog’ met China aan het ontstaan is maar tevens in meerderheid menen dat dit hen niet aangaat. Dat is een ernstige misvatting die berust op bijziendheid. China ligt in kilometers wel ver van Europa maar koopt zich op strategische domeinen óók in Europa in, bespioneert ons massaal, steelt gevoelige en geheime informatie en voert nu reeds digitale aanvallen op ons uit.

Bovendien is het kortzichtig ons niet te bekommeren om het lot van Aziatische landen en Australië die zich door de agressieve Chinese politiek bedreigd voelen. Alleen al om de stabiliteit te waarborgen is het essentieel dat aan China tegenwicht wordt geboden. Niet minder belangrijk is het dat wij ons verbonden zouden moeten voelen met het lot van democratische landen in die regio, zoals Australië, Taiwan en Japan. In de Nederlandse politiek gaan de gevoelens van medeleven onder politici momenteel uit naar Afghanen, hoewel er in Afghanistan nooit een reële kans op de vestiging van een democratische rechtsstaat is geweest. Australië, Taiwan en Japan kennen al decennia of langer een goed functionerende democratische rechtsstaat. Wat eraan bijdraagt deze te verdedigen zou ons ter harte moeten gaan. Bovendien is het in ons eigen belang dat democratieën zich waar ook ter wereld veilig kunnen weten.

Westers toerisme in Noord-Korea is pervers
Column
Internationaal
08
Aug
2021
Aug 27, 2021
Wilbert Jan Derksen

Onlangs luisterde ik een podcast waarin de Noord-Koreaanse overloper en mensenrechtenactiviste Yeonmi Park te gast was. Zij ontvluchtte Noord-Korea in 2007 op 13-jarige leeftijd met haar moeder en vestigde zich in 2014 in de Verenigde Staten, waarna ze zich ontwikkelde tot een bekende criticus van het Noord-Koreaanse regime. Op basis van haar eigen ervaringen en van de meer recente getuigenissen van andere defectors schetst Park een beeld van het leven onder het Noord-Koreaanse regime. Dat het leven in dit land geen pretje is, zal algemeen bekend zijn. Maar pas wanneer je de details van de persoonlijke verhalen hoort, besef je dat zelfs het beruchte 1984 van George Orwell niet kan tippen aan het dystopische karakter van dit land.

Leven in Noord-Korea is leven met constante honger. Park werd geboren in de jaren 90 vlak nadat de Sovjet-Unie in elkaar stortte. Door het wegvallen van de Sovjetsteun kwam het land toen in een economische crisis terecht en volgde een hongersnood waar honderdduizenden, mogelijk zelfs miljoenen burgers verhongerden (exacte cijfers blijven onbekend). Zij beschrijft hoe ze in haar jeugd overal op straat uitgehongerde lijken zag liggen en hoe de kinderen de ratten die deze lijken aanvraten probeerden te vangen om aan voedsel te komen. Hongersnoden komen nog altijd regelmatig voor in Noord-Korea en onlangs waarschuwde leider Kim Jong-un voor een aanstaande hongersnood, mogelijk nog ernstiger dan die van de jaren 90.

 

Dat Noord-Koreanen weinig eten, betekent dat zij ook minder ontlasting hebben. Dit kan problemen opleveren om te voldoen aan de door de regering opgelegde ‘poep-quota’. Door het tekort aan kunstmest om de landbouwgrond mee te bevruchten, dwingt het regime burgers nu hun ontlasting af te staan, zodat boeren deze ter vervanging kunnen gebruiken. Om aan deze quota te voldoen zien sommige burgers zich zelfs genoodzaakt de ontlasting van anderen te stelen. Je wil gezien de consequenties namelijk absoluut niet ongehoorzaam zijn aan het regime.  

 

Dit is lastig, want om de meest bizarre redenen kan men al in overtreding zijn. Zo is ieder huishouden verplicht twee schilderijen op te hangen van de twee overleden oud-leiders van Noord-Korea; Kim Il-sung en Kim Jong-il. Het is absoluut verboden deze portretten stoffig te laten worden en hier wordt dan ook op willekeurige momenten door overheidsfunctionarissen op gecontroleerd. Mocht je huis afbranden, wordt van je verwacht dat het redden van deze schilderijen (dus niet bijvoorbeeld je kinderen) je eerste prioriteit is. Ook alleen al het dubbelvouwen van een krant met een afbeelding van de Grote Leiders kan je duur komen te staan. Je medeburgers hebben de plicht dergelijke subversieve handelingen gelijk aan te geven. Doen zij dat niet, zijn zij namelijk zelf de klos, evenals degenen die daarop hen niet hebben gerapporteerd. Burgers houdenelkaar zo continu in de gaten.

 

In het ergste geval wordt men naar een strafkamp gestuurd. Dissidenten worden niet alleen zelf, maar ook met hun families tot drie generaties toe opgesloten. Zo vertelt Park hoe er Noord-Koreanen in gevangenschap zijn geboren, alleen omdat hun opa bijvoorbeeld tijdens de Korea-oorlog (1950-1953) met een Amerikaan zou hebben gepraat. Opmerkelijk detail is dat zij zo minderwaardig worden geacht, dat hen de staatsideologie niet waardig wordt bevonden en zij dan ook vaak geen idee hebben wie de Grote Leiders zijn. In deze strafkampen vinden onder meer biologische experimenten op gevangenen plaats en bevinden zich naar verluid ook gaskamers. Een VN-onderzoek concludeerde in 2014 dat de mensenrechtenschendingen in deze kampen vergelijkbaar zijn met die van de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog. Auschwitz-praktijken die dus anno 2021 nog altijd plaats kunnen vinden in deze wereld. Daarbij leeft een op de tien (2.6miljoen) Noord-Koreanen in omstandigheden van moderne slavernij.

 

Noord-Korea is het meest gesloten land in de wereld. Recentelijk is het echter mogelijk geworden voor Westerse toeristen om dit land te bezoeken. Het gesloten en mystieke karakter van deze natie creëert een aantrekkingskracht waar bepaalde ‘avonturiers’ graag op af komen. Zo zijn er op internet vele reisverslagen te zien en te lezen van Westerse toeristen die het land bezocht hebben. Het boeken van een tour door dit land is echter vanuit moreel perspectief bezien geen goed idee.

 

Wie denkt een uniek kijkje achter de schermen te zien te krijgen in dit ‘heremietenkoninkrijk’, zal bedrogen uitkomen. Toeristen lopen een vaststaande route af door het land en zijn verplicht met een gids rond te reizen, waar ze te alle tijden in de buurt van moeten blijven. Deze strak geregisseerde rondrit laat een schijnbeeld zien van het leven in Noord-Korea, ver weg van alle ellende vandaan. Leegstaande gebouwen, verlaten autowegen en dichtgeplakte restaurants verraden het schouwspel dat wordt opgevoerd. Een ‘Truman show’ (in scène gezette farce) die totaal geen representatie is van het daadwerkelijke land. Het doet wederom denken aan de nazi’s die via propagandafilms een verbloemde voorstelling van het leven in de concentratiekampen aan de buitenwereld lieten zien.

 

Maar nog erger is dat deze toeristen zich laten gebruiken voor de propaganda van het regime. De regering heeft een narratief gecreëerd onder de bevolking dat zij ineen superieur land wonen, waar Westerlingen maar wat graag deel van uit zouden maken. Het zien van Westerse toeristen in hun land bevestigt dit idee. Toeristen zijn zelfs verplicht te buigen wanneer ze voor een standbeeld van een van de Grote Leiders staan. Dergelijke beelden worden vervolgens gebruikt door het regime om aan te tonen dat deze mensen speciaal gekomen zijn om hun respect te betuigen aan de leiders. Jezelf laten misleiden en zelfs laten inzetten voor propagandadoeleinden door zo’n misdadig regime, moet je simpelweg niet willen. Het is ramptoerisme en daarmee pervers en onethisch. Zijn er bovendien niet genoeg andere interessante plekken op de wereld om te bezoeken, waar de bevolking niet systematisch onderdrukt, tot slaaf gemaakt en uitgemoord wordt door hun eigen regering?      

 

drs. W.J. Derksen is wetenschappelijk medewerker bij de TeldersStichting.

Laat de Grondwet geen schild zijn voor religieus fundamentalisme
Column
Democratie & Rechtsstaat
04
Apr
2021
Apr 1, 2021
Wilbert Jan Derksen
Afgelopen zondag stond het nieuws in het teken van de incidenten in Urk en Krimpen aan den IJssel, waar verschillende journalisten geschopt en geslagen werden door agressieve kerkgangers. Tegen het dringende corona-advies van het kabinet in, waren deze geloofsbelijders onderweg naar een drukbezochte kerkdienst, waarbij ze absoluut niet gediend waren van de kritische vragen die de journalisten hen hierover wilden stellen. Diezelfde ochtend was auteur Lale Gül te gast bij het programma Buitenhof om te spreken over haar boek Ik ga leven, waarin zijhaar ervaringen over het leven in een streng islamitische omgeving heeft opgeschreven.

Afgelopen zondag stond het nieuws in het teken van de incidenten in Urk en Krimpen aan den IJssel, waar verschillende journalisten geschopt en geslagen werden door agressieve kerkgangers. Tegen het dringende corona-advies van het kabinet in, waren deze geloofsbelijders onderweg naar een drukbezochte kerkdienst, waarbij ze absoluut niet gediend waren van de kritische vragen die de journalisten hen hierover wilden stellen. Diezelfde ochtend was auteur Lale Gül te gast bij het programma Buitenhof om te spreken over haar boek Ik ga leven, waarin zij haar ervaringen over het leven in een streng islamitische omgeving heeft opgeschreven. Het boek had nogal wat stof doen opwaaien en Gül, een jongedame van 23 jaar oud, wordt sindsdien met de dood bedreigd door fanatieke moslims en verblijft momenteel op een geheime locatie. De consequenties voor haar en haarfamilie zijn zo ernstig, dat Gül besloten heeft niet langer islamkritische boeken te willen schrijven.  

 

Wat deze twee zaken met elkaar gemeen hebben is dat ze aantonen wat er gebeurt zodra er een kritisch licht wordt geworpen op religieus fundamentalistische gemeenschappen.In het geval van de kerkdienst van buitenaf door journalisten, en in het geval van Gül van binnenuit door een ‘afvallige’. Beiden vielen intimidatie en geweld ten deel. Zowel aan christelijke als islamitische kant kent Nederland zo parallelle samenlevingen die vooral met rust gelaten willen worden en het geloof‘ op hun eigen manier’ willen belijden. Deze orthodoxen willen daarbij geen pottenkijkers.

 

En nou is Nederland ook een behoorlijk goed land om zo’n religieus-fundamentalistische gemeenschap te vormen. Artikel 6 (godsdienstvrijheid) en artikel 23 (vrijheid van onderwijs) van de Grondwet maken het vrij gemakkelijk om een ‘religieuze vrijstaat’ die losstaat van de rest van de samenleving binnen het land te onderhouden. Sterker nog, de religieuze instanties blijken een uitzonderingspositie te hebben. In tegenstelling tot de rest van de samenleving mogen zij wél de coronaregels aan hun laars lappen (terwijl artikel 8 van de Grondwet, vrijheid van vereniging, dan weer geen schild blijkt te bieden voor het organiseren van non-religieuze bijeenkomsten). Ook op het gebied van burgerschap beroepen zij zich op deze uitzonderingspositie om hier een andere invulling aan te geven.      

 

Maar in hoeverre is deze uitzonderingspositie nog wel te verenigen is met onze moderne liberale democratie. Onder het mom van ‘vrijheid van godsdienst’ worden namelijk nogal eens wat ideeën verspreid die met vrijheid niks te maken hebben. Het totale gebrek aan transparantie hierbij zou toch eens aanleiding moeten geven tot het opheffen van de uitzonderingspositie. We maken toch ook geen uitzondering voor sektegroeperingen? Qua fanatisme, beslotenheid en verkettering van afvalligen zie ik hier weinig verschil mee  

 

Het is belangrijk te erkennen dat onze Grondwet in een bepaalde historische context geschreven is, waarbij aanpassingen mogelijk moeten zijn zodra de invulling van een artikel een andere uitwerking krijgt dan dat de bedenkers ooit voorzien hadden. Hetzelfde zien we bijvoorbeeld in de VS, waar Amerikanen zich blijven beroepen op het Tweede Amendement voor vrij wapenbezit, ondanks dat in een tijd van moderne (semi-)automatische vuurwapens dit tot talloze gewelddadige incidenten, waaronder schoolschietpartijen, heeft geleid. Op een soortgelijke wijze wordt onze heilig verklaarde Grondwet nu misbruikt door fanatieke religieuze groeperingen. Het dogmatisch willen vasthouden aan een tekst omdat het ooit nou eenmaal zou opgeschreven is klinkt mij dan ook eerder als een religieus dan een liberaal argument in de oren.    

 

Drs. Wilbert Jan Derksen is wetenschappelijk medewerker bij de TeldersStichting.

 

 

Coronacrisis onthult het gevaar van de almachtige staat
Column
Binnenland
02
Feb
2021
Feb 22, 2021
De coronacrisis onthult het gevaar van de almachtige staat, schrijft oud-stagiair van de TeldersStichting Bram Leferink op Reinink.

Coronacrisis onthult het gevaar van de almachtige staat

Heeft u zich al ingelezen voor de aankomende verkiezingen? Zo ja, dan is u waarschijnlijk iets bijzonders opgevallen. Partijen van links tot rechts pleiten voor een sterkere overheid die ingrijpt in de economie. Zelfs de VVD ziet anno 2021 in dat een steeds verder terugtrekkende overheid niet het juiste ‘recept’ is. De achterliggende gedachte is duidelijk: hoewel we jarenlang economische groei hebben ervaren, heeft de middenklasse daar maar bar weinig van gemerkt. De winst hoopt zich op in het penthouse van de directeur zonder dat er ook maar iets doorlekt naar het appartementje van de arbeider. Kortom, Vadertje Staat is hard nodig om de koek eerlijk te verdelen.

Ondanks die bittere noodzaak, moeten we tegelijkertijd beseffen dat er gevaren schuilen in een grotere rol voor Vadertje Staat. Een grotere overheid betekent namelijk ook een machtigere overheid. Alvorens de staat de buit eerlijk kan herverdelen, moet de buit eerst in collectieve handen terechtkomen. Verdere machtsconcentratie dus. Zolang Vadertje Staat rechtvaardig optreedt, is er weinig mis met een dergelijke staatsmacht, maar wat als hij plots verandert in een autoritaire oude heer?

In dat geval wordt meteen zonneklaar welk gevaar er schuilt in een almachtige overheid. Met een gigantisch staatsapparaat tot zijn beschikking kan de oudeheer naar believen zijn autoritaire wil uitvoeren. Hoe dat in de dagelijkse praktijk eruit kan zien, ondervinden we vandaag de dag aan den lijve. Tijdens de coronacrisis is voor ons allen duidelijk geworden dat Vadertje Staat niet altijd die verzorgende oude man is. Hij heeft de potentie om op autoritaire wijze over ons te heersen: geen biertje in de kroeg, geen feestjes en voor negen uur thuis.

Nu is de huidige vrijheidsbeperking van kracht omwille van een legitiem doel. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Kijk maar eens om u heen. In landen als Polen en Hongarije zijn politieke leiders aan de macht die de vrijheid van meningsuiting, godsdienst en pers bedreigen. En niets geeft ons de garantie dat dat in Nederland nooit zal gebeuren. Sterker nog, dergelijke politici staan komende verkiezingen op uw stembiljet. Baudet en Wilders steken hun ontzag voor de autoritaire Duda en Orbán namelijk bepaald niet onder stoelen of banken.

Er staat dus iets op het spel op 17 maart. U kunt de gedaante van onze overheid bepalen. En des te groter de staatsmacht wordt, des te belangrijker deze keuze is voor het behoud van onze vrijheden. Machtsmisbruik is een gevaar dat te allen tijde realiteit kan worden. Laat deze coronacrisis dus een wekroep zijn voor hen die in slaap waren gedommeld. Onze vrijheid is geen gegeven: zij moet met hand en tand worden verdedigd.

Onderteken het Nuclear Weapons Ban Treaty niet
Column
Internationaal
01
Jan
2021
Jan 22, 2021
Patrick van Schie
Drie jaar geleden spraken 122 landen zich in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties uit voor een wereld zonder kernwapens. De timing was destijds merkwaardig. Want een paar dagen eerder had Noord-Korea zijn eerste, naar eigen zeggen, intercontinentale raket afgevuurd die in staat zou zijn om een kernwapen op de Verenigde Staten (vooralsnog in ieder geval Alaska) af te vuren. Dachten die 122 landen soms dat hun oproep Kim Jong-un ertoe zou brengen af te zien van zijn streven kernwapens in handen te krijgen?

Drie jaar geleden spraken 122 landen zich in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties uit voor een wereld zonder kernwapens. De timing was destijds merkwaardig. Want een paar dagen eerder had Noord-Korea zijn eerste, naar eigen zeggen, intercontinentale raket afgevuurd die in staat zou zijn om een kernwapen op de Verenigde Staten (vooralsnog in ieder geval Alaska) af te vuren. Dachten die 122 landen soms dat hun oproep Kim Jong-un ertoe zou brengen af te zien van zijn streven kernwapens in handen te krijgen?

           Recent, op 22 januari 2021, ging het Nuclear Weapons Ban Treaty in. Het is door meer dan 80 staten ondertekend (al moet ratificatie in een flink deel ervan nog plaatsvinden). Nederland heeft wel, tegen de zin van de Verenigde Staten in, mee onderhandeld over dit verdrag maar heeft het verdrag niet ondertekend. Dit is tegen het zere been van linkse publicisten, die deze week in verschillende kranten erop aandringen het verdrag alsnog te ondertekenen. Zij betogen dat kernwapens een relict uit de Koude Oorlog zijn. Nú zouden wij zonder beter af zijn. Dit is echter een uiterst gevaarlijke illusie.

           Het streven van sommigen de wereld kernwapenvrij te maken is bijna net zo oud als het eerste kernwapen. Het is tevens net zo kansloos als het zo’n zeventig jaar geleden al was. Als een nieuwe technologie er eenmaal is, kun je de uitvinding niet meer ongedaan maken. Indien het al mogelijk zou zijn alle landen die nu kernwapens hebben tot vernietiging van hun arsenalen te bewegen, en dit sluitend te controleren, dan blijft altijd de mogelijkheid bestaan dat een land in het geniep nieuwe kernwapens gaat ontwikkelen. De kans dat dit ongemerkt, en ongeremd, gebeurt is veel groter in een dictatuur dan in een democratie. Kernwapenvrij zou er dus waarschijnlijk op neer komen dat de vrije wereld zich netjes aan deze afspraak gaat houden, terwijl onderdrukkende regimes met (potentieel) expansionistische plannen zich nucleair blijven bewapenen.

           Zodra wapens er eenmaal zijn blijven ze; tenzij nieuwe, technologisch geavanceerder wapens ze nutteloos maken. Het zwaard is als wapen nooit verdwenen door een afspraak er geen gebruik meer van te maken maar door de uitvinding van het buskruit. Als men van ver af een tegenstander kan doden, heb je weinig meer aan een wapen waarvoor je de vijand tot armlengte moet naderen.

           Nu was er al een verdrag tegen de ontwikkeling, het bezit en het gebruik van biologische wapens. Waarom, zo kun je afvragen, zouden wij dan een soortgelijk verdrag voor kernwapens niet kunnen ondertekenen? De Biologische Wapens Conventie is evenmin sluitend in de zin dat wij niet weten of ergens een kwaadaardig regime (of terroristen) een biologisch wapen ontwikkelt en aanhoudt. Maar er zitten twee grote remmen op de inzet van biologische wapens. De eerste is dat zij als een boemerang terug kunnen komen. De dodelijke virussen, bacteriën of schimmels kennen immers geen onderscheid tussen vriend of vijand, en kunnen zich razendsnel over de hele wereld verspreiden. De huidige corona-pandemie laat op pijnlijke wijze zien hoezeer een virus dat eenmaal ‘los’ is niet meer onder controle kan worden gehouden. Een agressor die een biologisch wapen inzet loopt dus gerede kans er zelf aan ten onder te gaan. De tweede rem is dat een regime dat biologische wapens inzet misschien wel nóg meer kans loopt een vergelding met kernwapens over zich af te roepen dan wanneer het als eerste naar de nucleaire optie had gegrepen.

           Dit brengt ons bij de aloude paradox uit de tijd van de Koude Oorlog. De inzet van kernwapens zou zonder twijfel verschrikkelijk zijn. Maar juist omdat dit zo is, hebben deze wapens een afschrikkende werking. Dat de Koude Oorlog nooit in een echte oorlog op het Europees continent is ontaard, heeft veel met de aanwezigheid van kernwapens te maken. De befaamde militair historicus Michael Howard zei dan ook in 1983: ‘The existence of nuclear weapons in the hands of the superpowers is, if properly managed, a factor making for quite unprecedented stability. Those who press for their total abolition need to ask themselves whether they really wish to return to the world of 1914 or 1939.’

           Een kernwapenvrije wereld is dus niet enkel onmogelijk maar tevens onwenselijk. Zonder de dreiging van een nucleaire vergelding zullen landen eerder tot oorlog over gaan. Een kernwapenvrije wereld zou een godsgeschenk zijn voor kwalijke regimes met boosaardige bedoelingen in de richting van hun omgeving, of dit regime nu in Noord-Korea, China, Turkije, Rusland of in enig ander land huist. Dat burgers in de vrijewereld de voortzetting van hun vreedzame leven in vrijheid deels aan het bestaan van kernwapens te danken hebben, is een relatief geringe prijs voor wie zich bewust is van het alternatief.

Economische ontwikkeling en democratie
Column
Democratie & Rechtsstaat
01
Jan
2021
Jan 2, 2021
Wilbert Jan Derksen
Toen Francis Fukuyama het ‘einde van de geschiedenis’ verkondigde leek het allemaal zo klaar als een klontje. Als eindresultaat van het proces van economische ontwikkeling zou de (liberale) democratie uiteindelijk overal ter wereld zegevieren. Bij de ontwikkeling van arme landen was het ontstaan van een democratie dus slechts een kwestie van tijd. Maar klopte deze vermeende samenhang tussen democratie en economische ontwikkeling wel?


De moderniseringstheorie stelt dat politiek een sociale progressie automatisch volgen na economische ontwikkeling. Hoe meer een land zich ontwikkelt, hoe meer economische vrijheid burgers krijgen, en hoe meer politieke en sociale rechten zij hierop zullen verwachten. Als logisch eindpunt van dit evolutionaire proces ontstaat uiteindelijk een goed functionerende democratie, waarin iedere burger medezeggenschap heeft over de publieke zaak ener eerlijke verkiezingen plaatsvinden. Het is een theorie die overeenstemt met de geschiedenis van veel Westerse landen, maar tekortschiet wanneer wij kijken naar andere meer recente voorbeelden.

 

Toen de slapende reus China eindelijk ontwaakteen zich in rap tempo economisch begon te ontwikkelen vanaf eind jaren 70dachten velen dat dit succes zou resulteren in het openbreken van het autoritaire stelsel in het land. Anno 2020 heeft de Communistische Partijechter nog even strak de touwtjes in handen als in de tijd van Mao en zijn vrijeverkiezingen uitgesloten. Het land propageert zijn alternatieve ontwikkelingsmodel zelfs bij andere autoritaire bestuurders wereldwijd. Maar ook een land als Saoedi-Arabië heeft zichzelf met behulp van zijn natuurlijke hulpbronnen economisch ontwikkeld, zonder dat het autoritaire systeem plaats heeft moeten maken voor een democratisch bestel. Economische ontwikkeling blijkt dus geen garantie te zijn voor democratisering. Maar hoe zit het dan vice versa; zorgt democratie dan misschien voor economische ontwikkeling?  

 

In 2003 viel een coalitieleger onder leiding van de Verenigde Staten Irak binnen om een einde te brengen aan de dictatuur van Saddam Hoessein. Vervolgens werd gepoogd om in het land een democratie te introduceren. Daar waar Hoessein de sektarische spanningen in het land wist te onderdrukken kon de prille democratie deze onderlinge animositeit niet beteugelen en verviel het land in een burgeroorlog. Als het doel van de democratie was om politieke stabiliteit te garanderen, dan was dit duidelijk gefaald in Irak. Toch staat de democratie daar nog altijd overeind, wat gezien de omstandigheden zeker bewonderenswaardig te noemen is. Het heeft echter niet geresulteerd in stabiliteit en duurzame economische ontwikkeling bleef uit in het land.    

 

In beide richtingen lijkt het verbandtussen economische ontwikkeling en democratie dus vrij discutabel. Wellicht zijner andere factoren die relevanter zijn voor de bevordering van democratie, zoals onderwijs en persvrijheid. Een goedopgeleide en -geïnformeerde bevolking bestaat uit kritische burgers die politiek betrokken zijn. Burgers zijn dan beter gewapend tegen de retoriek van demagogen die erop uit zijn de democratie te weren en instituties omver te werpen. Chinese en Saoedische burgers kennen misschien meer economische welvaart dan vroeger, maar worden nog even sterk geïndoctrineerd als daarvoor. Ontwikkeling gaat niet alleen om economische vrijheid, maar ook om sociale en politieke vrijheden. Goed onderwijs en persvrijheid vormen daarmee de echte voedingsbodems voor de democratie. Dit is belangrijk in ons achterhoofd te houden. Niet alleen bij het stimuleren van democratie in ontwikkelingslanden, maar ook bij het behouden van de democratie in landen zoals de onze, waar deze als vanzelfsprekend wordt gezien.

Stemmen per post is een riskant experiment
Column
Democratie & Rechtsstaat
12
Dec
2020
Dec 1, 2020
Patrick van Schie
Stemmen per post is een riskant experiment, schrijft directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie. Op voorstel van minister Ollongren krijgt iedereen met een leeftijd van 70 jaar of ouder de kans in maart zijn of haar stem voor de Tweede Kamerverkiezingen per post uit te brengen. Belangrijke grondrechten komen in maart onder druk.

In de Verenigde Staten heeft het uitbrengen van een stem voor de presidentsverkiezingen een enorme vlucht genomen. Ongeveer de helft van alle uitgebrachte stemmen is ditmaal per post gegaan. Deze vorm van stemmen is daarmee in de Verenigde Staten van een aanvullende uitzondering tot welhaast de norm geworden.

Dat Trump degene is die hiertegen bezwaren maakt brengt de meeste van zijn tegenstanders – in Europa gaat het dan algauw om 80% of meer van alle mensen – ertoe deze bezwaren weg te wuiven. Ongetwijfeld hebben Trump’s bezwaren een politieke kleuring; het zijn immers vooral Democratisch gezinde kiezers die per post hebben gestemd. Wat meteen ook verklaart waarom er aan Democratische zijde zoveel enthousiasme over briefstemmen heerst; dat is evenzeer politiek gekleurd.

Ongeacht het voor- of nadeel dat een bepaalde partij ervan kan hebben, zitten er wel haken en ogen aan stemmen per post. Dat betreft niet alleen de vraag tot wanneer ingekomen stembrieven nog moeten worden meegeteld; hoe lang het dus heeft geduurd tot we de uitslag kenden (afgezien van de juridische procedures die nog gaan komen). Dat is een praktisch probleem, dat in de VS rommelig (en per staat) geregeld is. Het probleem met briefstemmen steekt dieper. En dat is ook voor ons hoogst relevant nu minister van Binnenlandse Zaken Ollongren de deur in Nederland wijd open heeft gezet voor dezelfde methode.

Op voorstel van Ollongren krijgt iedereen met een leeftijd van 70 jaar of ouder de kans in maart zijn of haar stem voor de Tweede Kamerverkiezingen per post uit te brengen. Dit onder verwijzing naar het coronavirus, waardoor oudere (kwetsbaardere) kiezers zich wellicht onveilig voelen in het stemlokaal. Een reële bron van zorg, nu het er niet naar uitziet dat we half maart al van het virus verlost zullen zijn in díe zin dat er dan reeds een goed werkend vaccin breed beschikbaar is of dat er dan een behandeling zal zijn die besmetting met corona veel minder gevaarlijk maakt.

Daar voor de komende Tweede Kamerverkiezingen rekening mee houden is goed maar stemmen per post is een methode die ernstige nadelen in zich bergt. Indien het stembiljet thuis wordt ingevuld is er namelijk geen enkele garantie dat de kiezer dit kan doen zonder dat er iemand meekijkt, en/of druk op die kiezer uitoefent. Normaal wordt dat gegarandeerd doordat de kiezer in zijn eentje het stemhokje in gaat en daar het stembiljet invult. Ongeacht de druk die tot aan het stemlokaal op hem of haar is uitgeoefend, de kiezer kan in het stemhokje elk hokje van eigen voorkeur rood maken in de wetenschap dat niemand kan weten welk vakje hij of zij rood heeft gekleurd.

Dit stemgeheim is niet niets. Het ligt vast in art. 53 lid 2 van onze Grondwet. Het is er eind 19e eeuw ingebracht – tot die tijd vulden kiezers ook in ons land hun stembriefje thuis in – juist om te voorkomen dat een kiezer in plaats van zijn eigen voorkeur wordt gedwongen die van zijn werkgever of die van de pastoor of de dominee te volgen. We kunnen daaraan voor de huidige tijd toevoegen: dat de kiezer de instructie van een imam, de echtgenoot of van zorgverleners volgt in plaats van de eigen politieke voorkeur. Dat elke kiezer zijn eigen voorkeur kan volgen is zó belangrijk, dat praktische bezwaren het stemgeheim niet terzijde mogen schuiven. En evenmin valt in te zien hoe de voorgestelde regeling zich verdraagt met het in onze Grondwet verankerde stemgeheim.

Het probleem is zelfs nog ernstiger omdat er bij briefstemmen ook geen garantie is dat de kiezer zijn of haar eigen stembiljet zelf invult. Hoe valt te voorkomen dat anderen (geestelijke leiders, bepaalde politieke partijen, vakbondsfunctionarissen, zorgverleners, etc.) kiezers wel even zullen ‘helpen’ bij het invullen van het stembiljet, door het gewenste vakje alvast rood te kleuren? Dit is bij thuis stemmen niet te voorkomen. Hierdoor wordt het one (wo)man one vote- principe eveneens geweld aangedaan. Sommige kiezers dreigen de facto hun (eigen) stem kwijt te raken. Anderen krijgen de gelegenheid stemmen te verzamelen.

Alleen al uit principieel oogpunt is dit hoogst bezwaarlijk. Het gaat bovendien niet om een marginale kwestie. Volgens Ollongren betreft het in maart 2,4 miljoen kiezers. Dat is rond 18,5% van alle kiesgerechtigden; en omdat ouderen ruimer opkomen dan jongeren is dit algauw potentieel 1 op elke 5 uitgebrachte stemmen. Onze verkiezingen zijn te belangrijk om het stemgeheim en de garantie dat elke kiezer zélf stemt op de helling te zetten. Dat Trump de bezwaren tegen poststemmen heeft verwoord, mag ook al diegenen die van zijn persoon gruwen niet blind maken voor de reële gevaren die ermee gepaard gaan.

Maar hoe moet het dan wel voor kiezers die de drukte in het stemlokaal vrezen? Zorg voor stewards (m/v) die nauwgezet voldoende afstand in de wachtrijen bewaken. Vorm voor ouderen eventueel een afzonderlijke rij, en richt aparte stemhokjes in. En zet in de buitenlucht tenten op met aldus vanzelf goed geventileerde stemhokjes. Wees dus creatief maar zorg er vooral voor dat iedere kiezer goed van vreemde ogen afgeschermd de eigen voorkeur kenbaar kan maken en dat we gevrijwaard blijven van stemmenronselarij.

Kansengelijkheid niet gebaat bij naïviteit GroenLinks
Column
Geschiedenis
10
Oct
2020
Oct 15, 2020
Fleur de Beaufort
Paradoxaal genoeg zal het voorstel uit het verkiezingsprogramma van GroenLinks alle achttienjarigen in Nederland van een startkapitaal van 10.000 euro te voorzien uiteindelijk alleen maar tot meer ongelijkheid leiden, aldus betoogt Fleur de Beaufort.

In aanloop naar de Kamerverkiezingen presenteerde Jesse Klaver alvast de plannen waarmee GroenLinks de kiezersgunst hoopt te winnen. Ongetwijfeld is de 10.000 euro die de partij als startkapitaal aan alle 18-jarigen in ons land belooft het meest besproken idee uit het programma. Het kwam Klaver op de bijnaam ‘Sinterklaver’ te staan en Geert Wilders meende dat GroenLinks zich schuldig maakte aan het kopen van stemmen.

Met het voorstel beoogt GroenLinks de naar eigen zeggen groeiende kansenongelijkheid in ons land aan te pakken. Ook liberalen hebben kansengelijkheid hoog in het vaandel. Daarbij is voor liberalen duidelijk dat het leven uiteindelijk ongelijke uitkomsten genereert, maar dat iedereen aan de start een zo gelijk mogelijke kans moet krijgen z’n eigen talenten te ontdekken en ontwikkelen. Cruciaal is voor liberalen de erkenning dat bij de individuele ontplooiing onherroepelijk ook de eigen verantwoordelijkheid een rol speelt.

Een startkapitaal van 10.000 euro zonder verdere voorwaarden klinkt natuurlijk sympathiek, maar lost het ook iets op? Paradoxaal genoeg zal het plan van GroenLinks de kansenongelijkheid alleen maar verder vergroten. Sterker nog het plan zal juist bij jongeren die wel wat extra steun kunnen gebruiken bij hun ontplooiing, uiteindelijk desastreuze gevolgen kunnen hebben. Het belangrijkste probleem is dat linkse politici doorgaans denken dat er voor vrijwel alle problemen een financiële oplossing is. Gelijkheid gaat dan hoofdzakelijk om meer financiële gelijkheid en herverdeling van de middelen is al gauw het enige devies.

Juist bij kansengelijkheid is geld echter niet het enige probleem. Studies hebben bij herhaling aangetoond dat het nog steeds een wezenlijk verschil maakt waar je wieg heeft gestaan. Natuurlijk speelt geld daarbij ook een rol, maar het is lang niet altijd de doorslaggevende factor. De mate waarin ouders hun kinderen kunnen helpen en stimuleren om hun eigen talenten te ontdekken en kunnen steunen in het maken van verantwoorde keuzes is cruciaal. Bovendien speelt in de hele verdere ontwikkeling van jongvolwassenen de bagage een rol die van huis uit is meegekregen. Al decennia is duidelijk dat de grootste uitdaging bij het realiseren van kansengelijkheid is gelegen in het doorbreken van de vicieuze cirkel waarin achterstand en armoede van generatie op generatie wordt overgedragen.

Wrang genoeg zal juist bij jongeren die aangewezen zijn op externe steun bij hun ontplooiing een bedrag van 10.000 euro veelal meer kwaad dan goed doen. Een deel van de jongeren zal – daartoe al dan niet aangemoedigd door ouders – zonder meer verstandige keuzes maken met het geld. Het opzij zetten voor een opleiding of als startkapitaal voor een eigen onderneming inzetten. Een ander deel zal het verbrassen aan drank of drugs, er een coole auto voor kopen of een mooie reis maken. Als de 10.000 euro is uitgegeven heeft deze groep evenveel (of weinig) kansen als voor de ontvangst van het startkapitaal. De voorsprong van de groep die er wel wat verstandigs mee heeft gedaan, of die het is zich kon veroorloven het te verbrassen omdat hun omgeving alsnog voor ontplooiingskansen zorgt, is dan alleen maar groter geworden. Ten aanzien van de groep zonder kansen zal bovendien maatschappelijk gezien zelfs een soort van 'eigen schuld'-houding kunnen ontstaan. Had het startkapitaal maar beter moeten worden gebruikt.

Los van deze groeiende kansenongelijkheid heeft GroenLinks duidelijk niet nagedacht over de ontwrichtende werking van een bedrag van 10.000 euro voor een achttienjarige in een gezin wat met (forse) schulden te kampen heeft. Het simpele betoog van Klaver dat hij er wel vertrouwen in heeft dat jongeren de goede keuzes zullen maken getuigt van weinig invoelingsvermogen met de zeer diverse situaties waarin jongeren ook in ons land nog steeds opgroeien. Niet alle jongeren zijn in staat zich aan hun situatie te ontworstelen, zelfs als ze dat heel graag zouden willen. Bied hen via school, (sport)verenigingen of een maatjesproject dat extra steuntje in de rug dat ze thuis moeten ontberen bij het ontwikkelen van hun talenten en het grijpen van kansen in het leven, maar breng ze niet onnodig in verlegenheid (niet in de laatste plaats ten opzichte van hun eigen ouders) met 10.000 euro.

Het heeft er alles van weg dat de fractievoorzitter van GroenLinks toch spijt heeft van het afschaffen van de basisbeurs die tot vijf jaar geleden voor alle jongeren beschikbaar was om een opleiding mede te financieren. Natuurlijk ligt het voor Klaver, die destijds als onderwijswoordvoerder voor zijn partij steun heeft gegeven aan de afschaffing van deze basisbeurs, lastig om daarop terug te komen, maar als het hem oprecht te doen is om meer  kansengelijkheid zou het een forse stap in de goede richting zijn.

Drs. F.D. de Beaufort is wetenschappelijk medewerker bij de prof.mr. B.M. TeldersStichting.

Geen vrijheid zonder risico
Column
Democratie & Rechtsstaat
05
May
2020
May 18, 2020
Maartje Schulz past het schadebeginsel van John Stuart Mill toe op de coronacrisis. Het schadebeginsel houdt volgens haar niet in dat elk risico moet worden uitgebannen in de samenleving. Als je dat zou willen als overheid, kan er geen individuele vrijheid meer bestaan.

'De vrijheid van de één mag niet ten koste gaan van de gezondheid van een ander,´ zei minister-president Mark Rutte op de persconferentie van 21 april. De premier, die in diezelfde persconferentie aangaf dat het niet zoveel zin had al te ´filosofisch te doen´ over een virus dat simpelweg van de een naar de ander kan overspringen, leek met deze uitspraak toch even de liberale filosoof John Stuart Mill aan te halen.

Schadebeginsel van John Stuart Mill

Ruttes uitspraak is een variant op het schadebeginsel van Mill. Het schadebeginsel komt erop neer dat de vrijheid van de één enkel kan worden ingeperkt wanneer diens vrijheid schade toebrengt aan een ander. ‘‘The only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilized community, against his will, is to prevent harm to others’’, schreef Mill in zijn beroemde werk On Liberty.

In zekere zin gaat dit liberale argument voor de inperking van vrijheid op in de situatie van de coronacrisis. De bewegingsvrijheid van de één kan namelijk schade toebrengen aan een ander. Het nieuwe virus, waar nog geen goede behandeloptie of vaccin voor is, verspreidt zich via mensen die in elkaars nabijheid zijn, en het virus kan sommige mensen behoorlijk ziek maken. Voor een klein deel van de mensen heeft een corona-infectie een dodelijke afloop. Er is dus een reëel risico dat een volledige uitoefening van de bewegingsvrijheid serieuze gezondheidsschade aanricht aan anderen.

Maar daar houdt de analyse niet op. Want ten eerste kun je niet stellen dat iedereen een direct gezondheidsgevaar voor de ander vormt. Alleen de mensen die het virus bij zich dragen, vormen in die periode immers een direct risico voor een ander. Bovendien ondervinden verreweg de meeste mensen, zoals het nu lijkt, geen ernstige gezondheidsschade van een besmetting. Het gros heeft milde klachten.

Wat dat betreft moet de gezondheid van sommigen, ook weer niet leiden tot onvrijheid van iedereen. Als de vrijheid je lief is, perk je deze niet meer in dan noodzakelijk is. Daarom is het voor liberalen van belang om over vragen na te denken als: hoe proportioneel is het om allerlei vrijheden in te perken als slechts een klein deel echt kwetsbaar is voor het virus? Is het mogelijk om kwetsbare mensen die zich willen beschermen, goed te ondersteunen? Kunnen we uiteindelijk naar een situatie toe waar alleen mensen die positief worden getest op het coronavirus – en daarmee een bewezen risico vormen voor anderen – tijdelijk in hun vrijheid worden beperkt? Hoe zit het met de eigen verantwoordelijkheid van mensen in het maken van risicoafwegingen?

Het is niet aan de overheid alle risico's uit te bannen

Lastige vragen, waarbij ik niet op elke vraag een precies antwoord heb. Maar om op die laatste vraag een antwoord te geven: wat mij betreft is het verstandig dat er in het belang van de veiligheid maatregelen worden getroffen, maar is het niet aan de overheid om alle risico’s uit te bannen. Mensen zijn ook best in staat om zelf afwegingen te maken over vrijheid en gezondheidsrisico’s. Iemand die nauwelijks risico wil lopen, kan ervoor kiezen om niet naar het café te gaan, even geen bezoek te ontvangen en kan de boodschappen thuis laten bezorgen. Aan de andere kant zijn er mensen die bereid zijn, bijvoorbeeld omwille van levensgeluk, wat meer risico te nemen. Er moet niet worden vergeten dat het nemen van risico ook tot iemands persoonlijke vrijheid behoort, zolang het mogelijk is daarbij een ander niet ongewenst te schaden.

Daarbij hoort het besef dat er geen vrijheid kan bestaan als alle gezondheidsrisico´s die mensen voor elkaar vormen moeten worden uitgebannen. Anders kun je het wegverkeer ook wel meteen aan banden leggen (20.800 ernstig gewonden; 608 doden in 2017 volgens het CBS). Redeneringen in de trant van ‘elk verloren leven is er één te veel en we moeten er alles voor over hebben om een dode te voorkomen’ klinken sympathiek, maar zijn onwaar. Niemand zal ervoor pleiten een dictatuur te installeren als dat zou leiden tot één minder coronadode. Aan de andere kant is ongelimiteerde vrijheid ongewenst als dat massale sterfte tot gevolg heeft. Het gaat dus om verhoudingen. Wat mij betreft gaat het er vooral om onacceptabele risico’s uit te bannen. Het isoleren van besmette mensen en het helpen beschermen van kwetsbare mensen die beschermd willen worden, vormen daarin de spil.

Want zonder leven geen vrijheid, maar zonder vrijheid ook geen leven. En geen vrijheid zonder risico.

Wanneer onnodig kwetsen nodig blijkt
Column
Filosofie, Religie & Ethiek
11
Nov
2020
Nov 17, 2020
Wilbert Jan Derksen
Onlangs werd er een petitie gestart die oproept tot het verbieden van het beledigen van de Islamitische profeet. Deze is nu al zo’n 120.000 keer ondertekend. Het argument dat hiervoor vaak wordt aangedragen luidt dan: “Ja ik ben vóór de vrijheid van meningsuiting, maar dat betekent niet dat je daarom mensen onnodig mag kwetsen”. Deze gedachtegang is problematisch, schrijft Wilbert Jan Derksen.

Na de aanslagen in Frankrijk liepen ook in Nederland al snel de gemoederen hoog op. In Rotterdam zag een leraar zich genoodzaakt onder te duiken na bedreigingen vanwege een cartoon die in zijn klaslokaal hing. In het land ontstond er een discussie over hoe ver de vrijheid van meningsuiting mag gaan ten aanzien van religie. Onlangs werd er een petitie gestart die oproept tot het verbieden van het beledigen van de Islamitische profeet. Deze is nu al zo’n 120.000 keer ondertekend.

De bedenkelijke timing van deze petitie daargelaten, is het dus een feit dat een aanzienlijke groep mensen vindt dat de vrijheid van meningsuiting op dit punt ingeperkt dient te worden. Het argument dat hiervoor vaak wordt aangedragen luidt dan: “Ja ik ben vóór de vrijheid van meningsuiting, maar dat betekent niet dat je daarom mensen onnodig mag kwetsen”. Deze zin is problematisch. Niet alleen door het woord ‘kwetsen’, wat een inherent subjectief begrip is (in theorie kan elke mening kwetsend zijn), maar vooral ook door het woord ‘onnodig’.

Ook ik ben geen voorstander van onnodig kwetsen, maar laat helder zijn wat ik daar precies onder versta. Wanneer het kwetsen van iemand een doel op zich is, pas dan is er sprake van onnodig kwetsen. “Hey jij daar met je lelijke hoofd”, “Wat ben jij dom zeg”, “Arme sloeber die je bent” zijn voorbeelden van opmerkingen die geen enkel doel dienen, behalve het beledigen van de persoon in kwestie. Dan is er gewoon sprake van pestgedrag richting een specifiek individu, wat moreel gezien niet goed te praten is (verboden is het overigens niet).

Maar in bepaalde gevallen is het kwetsen van iemand helemaal geen doel op zich. “Ik denk dat je echt wat moet gaan doen aan je overgewicht” kan voor de persoon in kwestie zeer kwetsend zijn om te horen, maar bedoeld zijn om deze persoon geen onnodige gezondheidsrisico’s te laten lopen. Iedereen heeft weleens een opmerking naar z’n hoofd geslingerd gekregen waarbij we op het moment zelf ons gekwetst voelden, maar achteraf inzagen dat het ergens misschien wel nodig of goed voor was.

Ook bij spotprenten is het kwetsen van mensen geen doel op zich (en bovendien niet gericht op een specifiek persoon). De achterliggende bedoeling is namelijk om maatschappijkritiek te leveren en de autoriteit van machtige instituties aan de kaak te stellen. Naast de politiek is religie nog altijd een zeer machtige factor in onze samenleving. In een liberale democratie is het noodzakelijk tegenwicht aan zulke krachten te bieden, om te voorkomen dat dergelijke instituties te machtig worden en totalitaire vormen aan gaan nemen. Er is dus sprake van een maatschappelijk belang.

Maar ook voor de gekwetste groep zelf kan het van belang zijn. In Nederland leven we in een open samenleving, waar burgers een sterk incasseringsvermogen nodig hebben. Burgers worden namelijk voortdurend blootgesteld aan anderen die hun vrijheden benutten op manieren die ze zelf niet aanstaan. Toch wordt van men verwacht tolerantie jegens elkaar op te kunnen brengen. Dit incasseringsvermogen kan gezien worden als een soort spier. Wanneer deze spier onder druk wordt gezet doet dat misschien pijn, maar het is wel nodig om de spier sterk en gezond te houden. Indien dit niet gebeurt zal deze spier namelijk verschrompelen of zelfs afsterven, en dan is het kleinste beetje weerstand al snel te veel.

Zonder incasseringsvermogen is intimidatie of zelfs geweld vaak het antwoord. Dat zagen we terug bij de daders van de bedreigingen en moorden van de afgelopen weken. Als je vervolgens het onderwerp gaat vermijden omdat het onnodig kwetsend zou zijn, beloon je dit soort gedrag juist. Dan creëer je een negatief terugkoppelingsmechanisme, waarbij de intolerantie in de samenleving alleen maar toe zal nemen en uiteindelijk uit zal monden in een angstcultuur. In dat geval is zo’n petitie tegen godslastering niet eens meer nodig, omdat de facto zich toch steeds minder mensen uit durven te spreken. En wat is de vrijheid van meningsuiting dan nog waard?

Brengt corona een nieuwe golf van collectivisering?
Column
Democratie & Rechtsstaat
07
Jul
2020
Jul 22, 2020
Patrick van Schie
In deze column uit ons liberaal journaal over de coronacrisis (mei 2020) vraagt de directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie zich af of de coronacrisis leidt tot een nieuwe golf van collectivisering. Als de kippen waren linkse publicisten en politici erbij om te roepen dat de coronacrisis het failliet van het kapitalisme of van 'het neoliberalisme' aantoont, schrijft Patrick van Schie. Volgens Van Schie wordt de vermeende superioriteit van een socialistisch stelsel boven de vrije markt geenszins bewezen door de coronacrisis.

Als de kippen waren linkse publicisten en politici erbij om te roepen dat de coronacrisis het failliet van het kapitalisme of van het ‘neoliberalisme’ aantoont. Meer overheidsingrijpen en -sturing zou nodig zijn.

Het coronavirus is echter niet in een kapitalistisch land op de mens overgesprongen maar in de grootste communistische dictatuur: de ‘volksrepubliek’ China. Dat is alleen al relevant omdat, of dit nu op een dierenmarkt in Wuhan is gebeurd of dat het virus uit een laboratorium in Wuhan is ontsnapt (indien de Chinese overheid niets te verbergen heeft laat haar dan vrij onafhankelijk onderzoek toestaan), door het wekenlang in de doofpot stoppen van dit feit en van de eerste verspreidingen, ja door klokkenluiders zelfs te arresteren, het virus de kans kreeg zich op een oncontroleerbare wijze te vermenigvuldigen tot een wereldwijd probleem.

Als het virus een politieke oorsprong heeft, dan is het een communistische. Dat het veel dodelijker Ebola-virus dat in 2014 in West-Afrika heerste en toen met een reiziger per vliegtuig naar Nigeria werd gebracht, wél tijdig kon worden ingetoomd is te danken aan een alerte vrouwelijke Nigeriaanse arts die alarm sloeg en ondanks aanvankelijke tegenwerking wel kon worden gehoord.

Eenmaal doorgebroken kent een virus geen ideologisch onderscheid. Maar hoe opener een systeem, des te beter het met een dergelijke crisis om kan gaan. Communistisch China pocht de crisis goed te hebben bezworen, al weten we niet wat ook hier weer wordt verdonkeremaand, maar vooralsnog heeft het vrije China (Taiwan) de crisis veel beter bedwongen. Wie meent dat Nederland door te weinig overheid heeft gefaald met het in stand houden van een voldoende Intensive care-capaciteit – en het is zeker wijs te leren dat we vooraan meer snel op te hogen capaciteit voor pandemieën achter de hand moeten houden – zou zich eens kunnen afvragen waarom socialistisch Venezuela op 29 miljoen mensen slechts 100 IC-bedden heeft. Binnen Europa doen landen met een genationaliseerde gezondheidszorg het al niet beter. Italië, Frankrijk en Groot-Brittannië kennen tot dusver beduidend meer coronadoden dan Nederland.

De vermeende superioriteit van een socialistisch stelsel boven de vrije markt wordt door de coronacrisis geenszins bewezen. De pleitbezorgers van meer collectivisme misbruiken de crisis slechts voor een poging hun al vóór corona gevormde geloof aan de samenleving op te leggen. PvdA-leider Asscher beweert dat we door het ‘neoliberalisme’ geen vaccin hebben en daarvoor een sterke overheid nodig is. Maar een stelsel dat niet bestaat – het ‘neoliberalisme’1 – kan ook niet verantwoordelijk zijn voor welk verzuim dan ook. Is het de ‘schuld’ van de vrije markt dat er geen vaccin is voor een virus dat tot een half jaar geleden nog niet onder mensen rondwaarde? Ook geen enkele overheid heeft zo’n reddend middel voorhanden. Er bestaat voor een liberaal geen bezwaar om met door gemeenschapsgeld gefinancierd onderzoek tot een vaccin te komen, maar omdat van alle potentiële vaccins waaraan momenteel wordt gewerkt slechts (een) enkele zal/zullen werken, is het goed dat dit op zoveel mogelijk plaatsen geschied. De vrije markt biedt daartoe veel meer gelegenheid dan een overheidsmonopolie.

De overheid moet financieel bijspringen om burgers en bedrijven die niet door enig falen van de markt maar door overheidsmaatregelen en -verboden in de problemen zijn geraakt, door de crisis heen te helpen. Dat dit noodzakelijk kan zijn om gezonde bedrijven tijdelijk bij te staan, betekent niet dat het gezond is voor normale tijden. Net als tijdens een oorlog loopt de staatsschuld nu gigantisch op. Nederland kan zich dit beter veroorloven omdat wij, anders dan menige andere EU-lidstaat, onze staatschuld redelijk onder controle hadden. Maar vroeg of laat zal deze staatsschuld weer moeten worden afgelost. De daarvoor benodigde welvaart wordt niet door een overheid gecreëerd maar door burgers en bedrijven. Het is de vrije markt die dan uitkomst moet bieden.


1. Martin van Hees, Patrick van Schie en Mark van de Velde, Neoliberalisme: een politieke fictie (Amsterdam, 2014).

Heksenjacht op David Hume herleeft helaas
Column
Technologie
09
Sep
2020
Sep 15, 2020
Patrick van Schie
De universiteit van Edinburgh heeft besloten de naam David Hume van een torengebouw op hun terrein te verwijderen. Een van de meest tolerante geesten uit de 18e eeuw wordt geofferd op het altaar van de hedendaagse hysterische intolerantie, schrijft Patrick van Schie.

David Hume (1711-1776) was een van de grootste filosofen ooit, en zeker Schotlands beroemdste. In zijn tijd werd een benoeming tot hoogleraar echter enkele keren geblokkeerd, omdat de toen nog altijd invloedrijke presbyteriaanse (calvinistische) kerkleiders hun benepen wereldbeeld niet uitgedaagd wensten te zien door iemand die zij als een atheïst beschouwden (wat Hume overigens niet was; hij was deïst).

Hume werd nooit hoogleraar, dit meer tot schade van de universiteiten waar hij werd geweerd dan dat het zijn faam of de verbreiding van zijn denkbeelden in de weg heeft gestaan. Universiteiten zouden natuurlijk vrijplaatsen moeten zijn voor allerhande kennis en inzichten, die aldus in een open debat moeten kunnen worden ingebracht. Wie bepaalde personen of inzichten weert, geeft er blijk van dat hij of zij de meest fundamentele academische houding ontbeert. Zo iemand is ongeschikt voor de studie of een baan aan een universiteit.

Maar onder invloed van het ‘Black lives matter’-activisme is de ‘safe spaces’-ideologie aan een snellere opmars bezig. Links-activistische studenten en medewerkers eisen ‘safe spaces’ waarin zij verschoond blijven van hun onwelgevallige kennis en opvattingen. De benepen geesten van de 21e eeuw wensen slechts te horen en lezen wat in hun gesloten wereldbeeld past. Dat universiteiten toegeven aan zulke eisen is of lafheid of een teken dat de universiteiten al door de benepenen zijn veroverd.

De universiteit van Edinburgh heeft, volgens een bericht van de BBC op 13 september, besloten de naam David Hume van een torengebouw op hun terrein te verwijderen. Zo’n 1.700 activisten hadden dit geëist omdat Hume een onbeschaamde racist zou zijn. Een van de meest tolerante geesten uit de 18e eeuw wordt aldus geofferd op het altaar van de hedendaagse hysterische intolerantie. Universiteiten die hieraan toegeven delven inhoudelijk hun eigen graf. Zij worden zo tot plaatsen die wetenschappers dienen te mijden in plaats van te bezoeken. Laten we niet vervallen in 18e-eeuwse praktijken waarin de grootste geesten juist buiten de universiteit dienden te worden gezocht.

Solidariteit in tijden van crisis
Column
Veiligheid
07
Jul
2020
Jul 30, 2020
Fleur de Beaufort
Het woord solidariteit wordt gedurende de coronacrisis vaak in de mond genomen. Wetenschappelijk medewerker Fleur de Beaufort reflecteert in deze column op het begrip solidariteit, en hoe liberalen dit zien. Deze column staat ook in ons liberaal journaal over de coronacrisis.

Het moment waarop als gevolg van het coronavirus ook in Nederland ingrijpen maatregelen werden aangekondigd, maatregelen die bovendien gepaard gingen met veel ongewisheid over de ernst en de duur, leek even het slechtste in de mens boven te komen. Men vergat alles om zich heen en begon aan het grote hamsteren. Even leek ‘eigen voorraadkast vol’ het allerbelangrijkste. De eerste beelden van lege schappen in de zwaarst getroffen Italiaanse regio’s werkten alleen maar bevestigend. De vraag of er voldoende overbleef voor anderen verdween naar de achtergrond, waardoor aanvankelijk met name de mensen die bijvoorbeeld juist nu extra lange diensten draaiden, zoals het zorgpersoneel, nogal eens achter het net viste. In supermarkten heerste enige tijd een grimmige sfeer en veel grootgrutters gingen over tot het aanstellen van beveiliging ter bescherming van hun personeel. De premier kwalificeerde dit gedrag tijdens een persconferentie als onnodig en egoïstisch.

Zelfbehoud maakte plaats voor solidariteit

Het gedrag bleek slechts van korte duur en al snel maakte de – op zich niet onbegrijpelijke, want toch ook menselijke – zucht naar zelfbehoud juist plaats voor oprechte solidariteit. De vele nieuwe lokale initiatieven die de afgelopen weken ontstonden zijn stille getuige van de liberale overtuiging dat solidariteit uiteindelijk het krachtigst is waar ze uit vrijheid ontstaat.

Voor liberalen is er een belangrijk verschil tussen wat directe en indirecte solidariteit genoemd kan worden. Daar waar de directe solidariteit vorm krijgt in het private domein, waar burgers onderling op vrijwillige basis overeenkomsten sluiten en elkaar helpen, wordt indirecte solidariteit juist op het publieke vlak door de overheid geregeld. Via collectieve, verplichte arrangementen organiseert de overheid als het ware de sociale rechtvaardigheid binnen de samenleving. Directe solidariteit rust op eigen initiatief en vrijwilligheid, terwijl indirecte solidariteit wettelijk wordt geregeld en op plicht is gebaseerd.

Hoewel liberalen zeker vandaag de dag het belang van indirecte solidariteit erkennen – niet voor niets stonden liberalen eind negentiende eeuw aan de wieg van de sociale wetgeving – zijn ze ook beducht voor het wegvallen van individuele verantwoordelijkheid, eigen initiatief en directe solidariteit. De negentiende-eeuwse Franse journalist en parlementariër Frédéric Bastiat meende zelfs dat solidariteit afdwingen haar in feite vernietigen is. Solidariteit is spontaan.

Liberalen gaan ervan uit dat mensen van nature sociale wezens zijn

De waakzaamheid voor een te grote overheid en teveel indirecte solidariteit komt voor liberalen ook voort uit hun mensbeeld. Zij gaan ervan uit dat mensen van nature sociale wezens zijn, die elkaar in alle vrijheid opzoeken, zich met elkaar verenigen en daar waar nodig ook solidair met elkaar zijn. Daarbij geldt voor liberalen dat de verbanden die mensen op vrijwillige basis met elkaar aangaan vele malen sterker zijn dan verbanden die van bovenaf aan mensen zijn opgelegd. Hetzelfde geldt voor solidariteit. Indien mensen zich uit vrije keuze solidair tonen met mensen uit hun omgeving – zoals ook veelvuldig gebeurt – doen zij dit veel bewuster dan wanneer solidariteit via de overheid wordt opgelegd.

Daarbij realiseren liberalen zich dat individuen veelal de grootste solidariteit voelen met mensen uit hun directe omgeving. Naarmate afstanden tussen mensen groter worden neemt de directe solidariteit over het algemeen af. Het is doorgaans makkelijker je te identificeren met een slachtoffer of hardwerkende hulpverlener uit de eigen nabije omgeving, dan heel ver weg.

Diverse initiatieven tonen aan hoe krachtig directe solidariteit kan zijn, zeker in tijden van crisis wanneer de indirecte solidariteit niet zonder of snel genoeg op nieuw ontstane behoeftes kan inspelen. Mensen sturen ouderen een kaartje of bloemetje in de strijd tegen eenzaamheid, nu bezoeken in verzorgingstehuizen niet meer mogelijk is. Er worden boodschappen gedaan voor buurtgenoten die tot de risicogroep behoren en supermarkten openen speciaal voor ouderen een uurtje eerder, zodat ze in alle rust hun boodschappen kunnen doen. Initiatieven om getroffen ondernemers te helpen die hun inkomsten tijdelijk tot het nulpunt zagen dalen. Ondernemers die met hun personeel te hulp schieten in bedrijfstakken waar een tekort aan arbeidskrachten is nu de grenzen dicht zijn. Een extraatje tussendoor voor zorgpersoneel, bijvoorbeeld in de vorm van een bosje bloemen of een zoete lekkernij. Initiatieven om toch vooral lokaal te kopen en zo de middenstand te steunen – boerderijwinkels zien hun omzet al groeien.

Langzaam wordt in de media al gezinspeeld op mogelijk blijvende verandering in onze samenleving ook na deze crisis. Hoe mooi ook, het lijkt zeer onwaarschijnlijk. Niet alleen verdwijnt met de crisis een gevoel van urgentie in het omzien naar elkaar, ook zal het nu opspelende geweten weer voldoende gesust worden door de enorme hoeveelheid indirecte solidariteit. De noodzaak van directe solidariteit wordt ermee teniet gedaan.

Complotdenkers staan in een lange westerse traditie
Column
Filosofie, Religie & Ethiek
08
Aug
2020
Aug 17, 2020
Het gebruik van de individuele rede en de ondermijning van traditioneel gezag kent een lange geschiedenis. In zekere zin hebben we onze welvarende, vrije, democratische samenleving te danken aan deze houding. Maar net als met wel meer zaken in het leven bestaat er naast deze zonzijde ook een schaduwkant, schrijft Bram Leferink op Reinink.

Sapere aude! Habe Mut, dich deines eigenen Verstandes zu bedienen!’ schreef verlichtingsfilosoof Immanuel Kant gepassioneerd.1 Hij verwoordde hiermee een houding die diep is verankerd in de westerse cultuur. Het gebruik van de individuele rede en de ondermijning van traditioneel gezag kent immers een lange geschiedenis. We treffen deze kritische houding al aan in de Oudheid om eeuwen later te worden gerehabiliteerd door Maarten Luther, die protest aantekende tegen de dogma’s van de Kerk. We vinden haar ook bij René Descartes. Hij stelde met zijn twijfelzucht de autoriteit van de oude Grieken inzake filosofie aan de kaak, verpakt in de beroemde spreuk: cogito ergo sum. Meer en meer ‘vanzelfsprekende’ gezagsstructuren moesten eraan geloven. In latere eeuwen werd ook de macht van de koning illegitiem geacht, uitmondend in diverse democratische revoluties. Uiteindelijk, toen in de jaren zestig van de twintigste eeuw deze geesteshouding definitief de massa bereikte, werd zowat iedere vorm van traditioneel gezag ondermijnd. En anno nu hebben we een nieuw stadium bereikt waarin zelfs het gezag van de deskundige in twijfel wordt getrokken; we zien de buitensporigheden van een methode die ons zoveel heeft gebracht.

In zekere zin hebben we onze welvarende, vrije, democratische samenleving te danken aan deze houding. Zonder haar geen wetenschappelijke revolutie, geen industriële revolutie en geen democratische revolutie. Maar net als met wel meer zaken in het leven bestaat er naast deze zonzijde ook een schaduwkant. Wanneer men zich dagelijks bedient van zijn rede en daarvan de vruchten plukt, ontstaat er een rotsvast vertrouwen in het eigen oordeelsvermogen. Dit vertrouwen zou gepaard moeten gaan met een juist gebruik en het besef van feilbaarheid van de rede. Maar dit is, en dat moet geen verrassing zijn, niet altijd het geval. Het komt het meest tot uiting bij complotdenkers. Een complotdenker laat zijn vertrouwen in de rede niet zomaar aantasten als hij op een complex fenomeen stuit dat hij niet terstond begrijpt. Liever ontdoet hij het fenomeen van zijn complexiteit zodat het vertrouwen in het eigen oordeelsvermogen gehandhaafd blijft. Na zelf ‘onderzoek’ te hebben gedaan kan niets hem nog van mening doen veranderen. De wijze maar lastige woorden van een deskundige worden gedegradeerd tot “ook maar een mening”. En waag het niet hem te betichten van een onjuist gebruik van zijn rede, want dat is precies hetgeen waar hij zijn standvastigheid aan ontleent.

Wie een torenhoog vertrouwen heeft in zijn weerloze rede, gebruikt haar onbewust slechts in dienst van zijn emoties

Nu complotdenkers en aanverwante dogmatici tijdens de coronapandemie luidruchtig van zich laten horen, kan het probleem niet langer worden ontkend. Met name in een democratie verdient deze kwestie aandacht. Het welvaren van een democratie hangt namelijk af van het oordeelsvermogen van haar burgers. Wie een torenhoog vertrouwen heeft in zijn weerloze rede, gebruikt haar onbewust slechts in dienst van zijn emoties. Zo verwordt iemand tot een prooi van de willekeur en een speelbal van volksmenners. Derhalve vereist een democratie de constante alertheid van haar burgers. Een collectieve geestelijke verslapping kan haar immers fataal worden. In de coulissen staan er altijd machtswellusten klaar om de samenleving haar vrijheid te ontnemen.

Zoekend naar een oplossing voor dit gevaar, moeten we ervoor waken niet het kind met het badwater weg te gooien; het kind dient slechts goed opgevoed te worden. Een terugkeer naar traditioneel gezag, zoals conservatieven dat weleens bepleiten, getuigt van een verloochening van de waarde van de rede en een gebrek aan realiteitszin. Beter kunnen we ons richten op de geestelijke ontwikkeling van burgers. In onze kapitalistische samenleving is het onderwijs echter vooral gericht op het leren van een vak. Zo is men namelijk van nut voor de economie. Maar deze fixatie op het economisch nuttige gaat ten koste van de geesteswetenschappen. En juist deze zijn van levensbelang voor de democratie. Hoe lang lezen we nu al over de crises bij de talenstudies en de armzalige leesvaardigheid van de jeugd? Willen we dogmatici bestrijden, dan zullen we ten eerste moeten overgaan tot een herwaardering van de filosofie. Omdat de filosofie ons leert hoe te denken, moet zij een prominente plek innemen in het onderwijs. Pas als de moed zich van zijn eigen verstand te bedienen, samengaat met het juiste gebruik ervan, is zij werkelijk waardevol.

1. Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? (1784)

Een historische canon moet geen windvaan zijn
Column
Internationaal
06
Jun
2020
Jun 23, 2020
Patrick van Schie
Recent werd een herziene canon van Nederland gepresenteerd. De commissie onder leiding van James Kennedy heeft zich te veel laten leiden door hedendaagse hypes, schrijft Patrick van Schie. Bovendien ontbreekt een hoofdlijn die voor Nederland zo kenmerkend is geweest: vrijheid.

Precies tijdens de vanuit de VS overgewaaide, of geïmporteerde, beeldenstorm presenteerde een commissie onder leiding van James Kennedy de herziene canon van Nederland. Goed getimed, al dan niet bewust; uit publicitair oogpunt althans. Maar voor zover het bij de beeldenstorm aansloot ook tekenend voor wat er mis is met het werk van de commissie.

Op de poging om onze geschiedenis te vatten in een vijftigtal vensters valt op zich al het nodige aan te merken. Maar goed, ook in het geschiedenisonderwijs – waarvoor de canon als leidraad dient – moet gelet op het beperkt beschikbare aantal lesuren nu eenmaal worden gekozen. Enkele afzonderlijke keuzes van de commissie-Kennedy hebben veel aandacht en soms ook kritiek gekregen. Dat lot viel ook de canon van vorige commissie, uit 2006, ten deel. Maar welke indruk maakt het grotere geheel?

Te veel aandacht voor recente geschiedenis

Een evenwichtige canon zou een goed beeld moeten geven van de geschiedenis van ons land door de tijd heen. Dat er dan relatief wat meer aandacht is voor de betrekkelijk recente geschiedenis valt wel te rechtvaardigen, deels omdat daar meer bekend over is, er meer bronnen over zijn dan over bijvoorbeeld over de vele eeuwen van de prehistorie, en deels omdat feitelijk ons land als staatkundige eenheid een geschiedenis van niet meer dan ongeveer 4½ eeuw kent. Maar dat 12 van de 50 vensters, dus bijna een kwart van de hele canon, worden besteed aan de periode na de Tweede Wereldoorlog duidt op een ernstige historische bijziendheid. Wat leerlingen juist zou moeten worden bijgebracht is een besef dat wij zelf in een lange historische ontwikkeling staan. Wat vóór onze eigen tijd is gebeurd heeft bijgedragen aan hoe ons land er nu uit ziet.

De betrekkelijkheid van eigen en eigentijdse ideeën

Nóg belangrijker voor het aankweken van historisch besef is dat wat vroeger is gebeurd niet meteen raar is indien het afwijkt van hoe er nu wordt gedacht. Als er náást de belangrijkste feiten en gebeurtenissen iets is wat leerlingen uit het geschiedenisonderwijs zouden moeten meenemen, is het de betrekkelijkheid van de eigen en eigentijdse ideeën. Niet dat wij de onze behoeven op te geven, maar wel dienen andere opvattingen uit eerdere tijden serieus te worden genomen. Leerlingen moeten dus begrijpen waarom zaken vroeger gebeurd zijn zoals ze nu eenmaal liepen, waarom mensen dachten zoals er indertijd werd gedacht. Geschiedkundige gebeurtenissen dienen in hun eigen context te worden bezien.

Hier heeft de commissie-Kennedy zich helaas laten meeslepen door eenzelfde gedachte als die welke de nu woedende beeldenstorm bezielt: alles wordt bezien vanuit één nú sterk opgeld doende gedachte, en wij zouden achteraf moeten veroordelen alles en iedereen die niet volgens díe gedachte leefde en handelde. Kennedy zal zich misschien verweren met de opmerking dat per venster soms wel degelijk verschillende invalshoeken worden belicht; zie het venster ‘Europa’. Maar mede door de wijzigingen die de commissie-Kennedy aanbrengt gaan nu 5 van de 50 vensters, dus 10%, over het koloniale verleden. Daarmee deint de commissie mee op de neiging het koloniale verleden buiten proporties op te blazen. Prima om er in één of twee vensters aandacht aan te besteden, en dan niet enkel aan de ‘schaduwzijden’ zoals de politiek-correcte minister van Onderwijs Van Engelshoven (D66) het liefst had willen opleggen, maar dan moet het wel in verhouding staan tot de betekenis die het in onze geschiedenis heeft gehad.

Vrijheid ontbreekt als hoofdlijn

Een van de ‘hoofdlijnen’ die de commissie door de hele canon trekt is die van (on)gelijkheid. Dat is des te opmerkelijker als je bedenkt welke hoofdlijn ontbreekt die juist voor Nederland zo kenmerkend is geweest: vrijheid. Dat wij een land zijn dat als een van de eerste zijn zelfstandigheid bevocht (tegen Spanje), waar een relatief groot deel van de burgers reeds vroeg invloed kon uitoefenen op het bestuur, waar (relatief, maar toch) veel burgerlijke vrijheden bestonden, dat de bakermat vormde van de vrije markt en dat een kerngebied is van het al met al toch geringe aantal landen die stabiele democratieën kunnen worden genoemd, blijft op deze manier onderbelicht.

Over afzonderlijke vensters zou veel meer te schrijven zijn, maar hoezeer de commissie zich door hedendaagse hypes heeft laten beïnvloeden blijkt misschien het beste uit de volgende passage in haar rapport: ‘Bovenal is het van belang dat elke generatie haar eigen geschiedenis schrijft volgens de methoden, opvattingen en fascinaties van de eigen tijd.’ Ja, geschiedenis is nooit af. Maar wie de geschiedenis ondergeschikt maakt aan de ‘fascinaties van de eigen tijd’ geeft blijk van een basaal gebrek aan geschiedbesef.

Europese integratie vereist een gezamenlijke identiteit
Column
Binnenland
07
Jul
2020
Jul 31, 2020
Wil Europese integratie kunnen slagen, dan is onderlinge samenhang en een gezamenlijke Europese identiteit nodig. Met een beroep op diversiteit en inclusiviteit gaat het niet lukken, schrijft Bram Leferink op Reinink.

Waar Europa onder Von der Leyen zittend op een krachtige, witte stier het geopolitieke strijdtoneel had moeten betreden, lijkt het huidige optreden meer op de eerste stappen van een pasgeboren giraffe. Voorzichtig zet zij haar achterpoten neer, maar in een poging de voorpoten uit te strekken, dondert zij alweer voorover. De Russische Beer, de Chinese Draak en zelfs de Amerikaanse Zeearend – onder wiens vleugel Europa decennialang heeft mogen schuilen – lachen besmuikt. Zolang Europa’s ledematen niet in harmonie functioneren zal zij niet op eigen poten kunnen staan. Ook al is dat in de hedendaagse wereld met een fluctuerende machtsbalans van groot belang.

Europa kent een weinig verenigde geschiedenis

Sinds de val van het Romeinse Rijk in 476 heeft Europa maar weinig rijken gekend die haar voor lange tijd verenigd hebben. Karel de Grote en Karel V leken in respectievelijk de negende en zestiende eeuw een aardige kans te maken, maar ook hun christelijke rijken vielen al tamelijk snel uiteen. Waar het rijk van Karel de Grote in drieën werd gedeeld na diens dood in 843, daar werd het Heilige Roomse Rijk van Karel V slachtoffer van religieuze en machtspolitieke conflicten. Na de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), die besloten werd met de Vrede van Westfalen, werd deze Europese verdeeldheid ingebed in een nieuw concept van internationale orde. Sindsdien geldt de nationale staat als de voornaamste actor op het Europese schiereiland. En iedere staat wordt gezien als de soevereine macht binnen zijn eigen grenzen. Dat wil zeggen dat het aan de nationale overheid is om te beslissen over binnenlandse aangelegenheden als staatsvorm en religie.

Met deze Westfaalse orde waarin staten met elkaar op gelijke voet staan was een christelijk Europa onder één vlag ondenkbaar geworden. In latere eeuwen zouden Napoleon en Hitler op brute wijze grote delen van Europa onderbrengen in één rijk, al was het weliswaar van korte duur. Ook in onze tijd is een Europese staat slechts een fantasie. Hoewel het Europese eenwordingsproject na de Tweede Wereldoorlog veelbelovend begon, lijkt het momentum nu al een aantal decennia voorbij. De tegenstellingen tussen Noord en Zuid over financieel-economische thema’s en tussen Oost en West inzake rechtsstatelijke thema’s zullen niet gauw tot het verleden behoren. Zolang de Europese identiteit niet tot de hoofden van de mensen doordringt, zal Europese integratie bovenal bestaan uit bureaucratische integratie.

Het emotionele aspect is belangrijk

Wil een nieuwe staat in deze moderne tijden tot stand komen, dan moet het naast deze bureaucratische elementen ook emotionele aspecten bevatten. En deze emotionele waarde die men aan een staat kan toekennen is vanaf het begin van de Europese integratie ondergewaardeerd, sterker nog: verafschuwd. Na de twee wereldoorlogen werd nationalisme begrijpelijkerwijs als de boosdoener aangewezen. Maar afgezien van de verschrikkingen waartoe nationalisme kan leiden, is enige dosis ervan noodzakelijk voor sociale cohesie. Zonder deze onderlinge samenhang ontbreekt de collectieve wil om in samenwerking de toekomst tegemoet te treden. Maar op wat moet deze onderlinge samenhang dan gestoeld zijn?

Mensen hebben een natuurlijke behoefte om tot een sociale groep te behoren en met deze groepsleden zijn we solidair. Een natie kan in deze behoefte voorzien. Zo’n natiegevoel kan aangewakkerd worden door een gedeelde religie, taal of etniciteit. Maar ook tradities, grenzen en belangen kunnen hieraan bijdragen. Deze zaken zijn op zichzelf voldoende noch noodzakelijk voor het bestaan van een nationaliteit. Zo bestond de Nederlandse natie lange tijd uit protestanten en katholieken en kennen we Zwitserland als een meertalige natie. De nationaliteit vastpinnen op één criterium is zelfs gevaarlijk omdat daarmee de grens tussen natie en buitenstaanders spijkerhard wordt. Als enkel blanke mensen Nederlander kunnen zijn, dan is vreemdelingenhaat niet ver weg.

Ook John Stuart Mill onderschreef dat het gevoel van nationaliteit versterkt wordt door de hierboven genoemde zaken. Maar volgens deze filosoof is een gedeelde geschiedenis van het grootste belang:

''the strongest of all is identity of political antecedents; the possession of a national history, and consequent community of recollections; collective pride and humiliation, pleasure and regret, connected with the same incidents in the past.''1

Europese identiteit hoeft niet krachtiger te zijn dan de vaderlandsliefde

Op dergelijke collectieve ervaringen kunnen Europeanen amper terugvallen; een triomf voor de een betekende veelal een vernedering voor de ander. Slechts in de laatste jaren lijkt zo’n gedeelde Europese geschiedenis zich af te tekenen. Nu oorlogen tussen EU-lidstaten onvoorstelbaar zijn geworden, liggen de bedreigingen buiten Europa’s grenzen. Dit besef zal een zekere mate van lotsverbondenheid teweegbrengen. Het gevoel van Europese eenheid hoeft niet de plaats in te nemen van de nationale identiteit, de Fries voelt zich immers naast Fries ook Nederlander. Noch dient de Europese identiteit krachtiger te zijn dan de vaderlandsliefde; zij moet slechts sterk genoeg zijn om solidariteit onder Europeanen te bewerkstelligen.

Kosmopolieten die de Europese identiteit willen laten berusten op diversiteit en inclusiviteit zijn een doodlopende weg ingeslagen. Een sociale groep bestaat nu eenmaal bij de gratie van buitenstaanders. Het is enkel de vraag hoe hard men die grens, de grens tussen natie en buitenstaander, definieert. Dat die grens moet bestaan teneinde een identiteit te creëren, is onmiskenbaar. Indien Europese kosmopolieten deze noodzaak niet onder ogen wil zien, zal de bureaucratische integratie op meer en meer verzet stuiten. Verzet van mensen die niet solidair willen zijn in Europees verband, maar louter in nationaal verband. In dat geval zullen Europa’s ledematen nooit in harmonie functioneren, en zal de giraffe niet leren lopen.

1. John Stuart Mill, Considerations on Representative Government (1861)

Democratie in tijden van crisis
Column
Geschiedenis
07
Jul
2020
Jul 13, 2020
Niet degene die geliefd is bij het volk zou moeten heersen, maar degene met de juiste kennis en kunde, stelde Plato. Dit conflict tussen expertise en de wil van de meerderheid is tijdens de coronacrisis weer bijzonder actueel. Deze crisis laat immers zien dat expertise onmisbaar is voor het welvaren van een staat. Had Plato dan toch gelijk, vraagt Bram Leferink op Reinink zich in deze column af.

Weinig metaforen hebben meer invloed gehad op het politieke denken dan het schip van staat. In Politeia vergelijkt Plato de leider van een staat met de kapitein van een schip. Volgens Plato is er maar één criterium waarop we de kapitein moeten beoordelen: zijn begrip van de stuurmanskunst. De impopulariteit van de kapitein onder de bemanningsleden is absoluut geen gegronde reden om hem achter het roer vandaan te halen. Met deze metafoor zette Plato zich af tegen de Atheense democratie in zijn tijd. Niet degene die geliefd is bij het volk zou moeten heersen, maar degene met de juiste kennis en kunde. Dit conflict tussen expertise en de wil van de meerderheid is tijdens de coronacrisis weer bijzonder actueel. Deze crisis laat immers zien dat expertise onmisbaar is voor het welvaren van een staat. Had Plato dan toch gelijk?

Het argument dat doorgaans tegen Plato wordt aangevoerd ter verdediging van de democratie spitst zich toe op de metafoor zelf. De metafoor van het schip van staat zou mank gaan vanwege de vergelijking van een schip met een staat. Er is namelijk slechts één correcte manier om een schip te besturen en dat is recht op zijn bestemming af. Maar waar de bestemming van een schip vaststaat, daar is de bestemming van een staat onbepaald. Nooit zal er algehele consensus ontstaan over deze bestemming; altijd zal er discussie bestaan tussen de inwoners van deze staat, hoe deskundig zij dan ook moge zijn.

Dit is begrijpelijk als we de essentie van politiek bestuderen. Politiek gaat namelijk over verschillende waarden die op gespannen voet met elkaar staan. Neem vrijheid en gelijkheid, liefde en onpartijdigheid of vrijheid en veiligheid. Een toename van de een gaat veelal ten koste van de ander. Desalniettemin zijn deze strijdige waarden op zichzelf waardevol. De hiërarchie van deze waarden is afhankelijk van de situatie en van degene die beoordeelt. Onder bepaalde omstandigheden zal vrijheid het onderspit delven tegenover veiligheid en vice versa. Daarnaast zal de ene persoon eerder geneigd zijn om vrijheid op te geven voor veiligheid dan de andere. Ideologieën die een ideale staat schetsen waarin alle waarden samenkomen, zijn ronduit gevaarlijk. Een dergelijk soort idealisme rechtvaardigt de opoffering van waarden in het heden in naam van een illusoir toekomstbeeld.

Plato lijkt zich met zijn metafoor de mogelijkheid van zo’n ideale staat in te beelden. Maar omdat de eenheid van waarden slechts een illusie is, is de metafoor van het schip van staat aan herziening toe. Op zee dobbert nu een schip met vluchtelingen, hun vaderland is verwoest en terugkeren is daarom geen optie. Aan boord barst een discussie los: naar welk land zetten zij koers? Meerdere landen waarin verscheidene waarden de boventoon voeren behoren tot de keuzemogelijkheden. Driftig worden er argumenten uitgewisseld voor of tegen een bepaald land, de een van een betere kwaliteit dan de ander. Al gauw wordt duidelijk dat unanimiteit niet kan worden bereikt. Vandaar dat zij besluiten de knoop door te hakken per meerderheidsbeslissing. Eenmaal vastgesteld wat de bestemming wordt, benoemen zij een kapitein op basis van zijn of haar kennis en kunde van de stuurmanskunst. En zo bereikt het schip zijn gewenste bestemming.

Deze metafoor sluit vanzelfsprekend niet naadloos aan op de democratische praktijk, maar zij laat wel goed zien wat de rol van expertise is in de politiek. Deskundigen zijn onmisbaar om een bepaald doel te bereiken, maar zijn niet per se geoorloofd om dat doel te bepalen. Zo is Jaap van Dissel absoluut nodig om het coronavirus te bestrijden, maar hij heeft vanuit zijn functie niets te zeggen over de afweging tussen volksgezondheid en economie. Dat laatste blijft nog altijd de taak van politici.

En daarmee dienen we ook Plato van repliek. Zijn nadruk op het belang van een bekwame kapitein aan boord van een schip is onweerlegbaar. Maar hij gaat te ver door te beweren dat deze kapitein ook de bestemming mag bepalen. Die bestemming, dat is de hoofdvraag van de politiek. En die vraag dient te worden beantwoord door democratisch verkozen politici, ook in tijden van crisis.

Samenleving na corona: wordt alles anders?
Column
Democratie & Rechtsstaat
07
Jul
2020
Jul 7, 2020
In deze column uit het liberaal journaal over de coronacrisis vraagt de fractievoorzitter van de Haagse VVD Frans de Graaf zich af of de samenleving ingrijpend zal veranderen door de coronacrisis, en hoe deze samenleving eruit zal zien.

De Vlaamse hoogleraar Frederik Anseel opperde recent een prikkelende stelling: ‘nooit meer terug naar kantoor’. Corona zou aantonen dat het klassieke kantoor met werkplekken zijn langste tijd heeft gehad. Zou het echt? Ik weet het niet. Maar dat het leven ná corona er anders uitziet dan vóór corona is wel duidelijk. De grote vraag is: hoe?

Voordat we proberen vooruit te kijken, twee winstwaarschuwingen. Ten eerste is de toekomst voorspellen razend ingewikkeld. En al helemaal tijdens een crisis. Wie midden in de hectiek zit, mist het overzicht. En we zitten met zijn állen in de hectiek. Meer dan beredeneerd speculeren zit er niet in.

Ten tweede is het, zeker voor politici, verleidelijk om te denken dat iets wat je toch altijd al wilde, nu ineens gaat gebeuren door corona. Bijvoorbeeld een SP’er die zegt dat er nu écht meer overheidsbanen nodig zijn. Of een VVD’er die inschat dat we vanaf nu allemaal bij een lokale winkelier onze boodschappen doen. Dat soort voorspellingen moeten we met een korreltje zout nemen. De wens is hier vermoedelijk vader van de gedachte. Laten we met deze voorbehouden eens een poging wagen.

Meer thuis

De grootste verandering voor veel mensen is dat wat normaal buiten de deur was, nu ‘thuis’ is. Mensen werken, mits niet in vitale beroepen, thuis en de kinderen zijn ook meer thuis. Op afstand werken en digitaal onderwijs neemt daardoor een spectaculair hoge vlucht. Misschien bevalt het wel goed en wordt thuiswerken veel meer dan nu de norm. En wordt onderwijs op afstand normaal. Als liberaal zou ik zo’n trend toejuichen: het geeft je meer vrijheid je eigen leven in te richten.

De gevolgen kunnen enorm zijn. Zijn files en volle treinen dan verleden tijd? Dat scheelt veel dagelijkse ergernis en vele miljarden aan overheidsgeld om de infrastructuur uit te breiden. En wellicht is corona het einde van een jarenlange trend: urbanisatie. Mensen wonen weer liever landelijk: als je thuiswerkt maakt het wat dat betreft ook niet uit waar je woont. Als deze trend zich echt voordoet kunnen veel beleidsplannen – die zonder uitzondering uitgaan van een trek naar de stad – de prullenbak in.

En internationaal? Immigratie is al jaren een hoofdpijndossier. Misschien denken veel immigranten na corona wel twee keer na voordat ze hun vertrouwde omgeving verlaten. De wens om migratie te beperken wordt zo in een klap werkelijkheid. Maar het kan net zo goed omgekeerd: dat we de coronacrisis zo goed aanpakken dat veel immigranten denken: daar moet je wezen!

En er zijn nog veel meer mogelijke consequenties. Her en der lees ik bijvoorbeeld dat corona het einde betekent van het populisme omdat mensen nu inzien dat we serieuze politici moeten hebben die vertrouwen op wetenschappelijke inzichten (lijkt mij overigens een typisch geval van wensdenken).

Liberale benadering

De maatschappelijke impact van corona is dus onzeker. Des te meer als je bedenkt dat verandering van de samenleving zich snel maar ook heel traag kan manifesteren. Misschien kunnen we over een jaar of tien pas de invloed van corona vaststellen.

Hoe moet je hier nu als liberaal mee omgaan? De overheid is er voor liberalen om kaders te stellen waarbinnen de samenleving tot bloei kan komen. Die kaders worden door corona hoe dan ook stevig herzien. Dat kan op een liberale manier: geen blauwdrukken maar stapsgewijze verandering. Kijken wat werkt en wat het best aansluit bij een vrije samenleving. En verder natuurlijk vasthouden aan de eigen idealen: individuele vrijheid en een samenleving die grotendeels is gebaseerd op vrije interactie van mensen. Zo voorkomen we dat we straks corona overwinnen, maar de vrije samenleving hebben verloren.

Meer eigen regie, ook in tijden van corona
Column
Veiligheid
06
Jun
2020
Jun 2, 2020
Onze burgerlijke vrijheden zijn door het forse overheidsingrijpen teveel op de tocht komen te staan, schrijft Reinout Woittiez in deze column uit ons recente liberaal journaal over de coronacrisis. Hij pleit voor meer eigen regie, ook in tijden van corona. Reinout Woittiez is senior adviseur Fit-for-Purpose Advies en trainer bij de Haya van Somerenstichting.

Verstikking slaat dood. De schrik over de maatschappelijke doodsheid van dit moment sloeg mij om het hart. Ik belandde onlangs in de ochtendspits op een uitgestorven Centraal Station van Utrecht. Het anders zo levendige Utrecht CS toonde een beklemmende uitgestorvenheid. Ik keek een wegkwijnende en stervende maatschappij in de ogen, het trof me diep. Zo houden we ons mooie en vrije Nederland niet overeind, ik voelde de droefheid van het afglijden, het stemde me intens somber. Corona is een gezondheidsrisico vooral voor kwetsbare groepen, waaronder ouderen. Maar de crisis – als we meer inclusief kijken – raakt ons allen in onze bijdrage aan een maatschappij die we graag levend willen houden en waarin we graag onze eigen invulling willen geven aan wat wij zelf het ‘Goede Leven’ achten.

Ik geloof dat onze aanpak in de beginfase van de epidemie een goede was: voorkomen van een massieve besmettingspiek en de daarmee gepaard gaande maatschappelijke ontwrichting. Duidelijk is dat in de volgende fase het tijd wordt voor een Intelligente Loose-Up. We moeten zoeken naar een nieuwe balans vanuit inclusiviteit, want de huidige verstikking slaat onze maatschappij teveel dood en neemt teveel mensen teveel vrijheden af. En daarmee raak ik aan de noodzaak om tot een meer utilitaristische afweging te komen. Natuurlijk, gevaar op besmetting door een medeburger vraagt om een zeker overheidsingrijpen vanuit het ‘geen schade beginsel’ van John Stuart Mill. De gedachte daarbij is dat je alleen dan in vrijheid aan jouw leven invulling kunt geven als je veilig aan het maatschappelijk verkeer kunt deelnemen. De kernvragen die in deze tijd opduiken zijn: hoeveel en welke vrijheidsbeperkende coronaregels mag de overheid opleggen om – in de utilitaristische benadering – zoveel mogelijk veiligheid en daarmee zoveel mogelijk vrijheid voor zoveel mogelijk burgers te waarborgen? En waar ligt nog de eigen verantwoordelijkheid van de burgers?

De afgelopen weken waren voor mij leerzaam. Ik zag tal van voorbeelden die verhelderden waarom ik mijn hart aan het liberalisme verpand heb. Hieronder kleur ik mijn proces van de afgelopen weken wat verder in.

Burgerlijke vrijheden op de tocht

‘In de coronatijd glorieert in elke sector de regelaar’, zo meldt een NRC-kop op 16 mei. Het RIVM, zo blijkt op 14 mei, is zo ‘vriendelijk’ voor alleenstaanden die seks willen voor te schrijven dat zij zich moeten beperken tot één seks-buddy. En de politie beboet je wanneer je te grote feesten houdt achter jouw voordeur. Onze burgerlijke vrijheden zijn wat mij betreft door het forse overheidsingrijpen teveel op de tocht komen staan.

De maatschappelijke reactie op het coronavirus is een overweldigende en klassieke risico-regel-reflex: we schieten vol in de regels. Want wij als burgers kijken vol verwachting naar de overheid om ieder risico voor ons weg te regelen en vervolgens klagen we dan over de regeldichtheid in dit landje. Ronald Reagan sprak ooit ongeveer deze woorden: de overheid die alles voor je regelt is dezelfde overheid die eerst alle eigen regelruimte bij jou weghaalt. Ik zag de afgelopen weken hoe het web van de systeemwereld groeide, ik zag hoe het sterven van ouderen in de systeemmal van de corona-aanpak zomaar kon ontmenselijken, zoals Hannah Arendt dat eerder beschreef. En ik doorleefde wat Jürgen Habermas bedoelde met de kolonisatie van onze leefwereld door de systeemwereld en wat Michel Foucault bedoeld kon hebben met disciplinaire projecten en ‘Pandemic Dictatorschip’. Ook artsen voelen de klem van de huidige corona-aanpak blijkens de titel van het vorige week door de Nederlandse cardiologen gepubliceerde rapport Uit de wurggreep van Corona. Ik heb geen wijsheid in pacht over een alternatieve corona-aanpak, ik huiverde de afgelopen weken wel intens over wat ik aan ingrijpende regelgeving en effecten waarnam.

De samenleving is meer dan alleen corona

De samenleving is meer dan gezondheidszorg gericht op corona, een duurzaam sterke gezondheidszorg kan alleen maar staan op de fundamenten van een vrije, vitale en sterke samenleving. ‘We moeten accepteren dat het risico van de dood bij het leven hoort’, zo luidt de kop van een recent artikel in Science Guide. Aanvaarding van de onzekerheid noemt psychiater Damiaan Denys dat. Daarbij hoort dat we weg bewegen van de 100% maakbaarheidsgedachte waar het onze gezondheid betreft, en dat we aanvaarden dat epidemieën als het coronavirus ons zullen blijven overvallen waardoor we – vaak op hogere leeftijd – aan de gevolgen van zo’n epidemie kunnen overlijden. Soms, vooral voor mensen met wat je tegenwoordig een ‘voltooid leven’ zou noemen, werd vroeger dan over een dergelijke epidemie gesproken in termen van een ‘old man’s friend’. Juist in het besef dat het leven eindig is benadrukken we bij begrafenissen naar elkaar dat we het leven ook echt en ten volle moeten leven en intensief moeten genieten. Ik behoor nog net niet tot de groep van kwetsbare ouderen, maar ik behoor nog steeds wel tot de groep mensen die intensief willen leven in een volop functionerende, vitale en daarmee vast risicovolle maatschappij, omdat ik als liberaal een dergelijk goed leven vol vrijheden en risico’s prefereer boven ‘opgehokt’ verblijven in een ‘risicomijdende’ en zielloze maatschappij waarin het leven tot stilstand gekomen is.

Geef mij zo snel mogelijk de instrumenten om meer eigen regie over mijn leefwereld terug te krijgen: minder kolonisatie, meer vrijheid, meer verantwoordelijkheid, meer eigen risico’s dragen, meer zelfredzaamheid.

Bevrijding vieren in de lockdown
Column
Economie
05
May
2020
May 5, 2020
Patrick van Schie
We vieren op Bevrijdingsdag 75 jaar vrijheid. Helaas kan het niet zo groots worden gevierd als dat was bedoeld, wegens de 'intelligente lockdown' waarin we ons begeven als gevolg van het coronavirus. In deze column reflecteert de directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie op de waarde van vrijheid, die des te voelbaarder wordt in tijden van de coronacrisis.

De bevrijders van Nederland – Canadezen, Britten, Polen en Amerikanen – die in het najaar van 1944 (het zuiden) en het voorjaar van 1945 (de rest van ons land) binnentrokken werden onthaald door juichende mensen. Zij vielen elkaar om de hals en dansten van vreugde. De Nederlandse bevolking haalde opgelucht adem. Eindelijk vrij! Eindelijk weer kunnen doen en laten wat we zelf willen. Eindelijk weer een normaal leven.

Dit was wat nu, 75 jaar later, groots had moeten worden gevierd. Maar in plaats daarvan is ons leven beperkt. Van elkaar om de hals vallen en dansen kan geen sprake zijn. Wij zitten in wat een ‘intelligente lockdown’ wordt genoemd. Het is minder autoritair repressief dan wat in Spanje en Frankrijk gebeurt, maar we zijn toch niet vrij om op te zoeken wie we willen en volop van vrijheid te genieten. Zouden alle bevrijders van toen die inmiddels niet meer leven een kijkje kunnen komen nemen, dan zouden zij hun ogen niet geloven. Was dan alles tevergeefs? Is er een nieuwe bezetter?

In zekere zin is er een nieuwe vijand die ons land is binnengevallen. Even onverhoeds als in 1940. Maar nóg geniepiger. We kunnen geen aanslagen op het coronavirus plegen zoals dat in de jaren ‘40-’45 op de Duitsers kon. We kunnen geen bevolkingsregisters vernietigen zodat de vijand althans die burgers niet kan pakken. Het virus kent geen onderscheid, of het moet tot op zekere hoogte naar leeftijd zijn. Het pakt wie het kan. Collaboratie heeft geen zin. We hoeven straks dus niet met landverraders af te rekenen.

Er is ten minste één lichtpuntje vergeleken met de donkere meidagen van 1940. Tachtig jaar geleden leek op het Europese vasteland een ‘nieuwe orde’ te zijn aangebroken. Nazi-Duitsland toonde zich oppermachtig. Dat de geallieerden – Groot-Brittannië stond alleen en moest zelf zien te overleven (Battle of Britain); in de Verenigde Staten was de hang naar neutraliteit overheersend; de Sovjet-Unie was sinds augustus 1939 een bondgenoot van Hitler - het Derde Rijk uiteindelijk zouden weten te verslaan was allerminst te voorzien. Nu staat vast dat de vijand zal worden verslagen. We weten dat er een vaccin zal komen dat ons tegen coronavirus zal beschermen, we weten alleen nog niet wanneer.

De vergelijking met een oorlog gaat natuurlijk in meer opzichten mank. Er zijn nu geen verwoeste gebouwen en steden. De huidige ‘bezetter’ pleegt geen Arbeitseinsatz en rooft onze productiemiddelen niet. En onze voedselvoorziening is verzekerd. Maar totdat de bevrijding komt, in de vorm van een breed beschikbaar vaccin of ten minste een goed werkende virusremmer, moeten wij wel verder met ons leven. De ‘nieuwe orde’ wordt ditmaal ‘het nieuwe normaal’ genoemd. Maar het is niet normaal. Ook voor zover wij ons moeten schikken naar een leven in beperkingen, moeten wij beseffen dat wat in een noodsituatie geboden is niet normaal is en zeker niet normaal mag worden. Het enige normaal is een situatie waarin individuele burgers hun leven in vrijheid vorm kunnen geven. Natuurlijk met respect voor elkaars vrijheid. Zij maken dan vrije keuzes, die hen normaal gesproken tot veel meer samenzijn brengen dan nu tijdelijk mogelijk is.

De huidige vijand heeft het op ons leven voorzien maar legt ons geen bewegingsvrijheid op. Dat gebeurt deels door onszelf, deels door onze eigen regeringen. Die opereren feitelijk zonder dat daarvoor enig mandaat is. Zelfs in de landen waar parlementen zich niet buitenspel hebben laten zetten heeft geen enkele kiezer kunnen voorzien welke keuzes partijen in een pandemie zouden maken. De politici zelf tasten in het duister. In Europa valt op dat bijvoorbeeld de Spaanse en Franse regeringen een voorkeur hebben laten zien voor uiterst repressief optreden, dat een autoritaire inslag verraadt. In Frankrijk zijn forse boetes uitgedeeld aan mensen die voor één baguette of twee cakes naar de winkel waren gegaan; geen ‘noodzakelijke’ aankopen oordeelde het gezag. Anderen werden beboet omdat zij de begrafenis van een naaste hadden bijgewoond. Sowieso moesten burgers in Frankrijk en enkele zuidelijke EU-lidstaten een formulier invullen waarop zij dienden aan te geven waarom zij naar buiten gingen. Ter beoordeling van de autoriteiten.

Noordelijker in Europa zijn landen niet tot zulke politiestaten verworden. Hier wordt meer aan de eigen verantwoordelijkheid overgelaten. Maar ook hier liggen misbruik en verdringing van grondrechten op de loer. Terwijl baldadige jongeren in het openbaar vervoer ongemoeid worden gelaten, worden vier jongeren in een park die keurig anderhalve meter afstand aanhouden gemaand te vertrekken. Zijn dit voor de handhavers de juiste prioriteiten? Politie valt woningen binnen waar te veel mensen bijeen zouden zijn. Is dit geen schending van art. 12 Gw, dat het huisrecht waarborgt? Het straffen van gedragingen die eigenlijk doodnormaal zijn moet niet normaal gaan worden. Grondrechten zijn de norm; voor inbreuken daarop moeten dwingende redenen aanwezig zijn. Het is zaak dat voor ogen te blijven houden. En wie eenmaal toch moet worden beboet omdat hij een regel overtreedt die in normale tijden niet zou moeten bestaan, dient niet meteen met een strafblad te worden opgezadeld. De kracht van onze rechtsstaat moet blijken juist wanneer hij onder druk komt te staan.

Onderzoek van het Comité 4 en 5 mei laat zien dat ruim de helft van de Nederlanders juist in deze tijd van beperkingen als gevolg van de corona-invasie, de waarde van vrijheid des te meer heeft leren waarderen. Moge dat een bron van optimisme zijn. Terwijl om ons heen autoritaire leiders de coronacrisis aangrijpen voor meer onderdrukking, laat het Nederlandse volk zolang het de vrijheid in zijn hart draagt zich niet knechten.

Corona-app
Column
Democratie & Rechtsstaat
06
Jun
2020
Jun 9, 2020
Wilbert Jan Derksen
De plannen voor een corona-app maakten nogal wat los. Er schuilt hier een fundamentele discussie achter: hoe verhoudt het belang van privacy zich tot het belang van veiligheid? Wetenschappelijk medewerker Wilbert Jan Derksen schrijft in deze column uit ons recente liberaal journaal over de coronacrisis dat de beslissing van de overheid om de corona-app op vrijwillige basis te houden past bij ons liberale cultuur. Toch zal eerst duidelijk moeten worden of de noodzaak nog wel aanwezig is tegen de tijd dat zo'n app klaar is voor gebruik.

Als we ergens nog blij mee mogen zijn in deze crisis is dat de technologie van de 21e eeuw ons beter bestand maakt tegen het virus dan tijdens de eerdere pandemieën uit de geschiedenis. Van beademingsapparatuur tot het afnemen van tests en het ontwikkelen van een mogelijk vaccin. Technologie is de sleutel tot het doorstaan van deze crisis. In aanvulling op andere besmettingspreventieve maatregelen kondigde het kabinet begin april plannen voor het ontwikkelen van een zogenaamde ‘corona-app’ aan. Een app op de telefoon die het mogelijk maakt om na het vaststellen van een coronabesmetting een alert te sturen naar diegenen die een risicovol contactmoment hebben gehad met de patiënt.  

Effectivitieit

Deze plannen maakten nogal wat los. Zo werd er getwijfeld aan de effectiviteit van een dergelijke app. Hoe kan de app bijvoorbeeld rekening houden met fysieke barrières als muren zonder foutpositieven af te geven? Wat te doen met mensen die niet in het bezit zijn van een smartphone? En hoe wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met indirecte infectie via objecten? Maar bovenal riepen de plannen bezorgdheid op over de privacy van burgers. Vooral toen bleek dat de zeven initiële testapps hierin sterk te kort schoten. Het voedde een schrikbeeld van een Orwelliaanse ‘COVID-1984’-samenleving. Het gaat in de essentie natuurlijk wel om een app die de bewegingen van burgers surveilleert.

Fundamentele discussie

Er schuilt hier een fundamentele en al veel langer spelende discussie achter. Namelijk, hoe verhoudt het belang van privacy zich tot het belang van veiligheid? Vooral in de context van een crisissituatie zorgt dit voor prangende dilemma’s, omdat er sprake is van tijdnood en er juist tijd nodig is om hier een goede afweging in te maken. Gelukkig lijken andere preventiemaatregelen nu voorlopig geresulteerd te hebben in het remmen van de infectie. Tegelijkertijd is het de vraag of er geen tweede golf zal ontstaan na het versoepelen van deze maatregelen. En zijn we dan wederom bereid om onze economie stil te leggen, of worden alternatieven als de corona-app dan toch noodzakelijk? Ook bij de twijfels over de haalbaarheid van een anderhalvemetersamenleving geldt dat de corona-app een bijdrage kan leveren aan een mogelijk alternatief.

Het kabinet heeft verklaard dat de app niet verplicht zal worden. Tegelijkertijd gaf het ook aan dat een dekkingsgraad van 60 procent van de bevolking nodig is om het te laten werken. Meer dan de helft van de Nederlanders geeft aan bereid te zijn een corona-app te installeren míts deze voldoet aan adequate privacy- en veiligheidsnormen. Nog eens een kwart geeft aan dit te willen doen wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt  voldaan1. Er is dus genoeg draagvlak, maar de crux zit hem in de privacy- en veiligheidsoverwegingen. En het verleden heeft aangetoond dat de overheid hier wel eens de mist in is gegaan. Het is dus uiterst belangrijk dat er voldaan wordt aan deze eisen en dat toezichthouders als de Autoriteit Persoonsgegevens in dit proces meegenomen worden. Maar dit vergt tijd.  

Transparantie

Burgers hebben het recht om te weten wanneer hun informatie gedeeld wordt met anderen. Het is dan ook van essentieel belang dat een corona-app hier uiterst transparant over is. Zo moet precies duidelijk zijn wat de burger deelt en met wie hij dat doet. En dit moet bondig en helder weergegeven worden, en niet verhuld zijn in ellelange gebruiksvoorwaardenteksten. Zelfs de meest onkundige digibeten moeten hier chocola van kunnen maken. De data moeten daarnaast geanonimiseerd zijn, alleen lokaal opgeslagen worden (dus geen centrale database) en mogen niet gebruikt worden voor andere doeleinden (denk aan opsporing of profilering). Medische gegevens zijn onder de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) geclassificeerd als bijzondere persoonsgegevens waarbij extra strenge voorwaarden gelden die maximale prudentie ten aanzien van deze gegevens vereisen.  

Zelfbeschikking

De beslissing van de overheid om de corona-app op een vrijwillige basis te houden past bij onze liberale cultuur die steunt op het recht op zelfbeschikking. Toch zal eerst duidelijk moeten worden of zo’n app in de praktijk überhaupt zal werken en of de noodzaak nog wel aanwezig is tegen de tijd dat zo’n app, met alle privacy- en veiligheidsoverwegingen meegenomen, klaar is voor gebruik. “Vrijwillig, tijdelijk en transparant”, zoals premier Rutte zelf al aangaf. En bovenal niet overhaast, zou hier nog aan toegevoegd moeten worden. Want net als de gegevens van burgers, kun je hun vertrouwen in zo’n app maar een keer verliezen voordat je het definitief kwijt bent.  

Update

1.  Deze column verscheen een paar weken geleden in de papieren versie van ons liberaal journaal, met de toenmalig bekende info. Recente data laat echter zien dat een derde de app zonder meer zou installeren, een derde hierover twijfelt en nog eens een derde niets ziet in de app. Het draagvlak lijkt daarmee gedaald te zijn met negatieve implicaties voor de werkbaarheid van een dergelijke app.

Bekijk hier het gesprek met Patrick van Schie terug over de corona-app op NPO Radio 1

Liberaal samenleven is het meest sociaal
Column
Democratie & Rechtsstaat
02
Feb
2020
Feb 18, 2020
Patrick van Schie
Liberalen wordt weleens verweten een mentaliteit van 'ikke, ikke, ikke' te propageren. In deze column schrijft directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie dat het liberale samenleven juist het meest sociaal is.

Liberalen gaan uit van het individu. Betekent dit dan ook dat zij een ‘ikke, ikke, ikke’ propageren? Dat zij een maatschappij voorstaan van mensen die alleen om zichzelf geven en hun egoïstische neigingen ten koste van anderen botvieren? Het wordt hun wel verweten. Maar als liberalen zeggen dat de samenleving is opgebouwd uit individuen, denken zij niet alleen aan zichzelf. Ja, een individu moet zo vrij mogelijk worden gelaten, maar dat geldt evengoed voor het andere individu: mijn vrijheid van  handelen eindigt waar die van een ander wordt aangetast.

Politiek, ook die van liberalen, is nodig zodra mensen samen leven. Dan moeten ze leefregels met elkaar afspreken. Van liberalen mag iemand, als dat mogelijk zou zijn, kiezen voor een leven als kluizenaar. Maar dat is niet het liberale ideaal. Zeker ook voor liberalen is de mens een sociaal wezen. Hij of zij wenst met anderen te verkeren. Omdat het individu andere mensen nodig heeft, niet alleen in de zin dat zij hem van pas kunnen komen maar zeker ook omdat bijna iedereen een diepgevoelde behoefte heeft aan omgang met anderen. Om met hen samen te werken aan wat voor doel dan ook, om in vriendschap lief en leed te kunnen delen, en om in liefde het leven zelf met iemand te delen.

Maar hoe zit het dan met Adam Smith? Predikte deze grondlegger van het liberalisme niet de ‘deugd’ van het eigenbelang? In zijn belangrijke economische werk The Wealth of Nations stelde Adam Smith inderdaad dat de mens zich vooral door eigenbelang liet leiden. Dit was voor hem niet zozeer een ideaal, als wel een constatering. En hij meende dat een samenleving beter niet op geïdealiseerd menstype, laat staan een ‘heropgevoede’ mensensoort kon worden gebouwd. De mens moet worden genomen zoals hij is, met al zijn deugden en ondeugden.

Tot troost hield Adam Smith zijn tijdgenoten in de achttiende eeuw voor dat als men mensen vrij liet ieder hun eigenbelang na te streven, dit meer welvaart opleverde dan wanneer de koning – of algemeen een centrale instantie – zou bepalen wat in het ‘algemeen belang’ was. Niet alleen zou zo’n koning aan de verleiding bloot staan zijn eigen belang met dat vermeende ‘algemeen belang’ te vermengen, maar hij kon ook onmogelijk ieders belang dienen. De bakker, zo stelde Smith, stond ook niet elke nacht op om zijn medemensen uit altruïsme de volgende ochtend van vers brood te voorzien. Hij deed dat slechts omdat hij wist dat zijn buurtgenoten graag vers brood wilden en bereid waren hem daarvoor te betalen. Zijn klanten waren in hun nopjes met het verse brood en hij met het geld dat hij daarmee verdiende. Ruilen betekende dus dat iedereen blij was.

Adam Smith was niet alleen de grondlegger van de economie. Als filosoof hield hij zich bezig met goed en kwaad. Hij betoogde in zijn boek The Theory of Moral Sentiments dat waarden en normen niet van God kwamen, maar door mensen zelf werden vastgesteld terwijl zij met elkaar samen leefden. Omdat de mens helemaal niet alleen aan zichzelf denkt, maar er juist erg aan hecht wat anderen van hem vinden, zal de mens veelal gedrag vertonen waarvan hij hoopt dat mensen in zijn omgeving het zullen goedkeuren en gedrag nalaten waarvan hij weet dat het hem op hoon of andere vormen van afkeuring zal komen te staan. De moraal – onze opvattingen van goed en kwaad – is dus bij uitstek een sociaal product, namelijk de uitkomst van het met elkaar samen leven.

Nog altijd gaan liberalen ervan uit dat individuen niet enkel met elkaar samen leven omdat anderen ons van nut kunnen zijn, maar ook omdat wij nu eenmaal graag met anderen omgaan. In het werk, dat meer is dan een manier om geld te verdienen; het is ook het omgaan met collega’s, met klanten, met leerlingen of met wie wij zoal via het werk in contact komen. In de sport omdat wij van elkaar willen winnen maar zeker ook met elkaar willen winnen. Als vrienden, gewoon omdat het plezierig is met hen samen te zijn. En met de geliefde en het gezin, omdat veel mensen nu eenmaal meer willen dan alleen door het leven te gaan.

Zo belangrijk en vanzelfsprekend vinden liberalen het samen leven met anderen dat een van hun grote voorgangers in Nederland, Thorbecke, in de negentiende eeuw de vrijheid van vereniging en vergadering in onze Grondwet heeft vastgelegd. Vrijheid omdat we niet willen dat de overheid zich bemoeit met wat echt belangrijk in ons leven is. En het is meteen ook een gezamenlijke vrijheid van individuen, want dat samenzijn met anderen moet wel uit eigen keuze voorkomen. Dat is wat het liberale samenleven onderscheidt. En omdat het een samen met elkaar verkeren is niet omdat het moet maar omdat allen die eraan deelnemen ervoor hebben gekozen, is het ook de meest sociale wijze van samenleven.

Bedwing de Europese vraatzucht
Column
Economie
03
Mar
2020
Mar 3, 2020
Patrick van Schie
De netto-betalers onder de EU-lidstaten, zoals Nederland, houden tijdens de begrotingsdebatten de hand op de knip. Zij willen geen verhoging van de EU-begroting. Dit wekt wrevel bij andere lidstaten. Hoe terecht is dit? Directeur Patrick van Schie van de TeldersStichting meent dat de EU ook zonder verhoging over ruim voldoende financiële armslag beschikt.

Als het om geld uitgeven gaat lijkt de Europese Unie op het Duitsland van Bismarck. Daar werd de destijds belangrijkste begrotingspost, die voor militaire uitgaven, voor zeven jaar ineens aan de rijksdag voorgelegd. De militaire uitgaven moesten immers niet gehinderd worden door lastige vragen of bezwaren vanuit het parlement. De begroting voor de EU, officieel het ‘financieel kader’, wordt eveneens voor 7 jaar vastgesteld. De hele begroting wel te verstaan.

In de vaststelling van deze begroting spelen de lidstaten een beslissende rol. Eens in de zeven jaar is er een kans om de institutionele neiging tot groei aan banden te leggen. En op eigen groei – meer beleidsterreinen, meer macht, meer geld – is de EU duidelijk gericht. Hoewel de EU door de Brexit is gekrompen, stelt de Europese Commissie voor om de komende jaren méér geld uit te geven. Veel landen die likkebaardend kijken naar met name de fondsen voor landbouw en cohesie – die laatste zijn door Frits Bolkestein in de jaren negentig treffend als intra-Europese ontwikkelingshulp aangeduid – willen ook méér, in de hoop hun schatkisten met buitenlands geld te kunnen vullen.

Het is logisch dat de netto-betalers – de landen die meer gelden aan de EU afdragen dan ontvangen – daar paal en perk aan willen stellen. Samen met andere netto-betalers (Zweden, Denemarken en Oostenrijk) houdt Nederland dus de knip op de beurs. Dit heeft vorige week op de laatste EU-top wrevel gewekt. Macron schijnt Ruttes onverzettelijkheid ‘stuitend’ te hebben genoemd, Merkel vond het ‘kinderlijk’.

Ik zou zeggen: het staat Frankrijk en Duitsland vrij uit eigen kas gelden over te maken naar minder welvarende EU-lidstaten. Het gaat echter niet aan andermans geld te eisen en boos te worden als die ander daar geen trek in heeft. Stuitend is het eerder dat EU-president Michel, een Belg uit de liberale ‘familie’, Rutte arrogantie schijnt te hebben verweten. Mij ontgaat het hoe iemand die meent dat aan overheden zonder meer extra geld moet worden toegekend, denkt zich liberaal te kunnen noemen.

De Spaanse premier Sanchez, een socialist, merkte op: ‘Weet Rutte wel dat ik meer burgers vertegenwoordig dan zijn vier zuinige landen bij elkaar?’ Onze premier zal dat ongetwijfeld weten, maar zo’n opmerking geeft des te meer te denken over de heersende mentaliteit in de EU. De grote landen menen de dienst uit te kunnen maken; de kleintjes moeten zich maar schikken. Zo’n EU moet al helemaal niet machtiger worden gemaakt dan zij al is. En ook voor Sanchez geldt: als hij, en zijn land, zo’n grote jongen is, dan moet hij zijn eigen broek toch kunnen ophouden en niet van die ‘kleintjes’ afhankelijk (willen) blijven.

De beslissingen over de EU-begroting voor de volgende jaren is doorgeschoven; de druk op Nederland en zijn bondgenoten zal wel worden opgevoerd. Er is geen enkele reden daaronder te bezwijken. Als Nederland nee blijft zeggen, wordt de begroting niet verhoogd. Indien er voor 2021 geen unaniem besluit valt om de begroting 2021-2027 te verhogen, moet de EU voortgaan met de huidige budgetten. Mij dunkt blijven er ook dan nog meer dan genoeg uitgaven over waarvan de gelden zinniger hadden kunnen worden besteed.

Gekwetstheid verdragen
Column
Veiligheid
01
Jan
2020
Jan 27, 2020
Klaas Dijkhoff, fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer, schreef voor ons liberaal journaal over tolerantie (december) een bijdrage. Volgens Dijkhoff hoort bij de deugd van verdraagzaamheid dat je leert omgaan met het feit dat je in een vrije samenleving gekwetst kunt worden.

Waren het vroeger alleen kinderen die met angst en beven wachtten op de komst van Sinterklaas, dat geldt inmiddels ook voor een hoop volwassenen. Het is immers de periode waarin inmiddels de discussie over Zwarte Piet weer standaard losbarst. Een voorbeeld van een gesprek dat niet meer op normale toon gevoerd (b)lijkt te kunnen worden. Waarin verdraagzaamheid voor elkaars standpunten, of voor het níet hebben van een expliciet standpunt, ver te zoeken is. Waarin het concept verdraagzaamheid zelfs verwrongen wordt en gebruikt om die niet te hoeven tonen.

Wat een gesprek zou moeten zijn over de vraag hoe we onze tradities vormgeven, welke gevoelens mensen daarbij hebben en of we samen een nog mooier feest kunnen hebben als we in sommige omgevingen wat elementen aanpassen, is veranderd in een strijdtoneel. Een strijd waarin geen neutraliteit geaccepteerd wordt. Waarin de eigen gekwetstheid een vrijbrief is om anderen te beschuldigingen en hen motieven als racisme toe te dichten als men niet meteen de gekwetste het grootste gelijk van de wereld geeft en excuses aanbiedt.

Verkramping van onze maatschappij

Dit tragische fenomeen zien we niet alleen bij Zwarte Piet. Historische verwijzingen, meningen en zelfs al dan niet smaakvolle grappen liggen onder vuur. Een onwenselijke verkramping van onze maatschappij onder de noemer van politieke correctheid en identiteitspolitiek.

Het midden komt niet aan het woord, je moet gelijk een kant kiezen. Op deze manier zijn het de extreme flanken die de discussie kapen. Zij kapen dat omdat zij in het gunstige geval zelf onverdraagzaam zijn en niet aangesproken worden op hun verantwoordelijkheid in de samenleving om verdraagzaamheid te tonen. In het ongunstigste geval verwijten zij anderen onverdraagzaam te zijn omdat ze niet dezelfde mening hebben. Het feit dat men zelf gekwetst is voert men aan als kwade intentie van de anderen. ‘Ik ben gekwetst en wie dat niet wegneemt verdraagt mij niet.’

Tegen een stootje kunnen

Terwijl de deugd of zelfs burgerplicht van verdraagzaamheid betekent dat de gekwetste veel moet verdragen. Dat je leert omgaan met het feit dat je in een vrije samenleving gekwetst kunt worden, dat je tegen een stootje kunt en dat verdraagt. Je hebt natuurlijk het recht je gekwetst te voelen, maar dat je je gekwetst voelt geeft je verder geen rechten. Verdraagzaamheid betekent dat je het in al je gekwetstheid verdraagt. Niet dat je de ander onverdraagzaam noemt en eist dat je niet gekwetst wordt. Je gekwetstheid is geen bewijs van schending van verdraagzaamheid. Je hoeft natuurlijk niet lijdzaam toe te kijken, je hebt de vrijheid en de mogelijkheid jouw mening ernaast te leggen. Je mag aangeven dat je gekwetst bent en de ander vragen of die dat beseft. In een verdraagzaam en vrij land is de kans groot dat er rekening mee gehouden wordt.

In een vrij land verdragen we veel. Dingen die we zelf onzin vinden, waar we geen behoefte aan hebben, die ons wellicht zelfs kwetsen. Hoe pijnlijk het ook kan zijn, hoe terecht het ook kan zijn als we meer rekening houden met iets of zelfs een traditie aanpassen: de gekwetstheid van een kleine groep, maar ook die van een grote groep, kan niet leidend zijn voor wat in ons land wel en niet kan.

Het demonstratierecht is er niet om selectief in te shoppen
Column
Veiligheid
01
Jan
2020
Jan 27, 2020
Het liberaal journaal dat rond Kerst bij vrienden van de TeldersStichting op de mat viel, heeft tolerantie als thema. Maartje Schulz, wetenschappelijk medewerker bij de TeldersStichting, verdedigt in dit journaal het recht op demonstratie in het licht van verdraagzaamheid. 'Juist als het schuurt is het van belang dat de staat het demonstratierecht hoog houdt. Het recht om te demonstreren staat namelijk per definitie onder druk van mensen die zich aan een demonstratie storen.'

Kick Out Zwarte Piet die demonstreert tijdens de Sinterklaasintocht, anti-abortus-activisten die voor een abortuskliniek staan, en Pegida die telkens pal tegenover een moskee wil demonsteren. ‘Moet dat nu echt op dát moment en op díe plek?’ Het antwoord: ja, dat moet kunnen. Juist als het schuurt is het van belang dat de staat het demonstratierecht hoog houdt. Het recht om te demonstreren staat namelijk per definitie onder druk van mensen die zich aan een demonstratie storen.

Demonstreren doe je niet als iedereen het al met je eens is

Want demonstreren doe je doorgaans niet als iedereen het al fijn met je eens is. Nee, je demonstreert als je meent dat jouw positie wordt miskend door de maatschappij of politiek. Het is dan ook niet vreemd dat er vaak verzet is tegen groepen die willen demonstreren; ze gaan immers vaak tegen de stroom in. Om ook de uitingsvrijheid van mensen met onwelgevallige meningen te beschermen, is het demonstratierecht van belang. Zonder demonstratierecht kunnen minderheidsstandpunten de kop in worden gedrukt. En als er geen minderheidsstandpunten kunnen worden ingenomen is er geen vrijheid, maar een zogenoemde tirannie van de meerderheid.

Het is ook logisch dat demonstranten een plek uitkiezen waar ze impact hebben. Voor een anti-Zwarte-Piet-activist is dat bij de intocht. Als je tegen de Islam wilt demonstreren, doe je dat het liefst bij een moskee. Tegen abortus? Dan ga je naar een abortuskliniek. Als je dan naar een achteraflocatie wordt gestuurd, kun je in feite je recht niet halen, want niemand van belang die je ziet. Juridisch gezien werkt het ook zo: in principe hebben demonstranten het recht om zelf de plaats en het tijdstip van hun betoging te kiezen. Op autoriteiten rust de inspanningsverplichting om een demonstratie plaats te kunnen laten vinden binnen gezichts- en geluidsafstand van het object waartegen zij zich richt.1

Niet altijd prettig voor de toehoorder

Dat is niet altijd prettig voor de toehoorder. Iemand die naar een abortuskliniek gaat, zit waarschijnlijk niet te wachten op protestborden met een foetus. Maar bij een functionerende democratie, waar diverse opinies kunnen leven, hoort ook een weerbare burger die het kan accepteren dat er andere opvattingen zijn dan die hij of zij zelf heeft. Ook al zijn die opvattingen voor diegene schokkend, kwetsend of verontrustend.

Het wordt natuurlijk een ander verhaal als een activist de toegang tot een abortuskliniek blokkeert of na een duidelijk ‘laat me met rust’ iemand toch hinderlijk blijft volgen, of zelfs iemand zou bedreigen. Dan raak je aan juridische grenzen. Maar demonstreren mag, en iemand aanspreken ook.

Demonstreren lijkt vooral heilig als het iemands eigen doel promoot

Helaas wordt het demonstratierecht meestal niet op deze fundamentele manier benadrukt in het publieke debat. Demonstreren lijkt vooral heilig als het iemands eigen doel ondersteunt, en wat minder als het een doel betreft waar diegene het mee oneens is. Voorstanders van KOZP bepleiten luidkeels hun demonstratierecht, maar doen vaak niet hetzelfde voor Pegida. Lilliane Ploumen loopt zelf graag mee in een vrouwenmars, maar gunt anti-abortus activisten niet dat ze bij een kliniek van hetzelfde demonstratierecht gebruik kunnen maken.

Uit onderzoek van Het College voor de Rechten van de Mens blijkt ook dat Nederlanders hun steun voor het laten plaatsvinden demonstratie laten afhangen van het gegeven of zij het doel van de demonstratie steunen. Zo vond 69 procent van de ondervraagden een demonstratie van docenten in het basisonderwijs (zeer) acceptabel en vond nagenoeg hetzelfde percentage, te weten 68 procent, de geplande demonstratie tegen Zwarte Piet in Dokkum (zeer) onacceptabel.

Zijn er nog mensen fundamenteel vóór het demonstratierecht?

Dit staat natuurlijk haaks op het principe dat het al dan niet toestaan van een demonstratie niet gebaseerd mag zijn op de inhoud van een demonstratie. In Nederland kan de burgemeester een demonstratie slechts beperken op drie gronden: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Dat laatste criterium wordt overigens vaak te licht bezien, zo concludeerde de Nationale Ombudsman in 2018. Hij kwam tot de conclusie dat de overheid ‘risicomijdend’ gedrag vertoont. Dat risicomijdende gedrag kun je herkennen als een politicus of burgemeester zoiets zegt als: ‘Het demonstratierecht is heel belangrijk, maar…’. Dan weet je vaak al hoe laat het is.

Het roept de vraag op: zijn er nog mensen fundamenteel vóór het demonstratierecht, ook al komt het niet goed uit of hebben ze een hekel aan de ideologie van de demonstranten? Het demonstratierecht is er namelijk niet om selectief in te shoppen.

1. Dat concluderen rechtsgeleerden Berend Roorda en Jan Brouwer, in het artikel ‘Demonstratievrijheid en bufferzones bij abortusklinieken’ (2019)

'Dat heb gestaan op Facebook'
Column
Veiligheid
02
Feb
2020
Feb 25, 2020
Wilbert Jan Derksen
Wat doen sociale media met onze onderlinge verdraagzaamheid, vraagt wetenschappelijk medewerker van de TeldersStichting Wilbert Jan Derksen zich af in deze column uit het liberaal journaal over tolerantie.

Verdraagzaamheid gaat over samenleven. Het definieert de absolute ondergrens van het gedrag dat wij als maatschappelijk toelaatbaar zien binnen dit samenleven. Met de komst van social media leven we nu ook online samen. Maar in welk opzicht verschilt het online en offline samenleven precies en wat betekent dit voor onze onderlinge verdraagzaamheid?

De titel van dit stuk verwijst naar een viral-gegaan interview-videofragment waar een vrouw haar overtuiging dat asielzoekers praktisch bij aankomst en met voorrang op de autochtone Nederlander een baan aangeboden krijgen, onderbouwde met: ‘Dat heb gestaan op Facebook’. Net zoals deze mevrouw zijn er genoeg andere mensen die hun opinie vooral baseren op wat ze zien op social media. Het is voor veel mensen dan ook hun primaire nieuwsbron geworden.  

Sensatie en clickbait

Social media heeft het maken en verspreiden van content extreem makkelijk gemaakt. Door een overvloed aan aanbod is het nieuws sensationalistischer geworden en wordt er vaak gebruik gemaakt van clickbait om zo lezers te lokken en reclame-inkomsten te genereren. De ongecontroleerde aard van social media maakt het daarnaast ook zeer gemakkelijk om fake newste verspreiden. Vaak door ‘internet trollen’ die erop uit zijn om mensen te provoceren, maar soms ook door buitenlandse regeringen om zo de publieke opinie te beïnvloeden en de politiek te sturen.  

Daarnaast wordt content op social media door middel van algoritmen gepersonaliseerd op basis van de voorkeuren van de gebruiker. Hierdoor ontstaat er een ‘echo-effect’ of ‘informatiebubbel’ waarbij mensen minder snel met ideeën en meningen geconfronteerd worden die zij af zouden keuren. Vooral voor mensen die social media als voornaamste nieuwsbron gebruiken betekent dit dus dat zij zeer eenzijdige berichtgeving ontvangen, om nog maar te zwijgen over de betrouwbaarheid van veel van deze bronnen. Samenzweringstheorieën vieren vandaag de dag dan ook hoogtij mede dankzij deze selectieve vorm van informatievoorziening.

Anonomiteit in het online publieke debat

Ook het publieke debat wordt tegenwoordig veelal online gevoerd, waarbij opvalt dat de emotie het vaak wint van de ratio. ‘De wet van Godwin’ stelt dat hoe langer een discussie op het internet duurt, hoe groter de waarschijnlijkheid wordt dat een vergelijking met Hitler en de Holocaust getrokken wordt. Dit geeft aan hoe snel een online discussie kan ontsporen en dan vaak resulteert in zware overdrijvingen en ordinaire scheldpartijen. De anonimiteit van een grote groep – of een nepaccount – geeft mensen tevens het gevoel te kunnen doen en laten wat ze willen. Cyberpesten is hier een goed voorbeeld van, maar ook serieuze doodsbedreigingen zien we regelmatig online.

En eenzelfde soort groepsproces zien we terug bij zogenaamde internet heksenjachten, waar de internetgemeenschap op social media het recht in eigen handen neemt en individuen aan de hand van compromitterende berichten, foto’s of video’s aan de digitale schandpaal genageld worden, zonder dat de desbetreffende persoon überhaupt de kans krijgt zichzelf te verdedigen. Talloze carrières, relaties en levens zijn al op deze manier door boze online menigtes verwoest. Vooral mensen met een belangrijke en publieke functie zijn hier vaak het haasje. Een digitaal voetspoor die jaren teruggaat bevat al snel belastende informatie.

Sociale media is wat mensen er zelf van maken

Tegelijkertijd moet men wel beseffen dat social media slechts een platform is, in de zin dat het niet inherent goed of slecht voor onze onderlinge verdraagzaamheid is. Social media is wat mensen er zelf van maken en wij kunnen niet de verantwoordelijkheid voor het verschijnen van maatschappelijk onwenselijk gedrag online bij bedrijven als Facebook en Twitter leggen (tenzij het gaat om oproepen tot geweld, criminele activiteiten, etc.). Dat kan namelijk alleen maar resulteren in censuur.  

Hoewel social media mensen ook op een positieve manier met elkaar in verbinding kan brengen kan gezegd worden dat het vooral het collectieve onderbuikgevoel binnen de samenleving versterkt heeft, iets wat niet ten goede is gekomen van de wederzijdse verdraagzaamheid. Inzicht in deze onderliggende dynamieken bij het gebruik van social media kan verantwoordelijk gebruik stimuleren, iets wat hopelijk bij de komende generaties steeds beter zal gaan, maar waar wij ons bovenal serieus voor in moeten gaan zetten door middel van bewustwording en voorlichting.

Een echte liberaal heeft verdraagzaamheid niet als apart beginsel nodig
Column
Democratie & Rechtsstaat
03
Mar
2020
Mar 10, 2020
Patrick van Schie
In deze column betoogt directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie dat 'verdraagzaamheid' best uit de Beginselverklaring (2008) van de VVD geschrapt had mogen worden. Lees hier waarom. Deze column maakt deel uit van ons liberaal journaal over tolerantie (2019).

‘Verdraagzaamheid’ maakte niet vanaf het begin expliciet deel uit van de beginselen van de VVD. Pas in 1966, achttien jaar na de oprichting van de partij, werd het aan de drie oorspronkelijke beginselen (vrijheid, verantwoordelijkheid, sociale gerechtigheid) toegevoegd. Het is sindsdien behouden, zij het dat in de Beginselverklaring van 2008 ‘individuele vrijheid’ en ‘verantwoordelijkheid’ als ‘hoofdbeginselen’ zijn aangeduid.

Verdraagzaamheid ligt al besloten in serieus genomen vrijheidsbeginsel

Mijns inziens is die rangorde in 2008 terecht aangebracht. Sterker, verdraagzaamheid als zelfstandig liberaal beginsel had wat mij betreft wel geschrapt kunnen worden. Niet omdat ik onverdraagzaamheid zou willen bepleiten, zeer zeker niet, maar omdat verdraagzaamheid al ligt besloten in een serieus genomen vrijheidsbeginsel.

De individuele vrijheid die liberalen voorstaan geldt immers niet alleen voor de ‘ik’ maar voor alle individuen. Wie individuele vrijheid als politiek beginsel vooropstelt verlangt dat deze ook aan de ander toekomt. Ieder individu heeft een gelijk recht op vrijheid, de een niet meer dan de ander. Dat is een vorm van gelijkheid – juridisch vertaald in gelijkheid voor de wet – die alle liberalen (behoren te) onderschrijven.

Het erkennen dat een ander evenveel recht op vrijheid heeft als jijzelf, impliceert dat die ander geheel eigen keuzes kan en mag maken. Die keuzes zullen soms, of misschien wel vaak, anders zijn dan de jouwe. Het kunnen ook keuzes zijn die je zelf verafschuwt. Het maken van zulke, in de ogen van de een verwerpelijke keuzes, is volkomen geoorloofd mits het keuzes voor het eigen leven betreft en ze een ander niet in zijn of haar vrijheid beperken. Dit is John Stuart Mills fameuze schadebeginsel. Vrijheid wordt pas begrensd als een ander door iemands handelingen schade ondervindt.

Die vrijheid van de ander om heel andere keuzes te maken, een heel ander leven te leiden dan jij zelf voor goed houdt, is wat met verdraagzaamheid wordt beoogd. Maar het perspectief van de individuele vrijheid – hier gehanteerd in de voor alle liberalen essentiële vorm van vrijwaring van inmenging van buiten (‘negatieve vrijheid’, in de politieke filosofie) – legt de bal waar hij hoort: bij het individu om wiens leven het gaat, die zijn eigen keuzes in het leven maakt. Het perspectief van verdraagzaamheid legt daarentegen de bal bij de ander, een burger of een gezagsdrager, die ‘duldt’ dat het individu zijn eigen keuzes maakt. Principieel valt er voor een liberaal echter niets te ‘dulden’; elk individu komt die vrijheid gewoon toe.

Een liberale staat die een bepaalde gedraging tolereert is een contradictio in terminis

Voor liberalen gaat een gezagsdrager of medeburger die aan deze basisvrijheid van elk individu wil tornen zijn boekje te buiten; niet het individu dat van deze vrijheid gebruik maakt. In die zin valt er niets te ‘tolereren’; de veronderstelling dat dit wel zo zou zijn is eigenlijk nogal hooghartig. Een liberale staat die een bepaalde gedraging tolereert is een contradictio in terminis, want het zou een staat zijn die sommige gedragingen als beter beoordeelt dan andere, en die het laatste type slechts duldt. Zo’n staat is niet liberaal. Een liberale staat oordeelt niet over handelingen van alle verschillende burgers, zolang zij elkaar er maar niet mee in de weg zitten. Een liberale staat is neutraal.

Belemmeren iemands handelingen anderen wel, dan kan het zijn dat er wetgeving moet komen. En wetten moeten worden gehandhaafd. Gedogen van onwettige handelingen komt neer op het toestaan dat de een vrijheid bij de ander wegneemt. Daar is niets goeds aan; in zo’n geval passief blijven is het verzaken van staatsplicht.

Dat de staat handelingen van burgers die geen schade veroorzaken niet mag afkeuren, laat onverlet dat burgers elkaars handelingen mogen afkeuren. Zij mogen die ander alleen niet van zijn handelingen afhouden. Verdraagzaamheid betekent derhalve niet dat ik alles moet toejuichen of goedkeuren wat anderen doen. Tegenwoordig wordt dit nogal eens vergeten. Ik heb en houd het recht om wat een ander doet of vindt hardgrondig te verfoeien. Zou ik dat niet meer mogen, dan gaat mijn vrijheid teloor. Een recht op erkenning of instemming door anderen kan niet bestaan. Het zou onverdraagzaamheid vestigen, en dat nog wel onder de valse vlag van ‘verdraagzaamheid’.

Corona is blamage voor China
Column
Binnenland
03
Mar
2020
Mar 9, 2020
Wilbert Jan Derksen
Het coronavirus heeft Nederland bereikt. Had dit voorkomen kunnen worden? Wetenschappelijk medewerker Wilbert Jan Derksen meent dat China heeft gefaald in de cruciale beginfase van deze crisissituatie vanwege zijn autoritaire politieke systeem.

Het SARS-CoV-2-virus, beter bekend als het coronavirus, duikt op steeds meer verschillende plekken in de wereld op. Een mondiale pandemie lijkt met de dag waarschijnlijker. De kiem van de uitbraak ligt in de Chinese stad Wuhan, waar vorig jaar december de eerste besmettingen werden vastgesteld. Lokale dokters kregen al snel door dat het hier mogelijk om een nieuwe variant van het SARS-virus ging, maar hun waarschuwingen belandden in de doofpot. In deze cruciale fase kreeg het virus daarmee vrij spel zich te verspreiden over de provincie, over het land en nu over de hele wereld. De kans om de besmettingsketen in een vroeg stadium af te kappen werd hiermee grandioos verspeeld.

Blinde vlek

Hoe is het mogelijk dat de surveillancestaat China een dergelijke uitbraak niet heeft kunnen voorkomen? De vorige SARS-uitbraak in 2002-2003 zou toch immers nog tamelijk vers in het geheugen gegrift moeten staan van de Chinese Communistische Partij (CCP). Een autoritair land als China zou toch de daadkracht moeten hebben om effectief op te treden in een dergelijke crisissituatie. Of is er sprake van een blinde vlek in het alziende oog van de Chinese overheid?

Dokter Li Wenliang berichtte eind december zijn collega’s over zijn bevindingen die wezen op een mogelijke nieuwe SARS-uitbraak. Toen dit bericht viral (onbedoelde woordspeling) ging, werd de dokter gearresteerd en gedwongen een schulderkenning voor opruiing en verstoring van de openbare orde te ondertekenen. Ook andere burgers, medici en journalisten die over het virus berichtten kregen een bezoekje van de lokale autoriteiten. Het openbaar bestuur van Wuhan probeerde berichtgeving over de uitbraak te censureren. Pas toen het aantal bekende besmettingen exponentieel toe begon te nemen, werd er actie ondernomen. Dokter Li Wenliang stierf uiteindelijk zelf aan de gevolgen van het coronavirus.

Tsjernobyl

Er is hier een interessante parallel te trekken met de kernramp in Tsjernobyl (1986). Ook hier ging het om een autoritair regime die incapabel bleek te zijn in het managen van een crisissituatie. Nadat de kernreactor explodeerde en een radioactieve wolk zich over het Europese continent begon te verspreiden poogde het Sovjetregime het incident en de ernst hiervan verborgen te houden voor de rest van de wereld. Het bevel voor evacuatie van de inwoners in omringende gebieden liet daarnaast lang op zich wachten, omdat berichtgeving over het incident in eerste instantie werd verdoezeld voor de partijtop door de lokale bestuurders. Niemand in de Sovjethiërarchie durfde verantwoordelijkheid te nemen voor de ramp, en kostbare tijd ging daarmee verloren.

Maar ook in China’s eigen geschiedenis is een soortgelijk voorbeeld te bedenken. Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1961) werd ook informatie gemismanaged. Het rampzalige agrarische beleid van Mao leidde tot een enorme daling in graanproductie, maar de lage oogst werd verzwegen door ambtenaren uit angst voor politieke represailles. In plaats daarvan werden graanproductiecijfers gepresenteerd die wel aan de vastgestelde quota’s voldeden. Een hongersnood was het gevolg en tientallen miljoenen Chinezen moesten de Grote Sprong Voorwaarts met de dood bekopen.

Gebrek aan transparantie

Een adequate afhandeling van een crisissituatie vraagt om de transparantie. Maar het is juist dit gebrek een transparantie en de noodzaak om informatiestromen te beheersen waar het Chinese model op is gefundeerd. Een inherente perverse prikkel in een eenpartijstaat is om slecht nieuws te verbergen of te verbloemen wanneer hier mogelijk negatieve economische of politieke consequenties aan verbonden zijn. Dit was bij de autoriteiten in Wuhan ook het geval. Daarnaast zorgt de gigantische en strikt hiërarchische bureaucratie ervoor dat dergelijke informatie zeer langzaam of soms zelfs helemaal niet de partijtop bereikt. Dit is funest in een acute crisissituatie die vraagt om onmiddellijke maatregelen op landelijke schaal.

Een autoritair regime kan dan misschien daadkrachtiger optreden in een crisissituatie dan een democratisch land, maar dit betekent weinig tot niets wanneer de noodzaak van een dergelijk optreden pas in een te laat stadium duidelijk wordt.

Hoe staat het met onze verdraagzaamheid?
Column
Internationaal
01
Jan
2020
Jan 9, 2020
Het liberaal journaal dat rond Kerst bij vrienden van de TeldersStichting op de mat viel, heeft tolerantie als thema. Kees van der Staaij, Tweede Kamerlid en fractievoorzitter van de SGP, schreef voor ons een bijdrage. Hoe staat het eigenlijk met onze verdraagzaamheid, vraagt hij zich af.

Nederland is een land van monitors. Of het nu gaat om duurzaamheid, integriteit of veiligheid, het wordt met een monitor in de gaten gehouden. Maar hoe staat het eigenlijk met onze verdraagzaamheid? Ik ben nog geen verdraagzaamheidsmonitor tegengekomen. Toch zou het interessant zijn juist op dit punt de thermometer eens in onze samenleving te steken.  Hoe staat het eigenlijk met onze verdraagzaamheid en wat zijn hierbij onmisbare ijkpunten?

Sijpelt de verdraagzaamheid weg?

Verdraagzaamheid is onmiskenbaar een belangrijke karaktertrek in de Nederlandse cultuur en geschiedenis. De Unie van Utrecht bepaalde al in 1579 dat niemand vanwege zijn religie mocht worden vervolgd of bestraft. We zijn wat dat betreft met elkaar door schade en schande wijs geworden. We gaan elkaar niet meer te lijf als we het radicaal met elkaar oneens zijn. Ook is overheidsdwang en strafrechtelijke vervolging in gewetenszaken ongepast. Toch bekruipt me soms het gevoel dat de door veel strijd vergaarde wijsheid aan het wegsijpelen is. In politiek en samenleving is met name de omgang met seksuele diversiteit een lakmoesproef geworden.

Het lijkt erop dat in de Grondwet een nieuwe zorgplicht voor de regering is geslopen: opvattingen over seksualiteit zijn een voorwerp van aanhoudende zorg van de regering. In opdracht van het kabinet ontwikkelde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)  zelfs een meetlat voor de opvattingen van burgers. Wie zich uitspreekt voor afschaffing van het homohuwelijk is volgens het SCP inmiddels van de verkeerde kant, terwijl veel liberalen rond het jaar 2000 nog bedenkingen hadden bij het homohuwelijk. De vrijheden van meningsuiting, godsdienst en onderwijs zijn niet langer een vanzelfsprekend hitteschild rond de private sfeer tegenover opvattingen van de meerderheid. En dat is paradoxaal genoeg aan de orde in een rechtsstaat met christelijke wortels.

Bescherming van de private sfeer is hoeksteen van liberalisme

De bescherming van de private sfeer, zowel voor individuen als collectieven, is in de geschiedenis van het liberalisme een hoeksteen. De politiek filosoof John Locke verwoordde dit krachtig in zijn bekende Brief over tolerantie. De brief werd overigens tijdens zijn Hollandse ballingschap in Gouda gedrukt omdat de grond Engeland te heet onder de voeten werd. Locke benadrukte op grond van Bijbelteksten dat (godsdienstige) overtuigingen zich niet met geweld laten afdwingen. Het is niet alleen onmogelijk, maar het kan de samenleving ook onleefbaar maken. Zijn pleidooi heeft ook een seculariserende samenleving veel te zeggen. Het betekent bijvoorbeeld dat de overheid evenmin aan moderne meerderheidsopvattingen een juridische superstatus mag geven die private vrijheden beknelt.  

Aansprekend in de brief van Locke vind ik waar hij de grens voor verdraagzaamheid trekt. Naast het afzien van geweld is voor hem een kernvraag of burgers een basale loyaliteit hebben aan de (politieke) gemeenschap waarin zij leven. Kunnen we elkaar vertrouwen of is er sprake van een dubbele agenda?  Als onderdanen het gezag van de sultan in Constantinopel of de paus in Rome in wereldse zaken hoger aanslaan dat dat van de overheid, zo stelde Locke, heeft de samenleving een fundamenteel probleem. Dat is ook precies het punt waarover de Tweede Kamer vandaag zorgen heeft over salafisme en buitenlandse financiering.  Van burgers mogen we een basale loyaliteit aan de democratische rechtsorde verwachten. Met dat perspectief van Locke zijn grote ongemakken niet ineens verdwenen. Dat kan ook niet, want verdraagzaamheid werkt pas wanneer het spannend wordt. We voorkomen wel dat verdraagzaamheid steeds verder wordt uitgehold door fixatie op bepaalde grondrechten.

'De diepste bron voor vedraagzaamheid vind ik in de Bijbel zelf'

In aansluiting op de tentoonstelling in het Catharijneconvent kan ik een uitstapje naar de Biblebelt niet laten. Welke kritiek je ook op de Biblebelt kunt leveren, het gebied staat niet bekend om oproer, vernieling en gebrek aan gemeenschapszin. Toch wil ik niet eindigen in de Biblebelt als voorbeeld voor de nog te ontwikkelen verdraagzaamheidsmonitor. De diepste bron voor verdraagzaamheid vind ik in de Bijbel zelf. Als God het met een ieder van ons, met al onze persoonlijke gebreken, zonden en onhebbelijkheden, nog blijft uithouden, hebben we dan niet voldoende reden om elkaar ook te blijven verdragen?

Vedraagzaamheid en gedogen
Column
Binnenland
01
Jan
2020
Jan 6, 2020
Het liberaal journaal dat rond Kerst bij vrienden van de TeldersStichting op de mat viel, heeft tolerantie als thema. Frits Korthals Altes leverde hiervoor een bijdrage. Hij is jurist en Minister van Staat, en vervulde diverse politieke functies, waaronder die van minister van Justitie. In dit stuk gaat hij in op het Nederlandse gedoogbeleid. Volgens Korthals Altes heeft gedogen niet zoveel te maken met de liberale deugd van verdraagzaamheid.

Van oudsher behoort verdraagzaamheid voor liberalen tot de onverbrekelijke trits Vrijheid, Verantwoordelijkheid en Verdraagzaamheid, die samen met sociale gerechtigheid de grondslag vormt van het liberale gedachtengoed. De verbinding tussen vrijheid en verdraagzaamheid gaat echter verder terug dan de in de negentiende eeuw ontstane politieke stroming van het liberalisme. In onze geschiedenis verlangde Willem van Oranje als stadhouder dat de vorst de bewoners van de lage landen vrijheid van godsdienst zou geven opdat zij hun geweten konden volgen en hun godsdienst volgens de hervormde leer van Luther of Calvijn konden belijden. De vorst handhaafde echter de legering van Spaanse troepen, waardoor de inquisitie de ketters kon blijven vervolgen. Het zaad van de Opstand ontkiemde en de strijd om de vrijheid begon.

De geboorte van het Nederlandse gedogen

De door Willem van Oranje bepleitte verdraagzaamheid tegenover de hervormde leer bleek overigens niet door de volgelingen van die leer zelf te worden onderschreven of geëerbiedigd. In de Republiek die tijdens de Opstand werd gevormd, werd na verloop van tijd de op de leer van Calvijn berustende belijdenis leidend en andere vormen van christelijke geloofsbeleving waren niet toegelaten. Toch werden de rooms-katholieke liturgie en remonstrantse en doopsgezinde erediensten oogluikend toegelaten. Men wist van het bestaan van schuilkerken, maar de daarin gehouden godsdienstoefeningen werden gedoogd. Door sommigen wellicht uit verdraagzaamheid, door anderen vermoedelijk uit oogpunt van opportuniteit. Het Nederlandse begrip gedogen, het toelaten – al dan niet oogluikend maar in elk geval niet onwetend – was geboren. Het zal een lang leven beschoren zijn en ik ben geneigd dit leven soms als hardnekkig te kwalificeren.

Aanvankelijk blijft een waarneembare relatie bestaan tussen gedogen en verdraagzaamheid ten aanzien van opvattingen die afwijken van de heersende leer. Ik doel op de situatie die ontstond toen de vrijwillige lijkverbranding als nieuwe vorm van lijkbezorging naast de wettelijk geregelde begrafenis opkwam. Deze nieuwe vorm werd door de overheid gedoogd, maar aanvankelijk allerminst goedgekeurd, getuige de barrières die in 1955 genomen moesten worden om crematie een wettelijk geregelde plaats naast begrafenis te bezorgen in de toenmalige Begrafeniswet. VVD-fractievoorzitter Oud klom ervoor op de barricaden.

Gedogen werd destijds niet zonder reden in verband gebracht met verdraagzaamheid. Wanneer het ging om zaken van geestelijke vrijheid was verdraagzaamheid de aanleiding om toe te laten, te gedogen wat in strijd was met de heersende leer.

Er is echter een groot verschil tussen het gedogen van gedrag dat in strijd komt met de heersende leer, zoals ten tijde van de Republiek het geval was, en het toelaten van gedrag dat in strijd is met een wet die tot stand gekomen is in een democratische rechtsstaat als de onze heden ten dage is. Gelijkheid van eenieder voor de wet is in een democratische rechtsstaat een leidend beginsel en vormt bij ons de aanhef van de Grondwet door de bepaling in artikel 1: Allen die zich in Nederland bevinden worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Dit geldt voor de gevallen waarin de wet faciliteiten biedt, het geldt ook bij wettelijke ge- en verboden, waaronder gedragingen waarop de wetgever een strafsanctie heeft gesteld. Bij deze laatste categorie speelt de afweging of sprake is van een gelijk geval een belangrijke rol. Geen geval is volledig identiek met het andere en de specifieke omstandigheden (waaronder de persoonlijke omstandigheden en de persoonlijkheid van de verdachte) spelen bij de beoordeling een belangrijke rol. Dat kan met zich brengen dat het Openbaar Ministerie al in de fase waarin strafvervolging wordt overwogen en voorbereid tot de conclusie komt dat het in een specifiek geval niet opportuun is de strafvervolging voort te zetten en daarom vóór de strafzitting te besluiten tot niet verdere vervolging.

Dit opportuniteitsbeginsel geeft het Openbaar Ministerie de ruimte om op gronden aan het algemeen belang ontleend de strafvervolging te beëindigen. Deze beleidsvrijheid bestaat niet in elke democratische rechtsstaat. In de Bondrepubliek Duitsland geldt het legaliteitsbeginsel, dat de verplichting inhoudt elke strafzaak die ter kennis van de politie komt aan het oordeel van de rechter te onderwerpen.

Om misverstand te voorkomen: het beschreven opportuniteitsbeginsel heeft niets te maken met verdraagzaamheid of gedogen. Het gaat om gronden die zijn ontleend aan algemeen belang. In het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw nam het gebruik van verdovende middelen – tot dan toe een in ons land slechts sporadisch voorkomend verschijnsel – toe. Het gebruik, vooral van cannabisproducten, nam in delen van de samenleving hand over hand toe en behoorde in bepaalde kringen tot de groepscultuur. Cannabisproducten werden openlijk aangeprezen, zelfs wekelijks op zaterdagmiddag in een radioprogramma van een omroep waarvan de politieke stroming waarmee zij verwant was in het verleden verdienstelijk was opgetreden bij de bestrijding van alcoholmisbruik.

De Opiumwet verbiedt en stelt strafbaar het vervaardigen, vervoeren, verhandelen, telen, be- en verwerken, in- en uitvoeren en het aanwezig hebben – kortom alles behalve consumeren (maar zonder aanwezigheid lijkt me dat lastig). Daarbij wordt met betrekking tot de strafmaat onderscheid gemaakt tussen middelen op lijst I en op lijst II, maar het verbod is in beide gevallen op dezelfde ruime wijze omschreven. Al in 1912 kwam een eerste internationaal verdrag tot stand om ter bescherming van de volksgezondheid wereldwijd de teelt of productie en de verspreiding van verdovende middelen tegen te gaan. De Opiumwet en de daarin opgenomen verbods- en strafbepalingen is het uitvloeisel van sinds 1925 onder auspiciën van de Volkenbond en later van de Verenigde Naties gesloten internationale verdragen met wereldwijde gelding.

In 1976 besloten de eerstverantwoordelijke minister, die van Volksgezondheid (zij was ook de moeder van degene die in het wekelijkse radioprogramma de prijzen van de cannabisproducten bekend maakte), en de minister van Justitie het voorhanden hebben en de verkoop van kleine hoeveelheden voor eigen gebruik van op lijst I voorkomende cannabisproducten niet langer strafrechtelijk te vervolgen. Deze vervolgingsrichtlijn werd vastgelegd door een besluit van de procureurs-generaal, die ieder in hun eigen ressort de hoogste autoriteit waren van het met strafvervolging belaste orgaan, het Openbaar Ministerie. Dit besluit tot niet-vervolging van een hele categorie van bij de wet strafbaar gestelde feiten berustte op het opportuniteitsbeginsel. Het werd om redenen aan het algemeen belang ontleend dus niet langer opportuun geacht het wettelijk verbod tot aanwezig hebben en verkoop te handhaven als het zou gaan om kleine hoeveelheden voor eigen gebruik.

Het is duidelijk dat hier sprake was (en nog is) van gedogen. Maar dit gedogen berust niet op de liberale deugd van verdraagzaamheid, maar op strafrechtpolitieke opportuniteit. Toch hoort men vaak dat het Nederlandse beleid tolerant zou zijn. Dit is toch iets anders dan verdraagzaam. Tolerantie is een ruimer begrip en heeft meer betekenissen dan alleen verdraagzaamheid. In technische zin betekent tolerantie een aanvaarde afwijking van de norm. In die technische zin zou men het algemeen geldende besluit strafbare feiten die binnen een bepaald marge (kleine hoeveelheid voor eigen gebruik) afwijken van de wettelijke norm (verbod van handel en aanwezig hebben) als tolerantie kunnen betitelen. Dus niet als verdraagzaamheid. In Angelsaksische landen en door degenen die zich bedienen van het daar geldende spraakgebruik wordt gesproken over permissiveness of wat zou passen in een permissive society. Maar ook permissive is niet hetzelfde als verdraagzaam. De gevoelswaarde is eerder die van toegeeflijkheid.

Gedogen uit onmacht

Het hedendaagse gedogen is dus niet terug te voeren tot het liberale beginsel van verdraagzaamheid, maar is in de praktijk vaak het gevolg dat intreedt als gedurende een zekere tijd op een bepaalde plaats meer overtredingen worden begaan dan onder die omstandigheden door politie en justitie kunnen worden vervolgd. Onaardig gezegd: gedogen uit onmacht. Was die onmacht er in 1976 ook? Ik laat de vraag onbeantwoord omdat de verantwoordelijke bewindslieden en het Openbaar Ministerie kwamen tot de formulering van een gedoogbeleid. Bewust werd voor een gehele categorie verdovende middelen afgezien van de door de wetgever vastgestelde norm. En dit op gronden aan het algemeen belang ontleed, het algemeen belang zette dus de democratisch vastgestelde wet deels buiten werking. Overigens met instemming van een meerderheid van de Tweede Kamer. Het met de controle op de uitvoering van de internationale verdragen inzake verdovende middelen belaste VN-bureau in Wenen bleef echter wel vragen stellen.

Volledigheidshalve: de ministers en het Openbaar Ministerie maakten wel duidelijk onderscheid tussen de op lijst II voorkomende verdovende middelen, die zij kwalificeerden als middelen met een onaanvaardbaar risico waarbij voor gedogen geen plaats was, en de cannabisproducten op lijst I. Daarmee wilden zij overigens niet gezegd hebben dat het risico dat verbonden is aan gebruik van verdovende middelen van lijst I wel aanvaardbaar zou zijn. Dit onderscheid leidde in het spraakgebruik tot de benamingen softdrugs en harddrugs waardoor de goede bedoelingen om te vermijden dat het met de schadelijke risico’s van cannabisproducten wel zou meevallen weer teniet werden gedaan.

Een tweede motief om ten aanzien van sommige verdovende middelen generiek een gedoogbeleid te gaan voeren, was gelegen in de overtuiging dat daarmee een scheiding van markten en dus van de verspreiding zou ontstaan. Lang kon men dit motief ter verdediging van het Nederlandse beleid nog horen, maar intussen wordt deze illusie niet meer gekoesterd. En ondanks alle inspanning om productie, teelt en handel te bestrijden, lijkt het gedogen van aanwezigheid voor gebruik van alle soorten verdovende middelen vaak de regel te zijn.

Feit blijft dat niet verdraagzaamheid de reden was om te gedogen. Ministers en Openbaar Ministerie achtten zich bevoegd om redenen die zij aan het algemeen belang ontleenden een algemeen geldende marge in te voeren bij de handhaving van een democratisch vastgesteld verbod – een verbod dat berustte op de overtuiging dat het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid.

Kon er in de jaren van de niet-democratisch geregeerde Republiek ruimte zijn voor gedogen uit verdraagzaamheid en daarna voor gedogen uit verdraagzaamheid van wat nog niet bij de wet geregeld was (crematie), in een democratische rechtsstaat, waar de rechtsregels democratisch zijn vastgesteld en volgens de regels van het recht door onafhankelijke rechters worden gehandhaafd, is er voor een beroep op verdraagzaamheid om van die regels af te wijken, geen plaats. Dit geldt ook wanneer de rechter geoordeeld heeft over de al dan niet toelating van een vreemdeling, ook als deze een beroep heeft gedaan op het recht van asiel, maar dat beroep niet is gehonoreerd.

Toegeven in strijd met wat de wetgever heeft vastgesteld of de rechter uiteindelijk onherroepelijk heeft beslist ondermijnt de rechtsstaat. Verdraagzaamheid in de samenleving is en blijft een liberale deugd. Toegeeflijkheid is een zwakte.

Vrouwenquota zijn heilloos
Column
Democratie & Rechtsstaat
12
Dec
2019
Dec 4, 2019
Fleur de Beaufort
Een vrouwenquotum is een onliberaal middel, stelt wetenschappelijk medewerker van de TeldersStichting Fleur de Beaufort. De Tweede Kamer stemde recent voor een motie voor een bindend vrouwenquotum voor raden van commissarissen van beursgenoteerde bedrijven.

‘We schrijven geschiedenis. We doorbreken het old-boys-netwerk en zetten een grote stap naar gelijkheid en diversiteit in de top van het bedrijfsleven’, aldus minister Van Engelshoven, nadat een meerderheid van de Tweede Kamer zich voorstander van een wettelijk vastgesteld quotum voor vrouwen in de top van het bedrijfsleven toonde. Hoewel ik zonder meer voorstander ben van diversiteit en kansengelijkheid ben, bekruipt me als liberaal altijd weer een ongemakkelijk gevoel als de overheid in stelling wordt gebracht om een onwelgevallige uitkomst dan maar hardhandig te beïnvloeden naar een meer wenselijk resultaat.

Vertrouwen in het vrije spel der maatschappelijke krachten is zeker in het private domein voor liberalen van oudsher een leidend principe. De overheid heeft een taak om aan de start alle belemmeringen weg te nemen en kansengelijkheid zo optimaal mogelijk te faciliteren, bijvoorbeeld via onderwijs. Na de start hebben allerlei factoren en individuele keuzes invloed op de uiteindelijke uitkomsten. Het is dan ook veel te simplistisch om te stellen dat vrouwen, alleen omdat ze vrouw zijn, last hebben van een glazen plafond, er speelt zoveel meer mee.

Voorstanders van vrouwenquota kijken altijd verlekkerd naar Noorwegen, waar al sinds 2006 een wettelijk quotum bestaat voor beursgenoteerde bedrijven. Als Noorwegen iets laat zien, dan wel dat het gedroomde resultaat van meer gelijkheid op alle niveaus als gevolg van de wettelijke regeling – het trickle-down-effect – is uitgebleven. De vrouwen die hun positie danken aan de wettelijke regeling zorgen in de top van het Noorse bedrijfsleven weliswaar voor diversiteit maar vertalen dit niet naar de rest van de organisatie. De top-down-benadering met hulp van de wetgever stopt dus bij de top en verandert niets wezenlijks aan de werkvloer, waardoor de echte verandering – namelijk van onderop – uitblijft. Nog even afgezien van het feit dat het aantal beursgenoteerde bedrijven in Noorwegen van 563 (in 2003) daalde naar 179 (in 2008) waarmee de feitelijke groei van topvrouwen gelijk was aan die in Denemarken, waar geen quotum bestaat.

In de ondervertegenwoordiging van vrouwen die fulltime werkzaam zijn in het bedrijfsleven ligt mogelijk ook een verklaring voor enkele opmerkelijke resultaten uit de jaarlijkse Female Board Index. Een eerdere editie maakte duidelijk dat het percentage vrouwen in Nederlandse topposities weliswaar gestaag steeg, doch dat vrouwen al snel deel uit gingen maken van het zo vervloekte old-boys-netwerk en verschillende topfuncties combineerden. De meest recente editie toonde bovendien als opvallendste resultaat dat 54% van de nieuwe vrouwelijke commissarissen in ons land uit het buitenland werd gehaald. Over het algemeen is het aantal vrouwen in topfuncties uit het buitenland veel hoger dan bij mannen. Of er een kern van waarheid in de veronderstelling schuilt dat kwaliteit niet altijd voorhanden is onder Nederlandse vrouwen, laat ik even in het midden. Wel kan worden gesteld dat het nog maar zeer de vraag is of Nederlandse vrouwen nu echt doorstoten naar de top als gevolg van de wettelijke regeling. Zeker als vrouwen ondervertegenwoordigd blijven in de dwarsdoorsnede van het bedrijfsleven.

Excuustruus

De veelgehoorde angst om voor excuustruus te worden versleten als gevolg van de wettelijke regeling is niet slechts een denkbeeldige. Vrouwen met kwaliteit willen de top liever op eigen kracht bereiken en zullen daarvoor moeten knokken en keuzes moeten maken, zowel in hun carrière als op persoonlijk vlak. Ze willen beoordeeld worden op hun kwaliteiten en hun bereidheid zich in te zetten om de top te bereiken. Hier ligt nu juist ook het grote probleem van de quotering. Niemand zal erop tegen zijn als daadwerkelijk het talent aan de top van overheid en bedrijfsleven staat. Het wordt wat anders als dat talent opeens (tijdelijk) alleen maar uit vrouwen blijkt te kunnen bestaan. Het verschil wordt dan niet meer gemaakt door talent, maar door het geslacht.

Radicale gelijkheidsdenkers zetten de kwaliteit van een individu op de tweede plaats ten gunste van in dit geval iemands geslacht. Van eerlijke kansen in dan al lang geen sprake meer. Immers hoe eerlijk is het om aangenomen te worden omdat je een vrouw bent? Hoe serieus word je als vrouw in een toppositie nog genomen als blijkt dat je slechts bent aangesteld opdat je werkgever aan de wettelijke eisen kan voldoen en dat in zijn jaarverslag kan verantwoorden? In een vrije samenleving krijgt ieder individu een reële kans om zijn kwaliteiten ook daadwerkelijk in te zetten. Daarbij is iedere vorm van discriminatie uit den boze, zogenaamde positieve net zo goed als negatieve. Positieve discriminatie – bijvoorbeeld door quotering – doet immers net zoveel afbreuk aan een eerlijke individuele kans op de arbeidsmarkt als negatieve discriminatie. In dit geval neemt de kans van gekwalificeerde mannen af ten gunste van gequoteerde vrouwen.

In een vrije samenleving krijgt ieder individu naast kansen ook de ruimte om eigen keuzes te maken. Al te vaak trekken voorstanders van wettelijke quota ten strijde tegen vrouwen die ervoor kiezen (een periode) thuis bij de kinderen te blijven, liever in deeltijd te willen werken of helemaal geen carrière na te streven. Deze vrouwen zouden voor hun seksegenoten de weg naar de top onnodig belemmeren, zo de gedachte. De reflex om keuzes van vrouwen op de arbeidsmarkt te beïnvloeden door allerlei ‘vrouwvriendelijk’ beleid, werkt uiteindelijk ook averechts. Het brengt ons toch weer terug bij het liberale principe van het vrije spel der maatschappelijke krachten en de zo wezenlijke individuele vrijheid.

Het liberalisme bedrijft Verlichtingsfundamentalisme. Het wil namelijk zijn vrijheid opleggen
Liberalisme
Filosofie, Religie & Ethiek
06
Jun
2023
Jun 12, 2023
Fleur de Beaufort
Fundamentalisme is het streven de samenleving in te richten volgens vaste, niet betwistbare zekerheden (dogma’s). Individuele voorkeuren die daar niet in passen moeten daarvoor wijken; zulke individuen moeten zich naar het van bovenaf bepaalde patroon voegen, zich schikken.

·        Fundamentalisme is het streven de samenleving in te richten volgens vaste, niet betwistbare zekerheden (dogma’s). Individuele voorkeuren die daar niet in passen moeten daarvoor wijken; zulke individuen moeten zich naar het van bovenaf bepaalde patroon voegen, zich schikken.

·        Liberalen plaatsen daarentegen de vrijheid van het individu voorop. In de liberale samenleving mag alles ter discussie worden gesteld; ook belangrijke liberale waarden moeten indien uitgedaagd de proof of the pudding doorstaan (het Popperiaanse principe van ‘falsificatie’) ; zijmoeten, anders gezegd, met argumenten worden hooggehouden en niet door botte machts-of ‘gezags’-uitoefening.

·        Vrijheid opleggen is een contradictio interminis. Vrijheid kan niet worden opgelegd, zij kan slechts worden geboden. De liberale vrijheid is niet bij voorbaat ingevuld; het is aan alle individuen om, ieder voor zich, invulling aan de eigen vrijheid te geven. Anders gezegd: liberalen geven individuen vrijheid zonder te (willen) weten wat deze individuen met hun vrijheid gaan doen. Het kan goed zijn dat een liberaal politicus bemerkt dat burgers anders met hun vrijheid omgaan dan híj voor zichzelf als ideaal beschouwt. Toch laten liberalen vrijheid aan de burgers, zolang die met hun vrijheid de vrijheid van hun medeburgers (of notoire algemene belangen)niet schaden.

·        Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de vrijheid van meningsuiting als fundamentele waarde in onze samenleving ruimmoet worden gehanteerd. De vrijheid van meningsuiting is niet hetzelfde als een vrijheid om te kwetsen, maar omvat wel het recht om meningen uit te dragen die door anderen als kwetsend kunnen worden ervaren. Het recht op vrijheid van meningsuiting ontleent juist zijn betekenis aan de mogelijkheid om controversiële opvattingen te verkondigen. Voor het uitdragen van meningen die gemeengoed zijn, is een dergelijk recht niet nodig. Het recht op vrijheid van meningsuiting bestaat om meningen te kunnen ventileren en te horen die prikkelen en op weerstand stuiten. Of een andere burger zo’n mening als beledigend ervaart, kan niet het criterium zijn om een mening uit het openbaar debat te bannen. Slechts aan een vaststelling van de rechter dat er van een objectiveerbare belediging, smaad of laster sprake is – als er dus reëel geleden schade wordt geconstateerd– kan een grond tot inperking worden ontleend.

Liberalen hebben geen oog voor het algemeen belang
Liberalisme
Filosofie, Religie & Ethiek
Al in de 19e eeuw stelde liberale politiek bij uitstek de vormgeving van het algemeen belang centraal. Maar liberalen onderscheiden zich van de meeste andere stromingen door niet alles dat van belang is, te verklaren tot algemeen belang, en daarmee tot zaken waar de politiek zich in zou moeten mengen. Juist veel zaken die voor individuen van het grootste belang zijn – liefde, zingeving e.d. – behoren om die reden tot het privé-domein.

·        Al in de 19e eeuw stelde liberalepolitiek bij uitstek de vormgeving van het algemeen belang centraal. Maarliberalen onderscheiden zich van de meeste andere stromingen door niet allesdat van belang is, te verklaren tot algemeen belang, en daarmee tot zaken waarde politiek zich in zou moeten mengen. Juist veel zaken die voor individuen vanhet grootste belang zijn – liefde, zingeving e.d. – behoren om die reden tot hetprivé-domein.

·        Liberalen hebben de samenleving juist weten tebevrijden uit de greep van particuliere belangen. In plaats van vorstelijke willekeuren privileges vestigden zij rechtsgelijkheid en onderworpenheid van alleburgers (met inbegrip van degenen die macht uitoefenen) aan de wet. In plaatsvan het gildensysteem en andere bevoorrechting van bijzondere belangen, brakenzij de maatschappij (en de markt) open voor iedereen die anderen iets te biedenheeft.

·        Ook later hebben liberalen steeds de voorkeurgegeven aan generiek beleid (beleid voor alle burgers) boven specifiek beleid,dat wil zeggen boven doelgroepenbeleid dat slechts gericht is op bepaaldegroepen burgers – ouderen, jongeren, allochtonen, et cetera – waarmee nieuwevoorrechten worden gecreëerd. Dat sommige groepen als ‘zielig’ worden aangemerkt,of zich succesvol als zodanig in de media weten te presenteren, maakt volstrektniet dat het algemeen belang met op hen gericht beleid wordt gediend. Daaraan temakkelijk toegeven geeft eerder aanleiding tot meer scheefheid in deelbelangen,doordat degenen die sterk zijn in het vragen om aandacht voorrechten gaangenieten ten opzichte van anderen die wat dat betreft zwakker zijn of meerbescheidenheid dan wel zelfredzaamheid betrachten.

·        Dé vraag voor liberalen is natuurlijk wel: watís het algemeen belang. In ieder geval vallen daaronder: de liberalerechtsstaat, met waarborging van individuele vrijheidsrechten en met democratischebeïnvloeding van en controle op de politiek; ontplooiingsmogelijkheden voor hetindividu, bovenal door goed onderwijs; veiligheid; volksgezondheid (preventievemaatregelen inzake hygiëne, screening, vaccinatie e.d.).

Liberalisme gaat alleen over geld en niet over immateriële waarden
Liberalisme
Filosofie, Religie & Ethiek
In de landelijke politiek komt de VVD als liberale partij op voor een gezonde economie, beperking van de overheidsuitgaven, een stabiele werkgelegenheid, maar ook voor veiligheid en voor het belang van ons culturele erfgoed. De eerstgenoemde doelen leiden regelmatig tot het verwijt dat liberalen alleen geïnteresseerd zijn in geld.

·        In de landelijke politiek komt de VVD als liberale partij op voor een gezonde economie, beperking van de overheidsuitgaven, een stabiele werkgelegenheid, maar ook voor veiligheid en  voor het belang van ons culturele erfgoed. De eerstgenoemde doelen leiden regelmatig tot het  verwijt dat liberalen alleen geïnteresseerd zijn in geld.

·        Het verwijt valt vooral te horen van socialistische zijde. Maar het is een raar verwijt omdat het van mensen komt die graag de burger zoveel mogelijk belastingen opleggen, om de opgehaalde gelden te kunnen herverdelen onder de bevolking. Dat gaat net zo goed over geld, maar zou dan wel sociaal en verantwoordelijk zijn.

·        Een gezonde economie is voor liberalen geen doel op zich maar een middel tot een hoger  doel, namelijk om zoveel mogelijk kansen te bieden op werk en inkomen. Bovendien is een gezonde economie ook nodig om te zorgen voor degenen die het niet redden.

·        Juist daarom is discipline in overheidsuitgaven vanuit het liberalisme gewenst, om de ruimte voor de burger en zijn eigen initiatieven zo groot mogelijk te houden. Hetzelfde  geldt voor werkgelegenheid.

·        Liberalen gaan er vanuit dat mensen voor zich zelf zorgen; alleen degenen die het echt niet redden zullen ruimhartig worden ondersteund. Dit gaat hoe dan ook op kosten van andere wel werkende burgers. Het is alleen al daarom een misverstand dat het moreel beter zou zijn het ‘niet werken’ te bevorderen door hoge sociale uitkeringen. Ten eerste gaat het om het doorschuiven van geld dat andere burgers verdienen en bovendien doet het mensen geen goed als zij aan uitkeringen gewend raken. Het verlengt hun afhankelijkheid en sociale isolatie, en komt – nogmaals – ten laste van wel hardwerkende burgers. Liberalen beseffen terdege dat de overheid geld van de burgers uitgeeft. Alle geld waarover de overheid beschikt is immers afkomstig van burgers, individueel, of als  onderdeel van ondernemingen. Terughoudendheid bij het uitgeven door de overheid van het geld van de burgers is een belangrijke liberale waarde.

·        Er is een aanzienlijk verschil tussen wat liberalen voor een goede en verantwoorde sociale politiek houden, en hoe socialisten daarover denken. Hierbij gaat het niet over geld, maar om een visie op mens-zijn. Mens-zijn is: er wat van kunnen maken, voor zover dat tot  iemands mogelijkheden en capaciteiten behoort. Bij de ontwikkeling van die capaciteiten speelt de overheid in de visie van liberalen een belangrijke voorwaardenscheppende rol. Dit is een van de immateriële waarden die belangrijk zijn voor liberalen: dat ieder mens telt, en mag rekenen op anderen, tot hijzelf weer voor zichzelf kan zorgen. Voormensen die op kosten van hun medeburgers zonder redenen in hun bed blijven liggen heeft het liberalisme weinig, om niet te zeggen helemaal geen sympathie. Misbruik van sociale voorzieningen mag volgens liberalen nooit worden toegestaan; integendeel: de overheid  heeft de plicht dat misbruik zo gering mogelijk te maken; toegang tot sociale voorzieningenmoet daarom streng zijn, maar wel billijk.

·        Goed onderwijs organiseren en garanderen is verbonden met de visie van liberalen dat een mens ook een redelijk wezen is, die door te leren zijn mogelijkheden en kansen zal vergroten. Daarom is onderwijs een belangrijk speerpunt van een liberale politiek. Hoe  beter iemands opleiding is, hoe groter de kans op meer gezondheid, welzijn en zelfs op meer geluk.

·        Het is wel een vraag hoe de overheid omgaat met eigen initiatieven op het gebied van het onderwijs. In principe past in een liberale staat een vrijheid van onderwijs, maar niet noodzakelijk zo ingevuld als die nu in Nederland geldt. Liberalenwensen een scheiding van kerk en staat, wat betekent dat bijzonder onderwijs op religieuze grondslag toch kritisch wordt bezien, zeker als het op kosten van de overheid wordt gegeven. Los hiervan lijkt er geen twijfel te bestaan aan de noodzaak van een veelomvattende kritische onderwijsinspectie, ook hier ligt een taak voor de overheid.

·        Burgers kunnen niet iets van hun leven maken als de overheid geen veilige omgeving garandeert. Dit is een van de andere immateriële zaken die het liberalisme hoog in het vaandel heeft staan. Het kan niet zo zijn dat kleine groepen kwaadwillende burgers het bestaan van goedwillenden verzieken.

De kwaliteit van leven van burgers wordt ten slotte ook bepaald door het bewustzijn in een historische en culturele traditie te staan. Daarom komen liberalen op voor ons cultureel erfgoed, voor kunst, voor taal, voor de betekenis van de geschiedenis. Dit impliceert overigens niet noodzakelijkerwijs, dat kunst altijd door de overheid gesubsidieerd zou moeten worden. De overheid kan ook arrangementen in het leven roepen die het voor burgers makkelijker maken de kunsten te steunen. Maar een zekere mate van verantwoordelijkheid van de overheid voor het domein van de cultuur zal de liberaal niet gauw verwerpen.

Liberalisme is 'gewoon jezelf kunnen zijn'
Liberalisme
Filosofie, Religie & Ethiek
12
Dec
2020
Dec 12, 2020
Liberalisme streeft uiteindelijk naar ruimte en vrijheid voor eigen idealen en opvattingen van individuen. Maar de zorg voor degenen die door de bodem van het bestaan zakken zal de liberaal tevens op zich nemen, waarbij zijn voorkeur zal uitgaan naar arrangementen die degenen die ondersteuning behoevenweer in staat stellen hun leven te hernemen.

·        Dit misverstand leeft inderdaad binnen de VVD bij sommige leden. In eerdere perioden van de partij (met name in de jaren tachtig)kwam men deze slogan wel tegen op VVD congressen en op andere plaatsen in de partij.

·        Wij denken dat hier sprake is van een gebrek aan inzicht in de betekenis van het liberalisme. Inderdaad: het liberalisme gaat uit van zelfstandige, niet door overheid, kerk en samenleving geknevelde individuen. Het liberalisme is zelfs ontstaan als een beweging tegen de tirannie van kerk en staat ten opzichte van de individuele mens, met name als deze een eigen mening ten beste gaf. Niet zelden liep dit uit op de brandstapel of onthoofding. Een individu dat vrij is om te spreken, om meningen te hebben, om kritiek te uiten jegens de machthebbers, dat is in eerste aanleg een belangrijkaspect van het mensbeeld van het liberalisme.

·        Een ander aspect is dat het liberalisme de beantwoording van de vraag hoe mensen willen of zouden moeten leven hoe zij vormgeven aan hun seksualiteit, onder andere hoe zij met ziekte en dood omgaan, in principe aan de burger zelf overlaat. Die burger mag daarin niet worden gehinderd door een zichzelf alwetend achtende overheid. De overheid behoort inzake privé-aangelegenheden van burgers neutraal te zijn, tenzij uiteraard de grenzen van de vrijheden en rechten van andere burgers worden geschaad. Moreelpaternalisme vanuit de overheid is dus taboe in het liberalisme, althans op het privé-terrein van burgers.

·        Maar het liberalisme staat wel voor een publieke moraal, die noodzakelijk wordt geacht als ‘metselwerk’ van de samenleving. Alle individuen dienen zich te onderschikken aan een op democratische wijze ingevulde publieke moraal (men zie de Grondwet; een mooi voorbeeld van publieke moraal). In het publieke domein roept het liberalisme de burger op om actief mee te doen aan de samenleving en daarvoor ook verantwoordelijkheid te nemen. Een van de andere cruciale kenmerken van de liberale visie op de verhouding overheid en burger houdt een erkenning in van de legitimiteit van het onderscheidtussen een privé en een publiek domein. John Stuart Mill beargumenteert dit onderscheid in zijn boek On Liberty (uit 1859) buitengewoon overtuigend.

·        Gewoon jezelf kunnen zijn is iets totaal anders en een onverdraaglijk lichte manier van dit alles formuleren. In essentie bepaalt de burger in het privé domein zelf zijn bestaan. In het publieke domein zal hij, als sociaal wezen, want dat is de mens ook, meewerken aan een samenleving die individuen enerzijds de ruimte geeft, en anderzijds ook beschermt in hun vrijheden. Liberalisme streeft uiteindelijk naar ruimte en vrijheid voor eigen idealen en opvattingen van individuen. Maar de zorg voor degenen die door de bodem van het bestaan zakken zal de liberaal tevens op zich nemen, waarbij zijn voorkeur zal uitgaan naar arrangementen die degenen die ondersteuning behoevenweer in staat stellen hun leven te hernemen.

'Neoliberalisme': een nonsenswoord
Liberalisme
Geschiedenis
12
Dec
2020
Dec 12, 2020
Patrick van Schie
‘Individualisering en neoliberaal denken hebben bijgedragen aan de erosie van maatschappelijke samenhang en gemeenschapszin.’ Dit beweerde CDA-Tweede Kamer-fractievoorzitter Pieter Heerma tijdens de laatste algemene politieke beschouwingen. Hij is niet de enige. Sla een krant open, en er staat wel een artikel in waarin een politicus of publicist over het ‘neoliberalisme’ klaagt.

‘Individualisering en neoliberaal denken hebben bijgedragen aan de erosie van maatschappelijke samenhang en gemeenschapszin.’ Dit beweerde CDA-Tweede Kamer-fractievoorzitter Pieter Heerma tijdens de laatste algemene politieke beschouwingen. Hij is niet de enige. Sla een krant open, en er staat wel een artikel in waarin een politicus of publicist over het ‘neoliberalisme’ klaagt. Maar wat is het? En wat heeft het met het liberalisme te maken?

De term ‘neoliberalisme’ maakt internationaal school sinds de jaren tachtig, Hij is in de Nederlandse politiek geïntroduceerd door de SP. Haar insteek was de sociaal-democratie – die op dat moment bezig was haar ideologische veren van zich af te schudden en een ‘Derde Weg’ in te slaan – in de beklaagdenbank te zetten. Maar sociaal-democraten en andere linkse politici namen de term over. Inmiddels is de kreet dus tot in het CDA doorgedrongen.

De vraag is: tegen wie de aanklacht is gericht. Niemand noemt zichzelf ‘neoliberaal’. Het ‘neoliberalisme’ is dan ook geen uitwas van het liberalisme, en evenmin een substroming. Het neoliberalisme bestaat eenvoudigweg niet, behalve als een scheldwoord. Wat het is wordt ook zelden omschreven. Iets in de trant van ‘doorgeschoten marktwerking’, lijkt het te zijn. Maar wie is er voor iets dat ‘doorschiet’? Is het CDA soms voor ‘doorgeschoten gemeenschapszin’?

‘Neoliberalen’ (die er dus niet zijn) worden voor volstrekt tegenstrijdige verschijnselen verantwoordelijk gehouden. Bijvoorbeeld voor deregulering én voor toegenomen regeldruk. Voor onbeteugelde marktwerking én voor verstrengeling van big business met de overheid. Dat kan natuurlijk niet beide waar zijn. Alles waar links, en tegenwoordig kennelijk ook het CDA, een hekel aan heeft, kan het stempel ‘neoliberaal’ opgedrukt krijgen.

Maar een verzinsel wordt niet waar door het te herhalen. Er zijn nu evenveel ‘neoliberalen’ als dat er enkele eeuwen geleden heksen waren. Het zou goed zijn als de term verdween, net als indertijd de heksenjacht.

Amerikaans 'liberalism'
Liberalisme
Geschiedenis
12
Dec
2020
Dec 12, 2020
Patrick van Schie
Nederlandse liberalen plaatsen zich, net als de meeste geestverwanten elders op het Europese vasteland, centrum-rechts. Maar in de Verenigde Staten zijn de ‘liberals’ behoorlijk links. Hoe kan dat? Een (te) simpel antwoord luidt dat het hele politieke spectrum in de VS rechtser is dan in Europa

Nederlandse liberalen plaatsen zich, net als de meeste geestverwanten elders op het Europese vasteland, centrum-rechts. Maar in de Verenigde Staten zijn de ‘liberals’ behoorlijk links. Hoe kan dat? Een (te) simpel antwoord luidt dat het hele politieke spectrum in de VS rechtser is dan in Europa. Zelfs voor zover dat waar is, is het als antwoord lang niet compleet.

Hoewel de Amerikaanse term niet duidelijk is gedefinieerd, staan ‘liberals’ daar veelal een andere politiek voor dan liberalen hier. Soms zelfs het tegenovergestelde. Liberalen hier willen vanouds dat de overheid beperkt blijft in takenpakket en dus in omvang. Amerikaanse ‘liberals’ willen juist méér overheid.

Dat is niet altijd zo geweest. Tot ongeveer een eeuw geleden betekende ‘liberal’ in de VS hetzelfde als hier. Daarna begon de omslag. In de jaren dertig omarmden ‘liberals’ in de VS de New Deal van president Franklin Delano Roosevelt, een pakket aan maatregelen om met publieke werken en andere overheidsinterventies de in het slop zittende economie van bovenaf te stimuleren. Sociaal-economisch gezien ging de betekenis van het Amerikaanse ‘liberalism’ haaks staan op de oorspronkelijke inhoud.

Tegenwoordig identificeren Amerikaanse ‘liberals’ zich vaak met ‘identity politics’. Die politiek gaat veel verder dan het liberale verlangen van een gelijke behandeling voor alle burgers. Identiteitspolitiek claimt speciale groepsrechten voor minderheden, wat juist indruist tegen rechtsgelijkheid en een overheid die handelt in het algemeen belang. Identiteitspolitici beoordelen mensen op groepskenmerken, echte liberalen waarderen elk individu op zich.

Opiniepeilers vragen Amerikanen al decennia naar hun ‘zelf-identificatie’. In de jaren tachtig noemde ongeveer 15% van de Amerikaanse kiezers zichzelf ‘liberal’. Inmiddels is dit gegroeid naar 26% (laatste Gallup-peiling), onder de jongste kiezers zelfs 35%. Zij neigen vooral naar de Democraten, amper naar de Republikeinen. Helaas is dit geen teken dat de Amerikaanse kiezers liberaler zijn geworden, wel linkser.

Liberalen willen een nachtwakersstaat
Liberalisme
Filosofie, Religie & Ethiek
12
Dec
2020
Dec 12, 2020
De nachtwakersstaat als liberaal ideaal is hoofdzakelijk een mythe. Weinig liberalen hebben in de geschiedenis ooit een nachtwakersstaat voorgestaan.

·        De nachtwakersstaat als liberaal ideaal is hoofdzakelijk een mythe. Weinig liberalen hebben in de geschiedenis ooit een nachtwakersstaat voorgestaan. Adam Smith, de liberale denker die bij uitstek wordt vereenzelvigd met een ‘laissez faire-laissez passer’-politiek – dat is een politiek die van de staat bovenal verlangt niet op te treden – zag meer kerntaken voor de staat dan alleen maar de zorg voor openbare orde en defensie (interne en externe veiligheid). Het aanleggen van wegen en de zorg voor een vorm van basisonderwijs werden door Smith eveneens als kerntaken aangewezen. Ook onder de praktische liberale politici moeten de voorstanders van een nachtwakersstaat met een grote schijnwerper worden gezocht. Als wij alleen al kijken naar de grote negentiende-eeuwse liberale voorman in Nederland, Johan Rudolph Thorbecke, dan zien wij dat hij maatregelen nam ter verbetering en voor ruimeretoegankelijkheid van het onderwijs en tot uitbreiding van de burgerlijke armenzorg. Dit zijn zaken die bij een nachtwakersstaat niet zouden passen.

·        In de geschiedenis hebben ook klassiek-liberalen, die het meest terughoudend staan tegenover staatsoptreden, voor de staat naast een rol voor de bewaring/verzekering van de interne en externe veiligheid, altijd tevens een rol gezien waar het gaat om de zorg voorinfrastructuur. Dit – in lijn met Smith – zowel in fysieke zin (wegen, kanalene.d.) als in sociaal-economische zin (garanties bij kredietverstrekking, sociale kassen bij de Rijkspostspaarbank e.d.).

·        Veel sociale wetten zijn bovendien voortgesproten uit initiatieven van liberale politici/partijen. Wel is er bijna altijd een principieel onderscheid tussen wetgeving van liberalen en die van bijvoorbeeld sociaal-democraten. Liberalen zien sociale wetgeving zo  mogelijk als een tijdelijke overbrugging vaneen periode waarin een individu buiten zijn  schuld niet zelfvoorzienend kan zijn. Sociaal-democraten zijn meer geneigd mensen als zwak en hulpbehoevend te beschouwen en brengen wetgeving tot stand waarin permanent voor (bepaalde groepen van) burgers wordt gezorgd. Liberalen menen dat mensen zo te kort wordt gedaan en dat burgers die langdurige zorg genieten feitelijk gevangen raken en hun (drang tot) zelfstandigheid verliezen.

·        Het is een misvatting te denken dat liberalen voor een zwakke staat zijn. Liberalen willen de staatstaken inderdaad nauwkeurig afgrenzen, maar daar waar de staat een taak heeft willen ze hem ook goed toerusten voor de uitoefening ervan. Wetten en regels die naar liberale overtuiging noodzakelijk zijn, dienen krachtig te worden gehandhaafd. Liberalenzijn dus voor een betrekkelijk kleine maar wel krachtige staat.

·        Het liberale streven de staat klein te houden, anders gezegd het aantal staatstaken te  beperken, is des te relevanter na een eeuw – de 20e – waarin de staat alsmaar uitdijde. Aan  de neiging van de staat autonoom te groeien, een neiging die door niet-liberale partijen slechts kunstmatig extra wordt gevoed, moet het hoofd worden geboden. In de huidige omstandigheden – waarin meer dan de helft van ons bruto binnenlands product niet door burgers zelf naar eigen inzicht kan worden besteed maar via de collectiviteit wordt (her)verdeeld – is het dringend nodig ruimte voorindividuen te herwinnen.

Sociaal-liberalisme
Liberalisme
Geschiedenis
12
Dec
2020
Dec 12, 2020
Patrick van Schie
Het sociaal-liberalisme vindt zijn oorsprong in de tweede helft van de 19e eeuw. Het is een variant van het liberalisme die wel hecht aan de vrije ontplooiing van het individu, maar die stelt dat het individu niet los van zijn omgeving kan worden gezien.

Velen afficheren zich graag als ‘sociaal-liberaal’. D66 heeft een jaar of twintig geleden ook ineens bedacht dat ze sociaal-liberaal wilde zijn. Maar de term wordt meer gebruikt dan begrepen. Sociaal-liberaal wil niet zeggen: liberaal met een sociaal gezicht. Alsof andere liberalen niet sociaal zouden zijn.

Het sociaal-liberalisme vindt zijn oorsprong in de tweede helft van de 19e eeuw. Het is een variant van het liberalisme die wel hecht aan de vrije ontplooiing van het individu, maar die stelt dat het individu niet los van zijn omgeving kan worden gezien. De omgeving raakt en maakt het individu. Er vinden voortdurend positief te waarderen uitwisselingen plaats tussen individuen, sociale verbanden en de samenleving als geheel. Een individu behoort zich in deze visie ook niet af te zonderen, maar dient een eigen bijdrage te leveren aan de samenleving. Welke, dat is aan hem of haar te bepalen, maar ontplooiing is niet vrijblijvend.

De staat heeft daarbij een duidelijk grotere rol te vervullen dan in het klassiek-liberalisme. De staat moet geen taken overnemen van de individuen en hun maatschappelijke verbanden, maar deze wel faciliteren en begeleiden. Sociaal-liberalen geloven niet dat wat iemand bereikt in het leven, geheel zijn eigen verdienste is. Een succesvol ondernemer bijvoorbeeld heeft gebruik van gemaakt van onderwijs en van wegen. De staat heeft aldus in de burgers geïnvesteerd. Als de burgers vervolgens leuk verdienen, heeft de staat recht op rendement over zijn investering. Belastingen zijn dan ook voor sociaal-liberalen geen noodzakelijk kwaad, maar vormen als het ware een winstuitkering aan de staat op zijn aandelen.

Vrijheid
Liberalisme
Geschiedenis
12
Dec
2020
Dec 12, 2020
Patrick van Schie
Vrijheid staat niet voor niets in de naam van de VVD. Maar hoe onderscheidend is deze waarde? Zullen politici van andere partijen zeggen dat ze tegen vrijheid zijn? Nee natuurlijk. Niemand is (openlijk) tegen vrijheid.

Eigen verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, gelijke kansen. Als ik Haya-Masterclasses geef komen zulke termen spontaan naar boven als kenmerkend voor het liberalisme. En vrijheid natuurlijk, bovenal vrijheid. Dat wordt dan verschillend verwoord: als keuzevrijheid, vrijheid van meningsuiting, vrij te kunnen zijn wie je bent, et cetera.

Vrijheid staat niet voor niets in de naam van de VVD. Maar hoe onderscheidend is deze waarde? Zullen politici van andere partijen zeggen dat ze tegen vrijheid zijn? Nee natuurlijk. Niemand is (openlijk) tegen vrijheid. ‘We zijn allemaal individuen met een eigen verantwoordelijkheid en we willen allemaal graag in volle vrijheid ons leven inrichten.’ Fraaie zin, nietwaar? Komt uit het beginselprogram van de anti-liberale SP. Ook partijen als CDA en PvdA wijzen vrijheid als een belangrijk beginsel aan. Waarin ligt dan het onderscheid met een liberale partij?

Liberale vrijheid is in twee opzichten anders. Ten eerste op het moment dat vrijheid met andere waarden in botsing komt. Een echte liberaal geeft dan in principe aan vrijheid de voorrang. Het klassieke geval is de botsing tussen vrijheid en gelijkheid. Een socialist wil vooral gelijkheid, een liberaal vrijheid. Niet elke andere waarde zal trouwens snel botsen met vrijheid. Eigen verantwoordelijkheid is een uitgangspunt dat de vrijheid eerder versterkt, en ontsporing ervan kan voorkomen. Verdraagzaamheid vormt een logisch uitvloeisel van vrijheid. Wanneer ik als liberaal vrijheid voor mijzelf wil, vraag ik dat ook voor de ander. Die ander heeft evenveel recht zijn of haar leven in vrijheid vorm te geven. Hij zal daarbij geregeld andere keuzes maken. Een liberaal zal dit logisch vinden en deze andere keuzes ten volle respecteren, zolang die keuzes de mede-mens maar niet in de knel brengen.

Ten tweede gaat het bij liberalen eerst en vooral om de vrijheid van het individu. Andere politieke stromingen hebben het – al dan niet impliciet – vooral over collectieve vrijheden. De vrijheid van het gezin, bijvoorbeeld, de vrijheid van een sociale groepering (‘klasse’) of de vrijheid van een etnisch omschreven natie. Liberalen zijn niet tegen vrijheid van bepaalde groepen, maar nooit ten koste van het individu. Het is de liberale staatsman Thorbecke geweest die in 1848 de vrijheid van vereniging en vergadering in onze Grondwet heeft verankerd. Cruciaal is wel dat een individu uit vrije keuze tot zo’n vereniging toetreedt, en er elk moment weer uit kan stappen. Liberalen houden er niet van als een individu in hokjes wordt ingedeeld of daarin gevangen zit. Voor een ware liberaal vormt het vrije individu uitgangspunt en toetssteen van al het politieke denken en handelen.

Klassiek liberalisme
Liberalisme
Geschiedenis
12
Dec
2020
Dec 12, 2020
De oudste is het klassiek-liberalisme. Het voert terug op grote denkers uit de Verlichting (de late 17e en hele 18e eeuw). Oud betekent zeker niet ‘verouderd’; hedendaagse klassiek-liberalen hebben het denken aangepast aan de tegenwoordige omstandigheden.

Er is niet één soort liberalisme. Bij alles wat liberalen verbindt zijn er verschillende uitwerkingen mogelijk. Daar is wel een overzichtelijke indeling van te maken. Hieronder zullen drie sub-stromingen worden onderscheiden. Er zijn er meer denkbaar, maar dit drietal biedt het helderste onderscheid.

De oudste is het klassiek-liberalisme. Het voert terug op grote denkers uit de Verlichting (de late 17e en hele 18e eeuw). Oud betekent zeker niet ‘verouderd’; hedendaagse klassiek-liberalen hebben het denken aangepast aan de tegenwoordige omstandigheden. Klassiek-liberalen hechten aan het vastleggen en bewaken van burgerlijke vrijheden in de Grondwet: denk aan de uitingsvrijheid, de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging, de (al genoemde) vrijheid van vereniging en vergadering, of de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.

Klassiek-liberalen staan huiverig tegenover macht, en zeker de opeenstapeling daarvan. Naast het scheppen van een vrije sfeer voor de burgers waarin een overheid niet mag treden, willen zij daarom overheidsmacht zoveel mogelijk scheiden (in een uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht) en deze machten (mede) met behulp van checks and balances in toom houden. Klassiek-liberalen willen voorts een beperkt, goed afgebakend takenpakket voor de overheid. Een kleine, krachtige staat. Want wat de overheid moet doen, moet ze wel goed kunnen doen.

Die klassiek-liberale achterdocht ten aanzien van macht geldt ook in de economie. Klassiek-liberalen zijn voor een vrije markt, niet omdat dit grote ondernemingen zo goed zou dienen maar juist omdat er op een werkelijk vrije markt concurrentie is. Zo worden de belangen van de consumenten het beste gediend.

Ontplooiingsliberalisme
Liberalisme
Geschiedenis
12
Dec
2020
Dec 12, 2020
Patrick van Schie
Ontplooiingsliberalisme en sociaal-liberalisme worden nogal eens door elkaar gebruikt, alsof ze inwisselbaar zijn. Dat zijn ze bepaald niet. Wij zagen al dat een individu in het sociaal-liberalisme de ruimte moet hebben zich te ontplooien, maar hij heeft ook de plicht daartoe. Voor ontplooiingsliberalen ligt dat anders.

Ontplooiingsliberalisme en sociaal-liberalisme worden nogal eens door elkaar gebruikt, alsof ze inwisselbaar zijn. Dat zijn ze bepaald niet. Wij zagen al dat een individu in het sociaal-liberalisme de ruimte moet hebben zich te ontplooien, maar hij heeft ook de plicht daartoe. Voor ontplooiingsliberalen ligt dat anders. Zij zien het voor het individu wel als wenselijk dat hij of zij de mogelijkheid heeft tot ontplooiing, maar niet in de eerste plaats ten behoeve van de samenleving maar om de eigen interesses en talenten zo goed mogelijk te ontwikkelen.

Minstens zo belangrijk is dat ontplooiingsliberalen ervan overtuigd zijn dat een individu zich niet per se het beste ontplooit in wisselwerking met zijn omgeving. Omdat elk individu een unieke persoonlijkheid heeft, moet hij juist gevrijwaard worden van sociale druk tot aanpassing aan zijn omgeving. Want omgeving en samenleving hebben sterk de neiging individuen te willen conformeren. Dan raakt echter de ware aard van het individu in de knel. De staat heeft dus mede tot taak het individu te beschermen tegen zulke druk vanuit de omgeving. Of de staat zelf voor onderwijs moet zorgen, daarover verschillen ontplooiingsliberalen onderling van mening. De grondlegger van het ontplooiingsliberalisme, Wilhelm von Humboldt, meende dat het vooral om Selbstbildung diende te gaan.

Alle liberale substromingen houden hun oog gericht op het vrije individu. Anders zouden ze niet liberaal zijn. Maar waar het sociaal-liberalisme met zijn inbedding van het individu in de omgeving van de drie de minst individualistische is, is het ontplooiingsliberalisme juist het meest individualistisch.

Benedictus 'Bento' de Spinoza
Liberalen
03
Mar
2024
Mar 17, 2024
Meta van der Starren
Nederlands grootste filosoof

 

Spinoza is misschien wel de belangrijkste filosoof van Nederland geweest. Benedictus, voor vrienden en familie ‘Bento’, de Spinoza is geboren in Amsterdam in 1632. Zijn ouders waren van Joods Portugese afkomst en vluchtten in 1603 voor de Spaanse inquisitie. Zijn moeder overleed toen Benedictus 5 jaar oud was. Nadat ook zijn vader overleed in 1654 nam Spinoza samen met zijn broer Gabriel de familiehandel in zuidvruchten over. De zaken liepen echter niet goed en het bedrijf ging enige tijd daarna failliet.

In deze periode werd Spinoza bovendien uit de synagoge verbannen. Spinoza zou al op jonge leeftijd getwijfeld hebben aan de goddelijke openbaring van de heilige boeken, onder andere door verwijzingen aan te kaarten in de door verschillende profeten geschreven boeken. Na de dood van zijn vader weigerde Spinoza ook nog eens de erfenis en de schulden van zijn vader over te nemen. Hij deed een beroep op het Hollandse burgerlijk recht waarin, anders dan de Joodse wetten, minderjarigen (jonger dan25 jaar) zich handelingsonbekwaam konden laten verklaren voor het boedel beheer en de schuldvorderingen uit een erfenis. Het niet volgen van de intern geldende Joodse wetten werd als een ernstige schending beschouwd, die tot uitsluiting van de religieuze gemeenschap leidde. Dit hield ook in dat hij geen contact meer mocht hebben met zijn overgebleven directe familieleden.

Na de verbanning trok Spinoza waarschijnlijk in bij zijn vrijzinnige leermeester, Franciscus van der Enden die in Amsterdam een Latijnse school had opgericht. Hier ontving hij Latijnse les en gaf hijzelf Hebreeuwse lessen. Spinoza veranderde zijn Joodse naam ‘Baruch’ naar Benedictus: de Latijnse naam voor het Hebreeuwse ‘Gezegende’. Gedurende deze tijd kwam hij waarschijnlijk voor het eerst in aanraking met het werk van René Descartes en de Nieuwe Filosofie waarin Descartes ‘een methode voor zekere kennis’, wat wij nu wetenschappelijk onderzoek zouden noemen, ontwierp. Deze tijd kan gezien worden als het begin van Spinoza’s carrière als filosoof. Naast het geven van les leerde Baruch in1656 het slijpen van lenzen voor optische instrumenten om zo in zijn onderhoud te kunnen voorzien.

Uiteindelijk is Spinoza, na enige omzwervingen, van Amsterdam, via Voorburg en Rijnsburg, in Den Haag terechtgekomen. Hoewel er in zijn begintijd in Amsterdam relatieve gewetensvrijheid heerste, heerste in het zeventiende-eeuwse Nederland ook veel onrust met als dieptepunt het rampjaar 1672 waarin Raadpensionaris Johan de Witt samen met zijn broer gelyncht werd door een Oranjegezinde menigte, zonder dat de autoriteiten daartegen optraden. Spinoza heeft in zijn leven verschillende verhandelingen geschreven, maar slechts één, een samenvatting van het werk van Descartes, is onder zijn naam gepubliceerd. Spinoza stierf op zondagmorgen 21 februari 1677 in zijn kamer aan de Paviljoenstraat in Den Haag op 44-jarige leeftijd aan tuberculose.

De belangrijkste werken van Spinoza waren het Theologisch-Politiek Traktaat (1670) en de Ethica (1677). Spinoza kan met het Theologisch-Politiek Traktaat gezien worden als één van de eerste pleitbezorgers van de politieke vrijheid en daarmee een van de wegbereiders van de Europese Verlichting. In dit werk wordt er door Spinoza een onderscheid gemaakt tussen wetenschap en filosofie aan de ene kant, en godsdienst en theologie aan de andere kant. Hij analyseert het Oude Testament en betoogt onder meer dat wonderen niet bestaan en dat de profeten spreken naargelang hun verbeelding. Als beweegredenen voor het schrijven van dit traktaat geeft hij aan dat de vooroordelen van theologen ‘voor de mensen een belemmering zijn zich op de filosofie toe te leggen’; na herhaaldelijke beschuldigingen aan zijn adres van atheïsme. Dit beknelt ‘de vrijheid om te filosoferen en te zeggen wat we denken; voor deze vrijheid die hier vanwege het al te grote gezag en de brutaliteit van de predikanten op alle mogelijke manieren wordt onderdrukt, wens ik met alle middelen op te komen’. Volgens Spinoza moet er een scheiding komen tussen religie en staatsaangelegenheden. Hij pleit ervoor dat alleen religieuze en politieke vrijheid van handelen kan worden beperkt, niet die van denken en spreken. Tevens wil hij aantonen dat de vrijheid om te denken wat men wil en te zeggen wat men denkt, ‘noch de vroomheid des harten noch de vrede in de staat in de weg staat’.

Spinoza maakt dus een onderscheid tussen vrijheid van denken, spreken en handelen. Vrijheid van denken is volgens Spinoza onvervreemdbaar. Machthebbers kunnen volgens hem het denken van mensen niet ontnemen, hoe bar de omstandigheden ook zijn. Dit is impliciet ook een oproep aan ons allemaal om de vrijheid van denken, die wij in principe allemaal hebben, zo veel mogelijk te ontwikkelen. Vrijheid van denken is iets anders dan de vrijheid van spreken, om te kunnen zeggen wat je denkt. Het verschil zit hem erin dat bij het uiten van datgene wat je denkt iemand de politieke ruimte betreedt. Hier krijgt diegene te maken met politieke krachten en is deze gehouden aan de grenzen die aan de meningsuitingen zijn gesteld. Die grenzen worden bepaald aan de hand van het feit dat jouw mening geen schade mag toebrengen aan de gemeenschap en, in het verlengde daarvan, dus niet mag leiden tot een vrijheid van handelen. Het mag niet oproepen tot tweedracht of onlusten die kunnen leiden tot conflicten of burgeroorlogen.

In zijn meesterwerk Ethica komt de gehele filosofie van Spinoza samen en gaat hij in op de vraag: ‘Wat is het goede leven?’. Hiervoor gaat hij op mathematisch niveau in op begrippen als God, de Natuur en hoe de mens tot geluk kan komen. Tot de tijd van Spinoza werd God gezien als een transcendente God, als iemand die boven de mensen uit stijgt en waaraan de mens verantwoording verschuldigd is. Volgens Spinoza is er geen transcendente God die buiten de mens staat, maar valt God samen met de natuur. God is natuur. De ware God is volgens Spinoza, heel kort gezegd, het geheel van de natuurwetten die de natuur en de kosmos bij elkaar houden. Hoe meer wij ons verdiepen in deze natuurwetten, des te meer wij de mogelijkheid hebben om in overeenstemming met de Natuur, met God, te leven om zo uiteindelijk tot geluk te komen en het hoogste goed te behalen. Spinoza’s filosofie is erop gericht de ‘ware aard of natuur’ van de mens te vinden, te begrijpen en ernaar te leren leven om zo tot geluk te komen. Het begrijpen van de werking van de Natuur kan volgens Spinoza gedaan worden met behulp van de wetenschap. Naast wiskunde waren dat in zijn tijd 'natuurfilosofieën' zoals mechanica en scheikunde, maar ook de bestudering van moraal en ethiek. Wetenschappelijke kennis was een noodzakelijke stap in Spinoza’s onderzoek naar de ware en hoogste kennis en in het vinden van het goede leven: “Iedereen kan daarom constateren dat ik alle wetenschappen op één doel en eindpunt wil richten, namelijk op het bereiken van de hoogste menselijke volmaaktheid, zoals boven gesteld is”.

Het afwerpen van het idee van een transcendente God, iemand waaraan verantwoording moet worden afgelegd en dankbaarheid moet worden getoond voor het bestaan, heeft een sterk emancipatoir effect. Mensen hoeven niet meer te gehoorzamen aan een hoger iemand, maar kunnen zelf, met het aanscherpen van hun verstand, keuzes maken en leven naar de Natuur waarvan zij deel uitmaken. Spinoza staat hiermee aan het begin van de Verlichting. Aan de andere kant heeft het erkennen en vaststellen van deze natuurwetten tot gevolg dat mensen maar in beperkte mate kunnen bepalen wat zij willen. Spinoza pleit daarmee ook niet voor het bestaan van een vrije wil. De vrijheid van Spinoza gaat om de mogelijkheid het bestaan en alle gevolgen daarvan te aanvaarden en overeen te stemmen met de wetten van de natuur. Iedereen wordt ouder, dat is de wet van de natuur, maar je hebt wel degelijk de mogelijkheid om te kiezen hoe hier mee om te gaan. Deze macht van het verstand is de menselijke vrijheid.

 

Verder lezen: Miriam van Reijen, Spinoza: De geest is gewillig, maar het vlees is sterk, 2008.

Verder luisteren: Maarten van Buuren, De filosofie van Spinoza: Een hoorcollege over het gedachtegoed van Nederlands grootste filosoof, 2017.

Verder doen: Museum Het Spinozahuis, Rijnsburg.

Edzo Toxopeus
Liberalen
03
Mar
2023
Mar 13, 2023
Wilbert Jan Derksen
VVD-politicus

Hij geldt als een van de grote namen binnen de geschiedenis van de VVD. Edzo Toxopeus werd in 1918 geboren te Amersfoort. Zijn familie verhuisde naar Breda, alwaar hij zijn middelbareschoolperiode doorliep. Toxopeus besloot Nederlands recht te studeren aan de universiteit in Utrecht en voltooide deze studie in 1942. Dat jaar, midden in de oorlogsperiode, begon hij te werken als advocaat in Breda. In de periode 1944-1945 vervulde hij een juridische rol binnen het Militair Gezag, het dagelijks bestuur in de bevrijde delen van Nederland. Het jaar daarop werd Toxopeus lid van de Partij van de Vrijheid, die in 1948 op zou gaan in de toen opgerichte VVD.

In 1949 zette Toxopeus zijn eerste stappen in de politiek, door namens de VVD gemeenteraadslid in Breda te worden. In 1956 maakte hij de overstap naar de Tweede Kamer. Tamelijk onvoorzien, want hij kwam op de kandidatenlijst te staan doordat de oorspronkelijke kandidaat weigerde onder een vrouw te staan op de kieslijst en was vertrokken. In de Kamer hield Toxopeus zich onder meer bezig met volkshuisvesting. Hij had daarnaast een erg goede band met medeoprichter en toenmalig leider van de VVD Pieter Oud. Aangezien Oud in Rotterdam woonde, reed hij vaak met Toxopeus mee die toch door die stad kwam onderweg naar huis. Oud noemde Toxopeus zelfs zijn ‘politieke zoon’.

Toxopeus werd dan ook door Oud naar voren geschoven om in 1959 op 41-jarige leeftijd minister van Binnenlandse Zaken te worden in het kabinet-De Quay (1959-1963). Ook in het daaropvolgende kabinet-Marijnen (1963-1965) vervulde hij die post. Tijdens zijn ministerschap wist hij een aantal belangrijke veranderingen te realiseren. Het meest bekende voorbeeld daarvan is de zogeheten Toxopeusronde van 1963. Door het lage salaris was een carrière als ambtenaar onaantrekkelijk geworden, wat niet ten goede kwam aan de kwaliteit van de ambtenarij. Toxopeus zorgde daarom voor een verhoging van het ambtenarensalaris. Dit moest voortaan in verhouding staan tot de salarissen in de marktsector. Daarnaast zorgde hij voor betere arbeidsvoorwaarden, zoals een welvaartsvast pensioen. Onder Toxopeus werd ook de vrije zaterdag ingevoerd. Tevens zorgde hij ervoor dat de positie van de provincies als bestuurslaag versterkt werd door ze de mogelijkheid te geven meer dan slechts twee keer per jaar te vergaderen.  

In 1963 trad Oud terug als leider van de VVD. In eerste instantie werd Henk Korthals benaderd als opvolger, maar die weigerde. Daarop werd Toxopeus gevraagd, die de leiderschapsrol wel accepteerde. Tijdens de verkiezingen van 1963 was hij dan ook lijsttrekker namens de VVD (en nam hij deel aan het allereerste verkiezingsdebat dat op televisie werd uitgezonden), al droeg hij vervolgens het fractievoorzitterschap over aan Molly Geertsema, aangezien hij in het daaropvolgende kabinet weer als minister plaatsnam. Na de val van dat kabinet in 1965 kwam Toxopeus weer terug in de Kamer en nam hij een jaar later ook de rol van fractievoorzitter op zich.

Toxopeus was een man van beschaafdheid, wat wellicht niet helemaal strookte met onstuimige tijdsgeest van de jaren 60. Een columnist stelde dat Toxopeus niet verder kwam dan het “fatsoen van de tennisbaan”. Zijn reactie was dat juist fatsoen wel wat meer aanwezig mocht zijn in de Kamer en de samenleving. Als politicus was Toxopeus dan ook altijd rustig en beleefd, maar tegelijkertijd zeer tactisch. Zo was hij ondanks zijn beleefde voorkomen vanuit de oppositie flink aan het stoken tijdens het kabinet-Cals (1965-1966), dat niet snel daarna zou vallen na een kabinetscrisis.  

Toxopeus kon echter niet voorkomen dat partijgenoot Hans Gruijters de VVD verliet. Deze werd berispt door de partij toen hij weigerde de huwelijksreceptie van prinses Beatrix en Claus van Amsberg bij te wonen. Hoewel Toxopeus die keuze afkeurde, wilde hij graag met Gruijters tot een oplossing komen. Gruijters zou uiteindelijk echter de partij verlaten en met drie anderen een nieuwe partij oprichten: D66.

In 1970 verliet Toxopeus de Tweede Kamer omdat hij graag meer tijd wilde doorbrengen met zijn gezin. Hij werd daarop commissaris van de Koningin in de provincie Groningen, waar hij zich onder meer inzette voor nieuwe economische activiteit in die regio. Datzelfde jaar werd Toxopeus benoemd tot erelid van de VVD. De rol van commissaris zou hij tot 1980 vervullen, waarna hij nog voor tien jaar lid werd van de Raad van State. In 1985 werd hij nog benoemd tot minister van staat, een mooi bekroning van zijn imposante politieke loopbaan. In 2009 overleed Toxopeus op de respectabele leeftijd van 91 jaar.

Hendrik Goeman Borgesius
Liberalen
02
Feb
2023
Feb 27, 2023
Fleur de Beaufort
Sociaal-liberaal politicus

‘In het communisme of socialisme ligt niet de roeping van de staat. Maar evenmin in het stelsel van laissez faire, dat met zijn zuiver negatieve betekenis onvermogend is om de behoeften van de tegenwoordige maatschappij te bevredigen.’ In een serie artikelen in dagblad Het Vaderland, getiteld ‘Het maatschappelijk vraagstuk’, belichtte de kersverse hoofdredacteur Hendrik Goeman Borgesius zijn visie op ‘de sociale kwestie’. De bevlogen sociaal-liberaal keerde zich altijd tegen het strikt klassiek-liberale laissez faire, laissez passer, maar bewaakte daarbij steeds uiterst zorgvuldig de grenzen richting socialisme. Voor Goeman Borgesius lag de waarheid als het ware in het midden; ja, er was meer werk aan de winkel voor de staat dan klassiek-liberalen van oudsher voor ogen stond, maar nee, van staatspaternalisme kon geenszins sprake zijn.

Hendrik Goeman Borgesius (later zou hij zijn tweede voornaam ‘Goeman’ aan zijn achternaam toevoegen) werd op 1 november 1947 geboren in het Groningse Schildwolde als zoon van de arts Jacobus Borgesius en Grietje Elizabeth Dijkhuizen. Na gestart te zijn met de studie theologie koos Goeman Borgesius uiteindelijk voor rechten. In 1868 promoveerde hij summa cum laude op stellingen. Aanvankelijk was Goeman Borgesius actief als leraar staatswetenschappen, terwijl hij tegelijkertijd zijn eerste stappen op journalistiek vlak zette door bijdragen te leveren aan de van oudsher liberale Arnhemsche Courant en Het Vaderland. Nadat hij in 1877 tussentijds in het district Winschoten werd gekozen als volksvertegenwoordiger zou hij vanaf het moment van zijn beëdiging op 19 november 1877 tot aan zijn dood onafgebroken Kamerlid blijven voor diverse districten. Op 4 februari 1869 trad Goeman Borgesius in het huwelijk met Johanna Bouwina Cannegieter. Het echtpaar mocht gedurende het huwelijk vier zonen en één dochter verwelkomen.

Rond 1870 groeide in ons land het besef dat met de toenemende industrialisering en de trek naar de steden allerlei sociale problemen ontstonden waar de staat zich niet langer zonder meer afzijdig van kon houden. Niet alleen de erbarmelijke woon- en werkomstandigheden, maar ook het feit dat arbeiders met hun gezinnen grotendeels buiten hun eigen schuld om – bijvoorbeeld na een bedrijfsongeval – berooid achterbleven, vroegen om oplossingen. In het ‘Comité ter bespreking der sociale kwestie’, dat in 1870 werd opgericht, bogen diverse hoogleraren en politici zich over de vraag hoe de zgn. ‘sociale kwestie’ het hoofd geboden kon worden. Goeman Borgesius was van meet af aan sterk betrokken bij deze discussie en zou gedurende zijn politieke loopbaan bij herhaling aandacht vragen voor het arbeidersvraagstuk. Hij was vertegenwoordiger van de sociaal-liberale stroming die ook in ons land in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond. Sociaal-liberalen keerden zich tegen een in hun ogen al te individualistisch liberalisme en vroegen aandacht voor de invloed die omgevingsfactoren op de vrijheid en mogelijkheden van individuele mensen kon hebben.

Zo nam Goeman Borgesius in 1886 het initiatief tot een parlementaire enquête naar de toestanden in fabrieken in het algemeen en de uitvoering van het ‘Kinderwetje’ uit 1874 in het bijzonder. De uitkomsten van deze enquête waren bij vlagen ontluisterend, zeker wanneer fabriekseigenaren – zoals de bekende familie Regout in Limburg – zonder enige scrupules de werkomstandigheden schetsten en toonden aan de enquêteurs. Uiteraard waren er ook fabriekseigenaren die zich het lot van hun werknemers juist zeer aantrokken – zoals Jacob van Marken van de bekende Gist- en spiritusfabriek in Delft – maar daarbij soms ook doorsloegen in hun paternalistische houding en de arbeiders iedere vorm van individuele vrijheid ontnamen.

De uitkomsten van de parlementaire enquête waren aanleiding voor de eerste voorzichtige stappen op het gebied van meer sociale wetgeving. Zo werd in 1889 de Arbeidswet aangenomen, waarmee nacht- en zondagsarbeid voor minderjarigen tot zestien jaar en vrouwen werd verboden. Bovendien zou de nieuw opgerichte arbeidsinspectie de naleving van wetgeving voortaan controleren en waar nodig sanctioneren. Met name het kabinet Pierson/Goeman Borgesius (1897-1901) realiseerde in hoog tempo diverse wetten die de leefomstandigheden in de steden moesten verbeteren. In dit kabinet was Goeman Borgesius overigens minister van Binnenlandse Zaken, destijds een ministerie waar bijvoorbeeld ook de regeling van het onderwijs toe behoorde. De Woningwet voorzag in betere huisvesting voor arbeiders; de Leerplichtwet voorzag alle kinderen van onderwijs tenminste tot hun twaalfde levensjaar; de Ongevallenwet regelde voorzieningen voor werknemers en hun families na en bedrijfsongeval; en de Gezondheidswet zag toe op verbeterde gezondheidsomstandigheden, bijvoorbeeld door de aanleg van riolering.

In de Kamer was Goeman Borgesius niet alleen sinds 1902 voorzitter van de Kamerclub van de Liberale Unie (de grootste groep liberalen in de Kamer), maar ook voorzitter van de Tweede Kamer in 1913. Naast zijn politieke activiteiten bleef Goeman Borgesius steeds actief als auteur en redacteur van diverse uitgaven waarin de sociale kwestie, zowel nationaal als internationaal, werd bediscussieerd. Zo schreef hij geregeld voor het sociaal-liberale maandblad Vragen des Tijds en was gedurende een aantal jaren ook mederedacteur. Ook het Sociaal Weekblad, een initiatief van mede sociaal-liberaal Arnold Kerdijk, kon op bijdragen van Goeman Borgesius rekenen, evenals het Tijdschrift voor Sociale Hygiëne. Tussen 1877 en 1897 leverde hij bovendien voor de Zutphensche Courant anoniem de wekelijkse bijdrage ‘Men schrijft ons uit Den Haag’.

Het belang van de sociale kwestie werd door Goeman Borgesius ook op bestuurlijk vlak onderschreven. Zo was hij vele jaren bestuurslid en later voorzitter van de Volksbond tegen drankmisbruik – een zaak die sociaal-liberalen na aan het hart ging. Daarnaast was hij bestuurslid bij de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en was hij onder meer hoofdbestuurslid en gedurende enige tijd ook voorzitter van de Vereniging Volksonderwijs. Aan de jaarlijkse congressen rondom openbare gezondheidsregelingen, die er mede toe geleid hebben dat begin twintigste eeuw de eerste Gezondheidswet werd gerealiseerd, werkte Goeman Borgesius ook actief mee, tussen 1902 en 1906 als voorzitter.

In zijn strijd voor de sociale kwestie bewoog Goeman Borgesius tussen het klassiek-liberalisme en het socialisme, waarbij hij er zorgvuldig voor waakte dat de balans nooit zou doorslaan ten gunste van de laatste. ‘Men gevoelt het: op dat standpunt wordt de roeping van den staat tegenover de sociale vraagstukken een geheel andere dan ze zijn kan onder de heerschappij van denkbeelden, die uitsluitend aan het beginsel van individueele vrijheid recht van bestaan toekennen, maar ook een geheel andere dan ze zijn kan in de zogenaamde socialistische orde van zaken, waarbij de individueele vrijheid op economisch gebied door van staatswegen georganiseerden en gereglementeerden arbeid geheel zou worden vervangen.’ Er moest altijd ruimte blijven voor eigen initiatief en eigen verantwoordelijkheid. Daarom was Goeman Borgesius ook groot voorstander van de oprichting van coöperaties en spaarverenigingen, waarbij deelnemers zelf initiatief moesten tonen, maar tegelijkertijd geholpen werden door de collectieve organisatie. Voor Goeman Borgesius was het zeker niet altijd zonder meer de staat die moest ingrijpen.

José María Luís Mora
Liberalen
02
Feb
2023
Feb 8, 2023
Wilbert Jan Derksen
Mexicaans liberaal politicus

In Nederland zullen maar weinig mensen van hem hebben gehoord, maar José María Luís Mora geldt waarschijnlijk als de belangrijkste liberaal uit de Mexicaanse geschiedenis. Deze journalist, politicus en liberaal staatsman werd in 1794 geboren in Guanajuato, gelegen in het midden van het huidige Mexico. Hij was een zogeheten criollo, een etnische Spanjaard geboren in de koloniën (in de sociale hiërarchie stonden zij onder de in Spanje geboren peninsulares, maar boven de etnisch gemengde mestiezen en mulatten). In zijn vroege jaren leek het erop dat Mora het religieuze pad zou bewandelen, want hij studeerde theologie en had in eerste instantie de ambitie priester te worden. Hoewel hij in 1820 zijn diploma haalde, gooide hij het roer om en besloot zich te storten op de politiek. Eerst als journalist en later als politicus.

Het was ook rond deze tijd dat de Mexicaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1810-1821) op zijn einde liep en Mexico zich als onafhankelijke natie van het Spaanse Rijk losmaakte. Als liberaal politicus beoogde Mora de nieuwe soevereine staat mede vorm te geven. Dat deed hij onder meer door mee te schrijven aan de eerste Mexicaanse grondwet. Toch zou hij later kritisch zijn op diezelfde grondwet, aangezien veel belangrijke liberale beginselen niet werden overgenomen. Zo pleitte Mora voor godsdienstvrijheid en een modernisering van het onderwijs. Wat hem vooral stak was de speciale positie van de Rooms-Katholieke Kerk. Hoewel hij dus zelf ooit priester wilde worden, was hij van mening dat een duidelijke scheiding van kerk en staat noodzakelijk was in de nieuwe republiek. Daarnaast was Mora kritisch op het besluit van de regering de Spanjaarden (peninsulares) te verbannen (uiteindelijk zou zo’n driekwart van deze bevolkingsgroep het land uitgezet worden).

Mora schreef een aantal werken waarin hij uitweidde over zijn liberale ideeën. Daarbij liet hij zich vooral inspireren door liberale denkers als John Locke en Benjamin Constant. Een belangrijk thema was zijn angst voor de zogeheten algemene wil, ook wel volkswil genoemd. Dat concept werd door de Zwitsers-Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau bedacht en stelde dat het algemeen belang (van het volk) boven het individueel belang gezet dient te worden. Men heeft zich daaraan aan te passen en wie dat niet doet, kan daar uiteindelijk toe gedwongen worden. Mora meende dat dit idee ervoor gezorgd had dat de Franse Revolutie (1789) uiteindelijk resulteerde in de Terreur-periode, toen in naam van het volk talloze mensen werden vermoord. Hij vreesde dat Mexico een soortgelijk lot stond te wachten indien de volkswil niet werd bedwongen. Die zou dus een direct gevaar vormen voor de vrijheid van het individu. Om die reden pleitte Mora dan ook voor het waarborgen van burgerrechten binnen een constitutioneel systeem.

Het Mexicaanse politieke landschap was in de decennia na de onafhankelijk niet bepaald stabiel te noemen. Staatsgrepen volgden elkaar snel op en de meeste presidenten regeerden eerder als dictator dan als democratisch leider. In die context had Mora moeite zijn ideeën in de praktijk te brengen. Toch boekte hij kleine successen. Onder de liberale vicepresident Valentín Gómez Farías (die in naam van de conservatieve president Antonio Lopez de Santa Anna regeerde) werd Mora verantwoordelijk gemaakt voor de hervorming van het onderwijs. Daarop werd de eerste seculiere school in Mexico door hem geopend. Ook wilde Farías een einde maken aan de speciale positie van de Rooms-Katholieke Kerk in het land. Zijn beleid riep echter weerstand op bij de conservatieven en uiteindelijk besloot president Santa Anna zijn vicepresident af te zetten en diens hervormingen weer terug te draaien.

Nadat Farías eerder al het land had verlaten, besloot ook Mora naar het buitenland te vertrekken. Zo kwam hij in Frankrijk terecht, waar hij een lange tijd zou verblijven. Uiteindelijk vertrok Mora naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij in 1844 tot ambassadeur werd benoemd door de nieuwe Mexicaanse president. Even leek het erop dat hij terug zou keren naar Mexico toen Farías weer aan de macht kwam, maar dat ging uiteindelijk niet door vanwege het uitbreken van de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog (1846-1848). Na deze oorlog werd Mora ziek en in 1850 overleed hij in Parijs aan de gevolgen van tuberculose.

In de jaren na zijn dood vonden zijn ideeën eindelijk echt doorgang in de Mexicaanse politiek tijdens de zogeheten Reforma (Hervorming). Vanaf 1855 vonden er verschillende liberale hervormingen plaats gericht op zaken als de scheiding van kerk en staat, persvrijheid, vrijheid van meningsuiting en gelijkheid voor de wet. Deze liberale beginselen werden ook verankerd in de Mexicaanse grondwet van 1857. Mora kan daarom ook wel als de vader van het Mexicaanse liberalisme worden gezien en als de wegbereider voor de liberale politici die na zijn dood de moderne Mexicaanse staat vorm zouden geven. Helaas hebben politieke strubbelingen, bloedige interne conflicten en institutionele corruptie er uiteindelijk voor gezorgd dat Mexico vandaag de dag niet als een welvarend bakermat van het liberalisme kan worden gezien.

Bernard Mandeville
Liberalen
12
Dec
2022
Dec 1, 2022
Wilbert Jan Derksen

Hoewel hij zijn leven grotendeels in Engeland doorbracht, zou de naam Bernard Mandeville (1670-1733) ons bekender in de oren moeten klinken dan het waarschijnlijk doet. Deze arts en filosoof heeft namelijk een Nederlandse achtergrond en werd in Rotterdam geboren. Later studeerde hij medicijnen aan de universiteit van Leiden. Niet geheel verassend, aangezien hij uit een familie van artsen kwam. Na zijn studie verhuisde hij naar Engeland, waar hij zijn hele leven zou blijven wonen. Daar ontmoette hij ook zijn vrouw, met wie hij twee kinderen kreeg. In Engeland ontpopte Mandeville zich niet alleen tot een gerenommeerd arts, maar ook een zeer controversieel politiek denker.

Door zijn werk als arts, vooral gericht op psychiatrische aandoeningen, kreeg Mandeville een uniek kijkje in met name de donkere kanten van de geest van de mens. Dit perspectief kwam ook duidelijk naar voren in zijn politieke werken. In 1705 publiceerde Mandeville een gedicht genaamd ‘The Grumbling Hive, or Knaves Turn’d Honest’ (De morrende korf of eerlijke geworden schurken). Het betrof slechts een kort fabelgedicht, maar viel vanwege zijn controversiële uitgangspunt niet bij iedereen in goede aarde. Hierop besloot Mandeville een uitgebreide argumentatie aan het gedicht toe te voegen. Deze publicatie verscheen in 1714 onder de naam The Fable of the Bees: or, Private Vices, Publick Benefits (De fabel van de bijen: of, particuliere ondeugden, publieke weldaden).  

De fabel gaat over een bijenkorf die een welvarende samenleving van bijen kent. De bijen klagen echter over de problemen die heersen in de korf: decadentie, criminaliteit, oplichting, etc. Ze willen af van de zonden die hun samenleving plagen. De goden horen dit geklaag aan en besluiten dat de ondankbare insecten moeten worden gestraft. En wel door ze precies te geven waar ze om vragen. De volgende dag worden de bijen wakker als wezens die volledig eerlijk en deugdzaam zijn. Ze kennen geen hebzucht of andere zonden meer. Hierdoor is er alleen nauwelijks werk meer te doen in de korf, aangezien de vraag naar de meeste producten en diensten is verdwenen. Veel bijen verliezen daarop hun baan. Een groot deel van de bijen vertrekt en de paar die overblijven leven in een holle boom. Hun welvarende samenleving is volledig in elkaar gestort en van de bijenkorf is vrijwel niks meer over.

Mandevilles fabel was in feite een politieke satire over de samenleving die hij om zich heen zag: ‘verdorven was elk onderdeel, en toch een paradijs in het geheel’. Mandeville geloofde dat het immorele gedrag van individuen juist de motor was achter de welvaart van de samenleving. De economie steunt op de zonden waar wij ons voor zeggen te schamen. Net zoals bij andere dieren zit het nastreven van eigenbelang nu eenmaal in de menselijke aard. Egoïsme is niet slecht, maar juist goed voor de samenleving. Die kille boodschap ging direct in tegen de christelijke norm van barmhartigheid en naastenliefde. Zijn harde woorden werden hem door zijn tijdgenoten dan ook niet in dank afgenomen, met name in religieuze kringen. Sterker nog, het leverde hem de bijnaam ‘Man-Devil’ op.  

Mandeville wordt ook wel als de voorloper van de Schotse liberaal Adam Smith (1723-1790) gezien. In zijn teksten beschreef hij namelijk al wat door Smith later de arbeidsdeling (division of labour) is genoemd. Wanneer individuen zich specialiseren in een specifieke arbeidstaak, dan is dat voordeliger dan wanneer iedereen al die verschillende taken zelf moet uitvoeren. De een richt zich op het maken van wapens, de ander op het zorgen voor voedsel en weer een ander op het bouwen van huizen. Zo voorzien ze in elkaars behoeftes en krijgen ze de kans de vaardigheden binnen hun ambacht volledig te perfectioneren.

In Mandevilles ideeën zien we bovendien ook de contouren van Smiths theorie over de ‘onzichtbare hand’ op de markt. Mandeville stelde dat wanneer we individuen maar vrijlaten hun (immorele) keuzes te laten maken, dit (onbedoeld) voordelig is voor de gehele samenleving. Maar waar Smith pleitte voor een lassez-faire economie, vond Mandeville dat de overheid wel een rol te spelen had in het kanaliseren van de verlangens en lusten van individuen. Zo wilde hij de prostitutie legaliseren en bordelen onder staatsbeheer brengen. Mandeville legde bovendien meer de nadruk op immoreel handelen als drijfkracht achter de economie, terwijl Smith een meer amorele visie had waarin wel degelijk ruimte was voor bijvoorbeeld altruïsme. Op dat punt nam Smith zelfs expliciet afstand van Mandevilles ideeën.  

In 1733 stierf Mandeville op 62-jarige leeftijd, een jaar nadat zijn vrouw overleed. Hoewel hij door veel tijdgenoten werd veracht, wordt hij tegenwoordig als een van de wegbereiders van het moderne kapitalisme gezien. Naast Smith, zouden ook andere grote liberale denkers als David Hume (1711-1776) en Friedrich Hayek (1899-1992) zijn geïnspireerd door het werk van Mandeville.

Annelien Kappeyne van de Coppello
Liberalen
09
Sep
2022
Sep 19, 2022
Fleur de Beaufort
De naam Kappeyne van de Coppello is in de liberale politieke geschiedenis geen onbekende.

‘Het recht op eigen lijf […] is het meest primaire, en naar moderne opvattingen ook het meest finale recht van de mens.’

De naam Kappeyne van de Coppello is in de liberale politieke geschiedenis geen onbekende. Jan Kappeyne van de Coppello (1822-1895) was in de negentiende eeuw alles bij elkaar ruim zeventien jaar politiek actief in Eerste en Tweede Kamer en korte tijd als voorzitter van een eigen kabinet. Bovendien gold hij enige tijd als ‘liberale leader’. De twintigste-eeuwse politica Annelien Kappeyne van de Coppello was weliswaar geen directe nazaat van Jan, maar wist zich bij vlagen evenzo in de kijker te spelen als haar naamgenoot.

Kappeyne groeide met twee oudere broers op in het gehucht Oud-Over bij Loenen aan de Vecht, als dochter van Nicolaas Johannes Cornelis Marie Kappeyne van de Coppello (1902-1992) en Theodora Elisabeth Catharina Maria van Panhuys (1904-1990). Zij ging in 1956 rechten studeren aan de Rijksuniversiteit Leiden en werd daar actief bij de Vereniging voor Vrouwelijke Studenten Leiden (VVSL). VVD-senator Harm van Riel was als lid van de Raad van Advies bij deze vereniging betrokken en inspireerde Kappeyne zich richting de politiek te bewegen. Van Riel zou over de studente gezegd hebben ‘dat meisje van Kappeyne moet je ergens bij betrekken’.

Na een rol bij de propagandacommissie voor de Statenverkiezingen werd Kappeyne in 1966 voor de liberalen gekozen in de Leidse gemeenteraad. Een functie die ze eerst combineerde met een baan als fractiemedewerkster van de VVD in de Tweede Kamer en later tussen 1969 en 1971 met een baan als adjunct-secretaris van de Kiesraad. Op 11 mei 1971 kwam voor Kappeyne een droom uit met haar beëdiging tot Tweede Kamerlid. Naar eigen zeggen heeft Kappeyne getwijfeld tussen liberalisme en sociaaldemocratie, maar het feit dat in haar ogen bij de liberalen de meeste aandacht was voor de plaats van het individu in de gemeenschap gaf in 1961 de doorslag bij de keuze voor de VVD.  Later werd ze groot voorstander van samenwerking tussen VVD en PvdA, iets wat haar, in combinatie met haar standpunten en haar rode haarkleur, de naam ‘rooie Lien’ zou opleveren.

Aanvankelijk wees niets erop dat Kappeyne tot een opvallend Kamerlid zou uitgroeien. De eerste jaren toonde ze zich weliswaar inhoudelijk steeds degelijk voorbereid en ontwikkelde ze zich tot scherp debater, maar haar optreden waren geen aanleiding tot ronkende krantenkoppen. Min of meer per toeval kwam hier verandering in toen Kappeyne in november 1976 justitiewoordvoerder Aart Geurtsen moest vervangen in het debat over kunsthandelaar en vermeend oorlogsmisdadiger Pieter Nicolaas Menten.

Menten, die ervan werd verdacht betrokken te zijn bij oorlogsmisdaden in het door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog bezette Polen, was aan de vooravond van zijn arrestatie uitgeweken naar het buitenland. Verantwoordelijk minister van Justitie Dries van Agt (KVP) kreeg het verwijt het dossier-Menten niet tijdig en bovendien onvoldoende adequaat te hebben behandeld. In allerijl teruggeroepen van een buitenlandse reis begon de minister bekaf en slecht voorbereid aan het debat met de Tweede Kamer, waarin hij zich ‘stuntelig, op het meelijwekkende af’ verdedigde tegen de stevige kritiek.  Kappeyne voerde met verve het woord namens oppositiepartij VVD en verweet Van Agt politiek gevoel en inlevingsvermogen. Later vatte Kappeyne haar kritiek op Van Agt nog eens samen in een interview in weekblad De Tijd: ‘hij voelt helemaal niet aan hoe hij met een enkele opmerking een heleboel mensen enorm kan kwetsen. Onhandigheid? Dat is dan toch wel een heel essentiële onhandigheid. Iemand die zó onhandig is, moet je niet op zo’n post zetten.’

Kappeyne verweet tijdens het debat de minister door zijn aarzelende optreden klasse-justitie te bedrijven en zij toonde begrip voor de publieke twijfel aan een rechtvaardige rechtsbedeling in ons land. Het betoog kwam Kappeyne op applaus van de (overvolle) publieke tribune te staan, waarop de Kamervoorzitter zich haastte het publiek te corrigeren dat applaus niet was toegestaan.  Naast veel lof was er ook kritiek. Niet alleen vanwege de volgens tegenstanders ‘denigrerende toon’ of ‘beschamende onbeleefdheden’ aan de interruptiemicrofoon, maar ook vanwege haar ‘weinig vrouwelijke’ verschijning. Later zou Kappeyne daar zelf in De Tijd over zeggen: ‘ze hebben me vroeger wel eens gezegd: zo moet je nooit gaan staan [ze stond voor de interruptiemicrofoon veelal met één hand in haar zij]. Maar ik ben niet van plan me daar iets van aan te trekken. Mensen die me kennen weten dat het bij me hoort. Ik ben geen etalagepoppetje, ik sta daar om aan te vallen.’

Even fel zou Kappeyne zicht tonen in haar stellingname tijdens de debatten rondom de legalisering van abortus. Daarbij vond zij niet alleen opnieuw minister Van Agt tegenover zich, maar ook enkele zeer prominente leden van haar eigen partij, met name in de Eerste Kamer. VVD en PvdA dienden in 1976 gezamenlijk een initiatiefwet in voor een wettelijke regeling van abortus. Bij de verdediging voerde Kappeyne het woord en koos voor de toenemende beschermwaardigheid van de ongeboren vrucht en stelde dat het beginpunt voor menselijk leven in juridische zin het moment is waarop de vrucht zelfstandig levensvatbaar kan zijn buiten het moederlichaam. Nadat de initiatiefwet in de Tweede Kamer werd aangenomen met 83 voor en 58 stemmen tegen, sneuvelde het alsnog in de Eerste Kamer met 41 stemmen tegen en 34 voor.

Het stak Kappeyne met name dat senatoren van haar eigen partij hadden tegengestemd, nadat fractievoorzitter Haya van Someren-Downer er een ‘vrije kwestie’ van had gemaakt. Alle VVD-senatoren konden daardoor een eigen afweging maken, zo ook Van Someren zelf, die met ernstige gewetensbezwaren kampte en tegen stemde. Kappeyne was furieus en dreigde zelfs haar politieke carrière aan de wilgen te hangen als ze abortus niet gelegaliseerd zou worden. In 1981 zou de senaat alsnog instemmen en was de wettelijke regeling voor abortus een feit.

Opmerkelijk genoeg claimde Kappeyne voor haar eigen – meer dan eens afwijkende – meningen alle ruimte, terwijl zij deze vrijheid in het abortusdebat aan Van Someren meende te kunnen ontzeggen. Zo was Kappeyne openlijk voor nauwere samenwerking met de PvdA (al was het maar om de abortuswet ‘erdoor te rammen’), terwijl partijprominent Hans Wiegel daar niets van moest hebben. Wiegel vond ze ook tegenover zich inzake de afschaffing van de doodstraf in het militair recht. Intussen had Kappeyne als vice-fractievoorzitter bovendien een slechte verhouding met fractievoorzitter Koos Rietkerk. Uiteindelijk zou zij zich in 1981 uit onvrede terugtrekken als kandidaat voor de eerstvolgende Kamerverkiezingen, nadat een motie op het partijcongres om buitenlanders stemrecht te geven bij gemeenteraadsverkiezingen het niet haalde.

In de laatste periode van het Kamerlidmaatschap zette Kappeyne zich succesvol in voor het grondwettelijk verankeren van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam. Opnieuw vond zij Wiegel tegenover zich, die echter moest inbinden toen een Kamermeerderheid het voorstel voor invoering van de lichamelijke onschendbaarheid steunde. Later zou Kappeyne dit zelf haar grootste succes noemen. ‘Het recht op eigen lijf […] is het meest primaire, en naar moderne opvattingen ook het meest finale recht van de mens. Het vangt aan bij het begin van het leven, dat wil zeggen bij de geboorte, en het reikt zelfs over de dood heen als men er mede toe rekent het bestemming mogen geven aan het eigen stoffelijk overschot of bepaalde delen ervan.’

Na haar vertrek uit de Kamer kreeg Kappeyne in 1982 het staatssecretariaat Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangeboden, met dank aan toenmalig fractievoorzitter Ed Nijpels, die zich niets aantrok van het feit dat veel partijprominenten niet erg warmliepen voor deze keuze. Kappeyne accepteerde de voordracht, maar zou uiteindelijk als staatssecretaris niet goed op haar plek zijn. ‘De fameuze VVD-parlementariër van de jaren zeventig Kappeyne van de Coppello, ontpopte zich tegen de verwachtingen in, als een saaie figuur ergens op de achtergrond’, aldus een bericht in NRC Handelsblad.  Eerder had Kappeyne overigens een post als staatssecretaris resoluut afgeslagen, daar ze niet met Van Agt in een kabinet wenste plaats te nemen.

Met de benoeming bij de Raad van State begonnen wat Kappeyne later zou typeren als de gelukkigste jaren van haar leven. Extra bijzonder is dat ze de plaats van staatsraad Edzo Toxopeus innam, fractievoorzitter van de VVD in 1966 toen Kappeyne haar politieke vleugels begon uit te slaan als factiemedewerker. Voor de jurist Kappeyne leek de cirkel rond en als staatsraad voelde zij zich als een vis in het water. Helaas betekende de diagnose kanker een onverwacht snel einde van deze gelukkigste jaren. Ze werkte door tot het echt niet meer ging en zij op 23 februari 1990 de strijd tegen de slopende ziekte definitief moest opgeven.

Haya van Someren
Liberalen
07
Jul
2022
Jul 28, 2022
Fleur de Beaufort
Nederlands politica. Voormalig VVD-partijvoorzitter, Tweede Kamerlid en Eerste Kamerlid. ‘Liberalisme is iets om voor te vechten zolang je leeft’.

‘Ik geloof in mensen die hun eigen leven mogen leiden, zo intens mogelijk. Dat begint al vroeg. Vrijheid, dat is niet niks hoor. Dat is alles wat een mens maar kan hebben […] vrijheid is voor mij regelrecht verankerd met geluk. ’t Is niet alleen mijn politieke keuze, dat is mijn levenskeuze.’

‘Wie is toch dat leuke meisje achter in de zaal’, zou Pieter Oud, aldus de Mare, tijdens de oprichtingsvergadering van de VVD hebben gevraagd aan partijsecretaris Dick Dettmeijer. De eenentwintigjarige Gerarda Victoria Downer (Haya koos zij zelf en liet zij in 1974 officieel vastleggen als haar eerste naam) zat achterin en diende Oud, ondanks haar jeugdige onervarenheid, luidruchtig van repliek, waarmee ze de aandacht direct op zich gevestigd wist. Overigens zat zij deze 24ste januari 1948 naast de toen zestienjarige Henk Vonhoff met wie zij het meteen goed kon vinden.

Geboren als dochter van George John Downer en Johanna Wilhelmina Schuit, groeide Haya samen met twee broers op in Amsterdam. Haar ouders en broers sympathiseerden in de jaren ’30 en tijdens de Duitse bezetting openlijk met het nationaal-socialisme, terwijl Haya zelf juist een enorme afkeer had van de massamanipulaties die met de nazi-ideologie gepaard gingen. Als kind van ‘foute ouders’ was het voor Haya niet eenvoudig direct na de oorlog, wel voedde juist deze ervaring haar keuze voor het liberalisme, zo zou ze in 1973 in een interview met Margriet duidelijk maken. ‘Door de oorlog ben ik in de politiek verzeild geraakt. Ik heb de oorlog van mijn 13e tot mijn 18e meegemaakt, dat is natuurlijk een erg gevoelige periode van je leven, de puberteit, en ik heb er een diepe afkeer gekregen van al wat dictatuur is. Ik vond dat het liberalisme een duidelijk antwoord gaf op het fascisme van de SS en de NSB. Duidelijker dan de socialisten. […] Mijn afkeer van de dictatuur is bijna walging. Het is mijn wond.’

Na het gymnasium ging Haya geschiedenis en wijsbegeerte studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Daar ergerde zij zich echter al snel aan de 'betweterige onverdraagzame linkse onderwijsgevenden en studenten', waardoor zij koos voor de overstap naar de Vrije Universiteit. Mogelijk speelde ook het feit dat Haya in de studentenwereld geconfronteerd werd met haar oudste broer en diens ‘foute verleden’ als student – de naam Downer kwam immers niet heel veel voor – een rol bij haar opmerkelijke keuze voor de gereformeerde VU.

Nog voor haar afstuderen deed Haya in 1952 mee aan een schrijfwedstrijd van Elseviers Weekblad, waarin deelnemers werd gevraagd wat volgend jaar de primaire taak voor de overheid zou moeten zijn. Het winnende stuk met als titel ‘Overheid stake dodelijke voogdij’ kwam van Haya. Na afronding van haar studie startte Haya als journalist bij De Telegraaf, aanvankelijk als kunstcritica, later als parlementair verslaggeefster. Toenmalig hoofdredacteur van de krant Co Stokvis gaf haar weliswaar de baan, maar voorspelde tegelijkertijd dat ze als vrouw binnen een maand zou mislukken, aldus zou Haya later verklaren. Ze bewees echter het tegendeel en werkte tot haar overstap naar de politiek in 1959 voor de krant.

In 1954 trouwde Haya met Jan van Someren, jurist, actief VVD-lid en districtscommandant van de Amsterdamse padvinderij. Ze hadden elkaar ontmoet bij de padvinderij, waar ook Haya als jaren actief was, laatstelijk als akela van een groep welpen. Alvorens het huwelijk kon worden voltrokken moet Van Someren scheiden van zijn eerste vrouw met wie hij twee nog jonge kinderen had. Voor die tijd heel modern lukte het alle partijen een goede omgangsregeling te treffen, mede door de coulance van Van Someren’s ex Jenny. Tekenend voor haar verzoenende houding is het feit dat zij na het overlijden van Haya met Van Someren zou hertrouwen. Ook met haar stiefkinderen zou Haya een goede verstandhouding ontwikkelen.

Het huwelijk bood Haya, die tot dat moment noodgedwongen nog bij haar ouders woonde, de mogelijkheid definitief afstand te nemen van haar familie. Ze gebruikte als journalist voortaan de naam Van Someren en op haar eigen rouwadvertentie werd de naam Downer helemaal niet genoemd. Uit het huwelijk werd één zoon geboren (Haya zou als eerste vrouwelijk Kamerlid tijdens haar Kamerlidmaatschap moeder worden). Als voorvechtster van vrouwenrechten en emancipatie betekende het moederschap voor Haya welhaast vanzelfsprekend niet dat ze voortaan thuis zou blijven, iets wat haar man ook niet verwachte.

Naast haar werk bij De Telegraaf was Haya actief binnen de VVD. Haar nadrukkelijke aanwezigheid werd met name door vrouwelijke partijleden niet altijd geapprecieerd, maar ze wist er de aandacht van de mannelijke partijprominenten mee te trekken. In 1958 werd ze voorgedragen voor de kandidatenlijst van de Tweede Kamer en kwam uiteindelijk op een zestiende plaats terecht. Dankzij de verkiezingswinst van de liberalen in 1959 – de VVD groeide van 13 naar 19 zetels – kon Haya de overstap maken van de journalistiek naar de politiek. Met haar 32 jaar was ze het jongste (vrouwelijke) Kamerlid.  In haar nieuwe rol zouden haar oude contacten vanzelfsprekend nog van pas komen.

Binnen de fractie kreeg Haya de portefeuilles onderwijs en omroepzaken toegewezen. Haar maidenspeech hield ze in het debat over de Mammoetwet van minister Jo Cals (KVP), waarbij ze direct een aantal amendementen indiende, hoe ongebruikelijk ook tijdens zo’n eerste redevoering in het parlement. In haar onervarenheid was ze tijdens dit eerste debat veel te breedsprakig, maar allengs ontwikkelde ze zich tot debater die rap van de tongriem was gesneden. Haya maakte zich sterk voor het openbaar onderwijs, dat in haar ogen door de plannen van de katholieke minister werd achtergesteld, en voor behoud van het gymnasium boven de invoering van een brede brugklas.

Het omroepbeleid stond in deze periode eveneens in de politieke belangstelling en Haya was vurig pleitbezorgster van de toelating van commerciële televisie op het verzuilde Nederlandse televisie- en radionet. In haar ogen zou binnen afzienbare tijd een tweede televisienet in het leven moeten worden geroepen, volledig gefinancierd uit reclame-inkomsten. Een door Haya met steun van fractievoorzitter Oud ingediende motie van deze strekking haalde het uiteindelijk niet.

In 1967 werd Haya opnieuw geconfronteerd met het ‘foute verleden’ van haar familie toen Hendrik ‘Boer’ Koekoek, fractievoorzitter van de Boerenpartij, haar zonder nadere onderbouwing openlijk beschuldigde in 1938 lid te zijn geweest van de nationaal-socialistische Jeugdstorm. Tijdens een kort geding bleek dat hiervoor ieder bewijs ontbrak en Koekoek moest op straffe van een dwangsom zijn lastercampagne staken.

Hoewel Haya op 30 september 1968 terugtrad als Tweede Kamerlid, daar zij haar werkzaamheden als parlementariër maar moeilijk kon combineren met de zorg voor haar inmiddels driejarige zoontje, betekende dit geenszins het einde van haar politieke betrokkenheid. Binnen een jaar werd zij door de algemene vergadering van de VVD bij acclamatie gekozen tot partijvoorzitter. Daarmee werd zij de eerste vrouw in ons land die deze rol vervulde. In deze functie zou ze samen met de fractievoorzitters in de Eerste en Tweede Kamer, Harm van Riel en Hans Wiegel het trio - 'de drie H.'s' – vormen en jarenlang gezichtsbepalend voor de VVD zijn. Als partijvoorzitter zorgde ze via het zgn. ‘tientjes-lidmaatschap’ voor een succesvolle groei van het aantal partijleden (gedurende haar zesjarige voorzitterschap van 30.000 naar maar liefst 80.000 leden) en stimuleerde bovendien de actieve participatie van leden.

Nog tijdens het partijvoorzitterschap werd Haya op 17 september 1974 lid van de Eerste Kamer en twee jaar later nam zijn het fractievoorzitterschap over van Harm van Riel. Als kersverse factievoorzitter maakte zij van de abortuskwestie – een initiatiefwet van VVD en PvdA – een vrije kwestie. De liberale senatoren waren daardoor niet gehouden aan een fractiestandpunt doch konden zelf een afweging maken. Haya bleek ernstige gewetensbezwaren te hebben en haar stem tegen was er mede debet aan dat de initiatiefwet strandde in de Eerste Kamer tot grote frustratie van partijgenote Annelien Kappeyne van de Coppello. Ook in de samenleving werd Haya als de boosdoener gezien en kort na het debat werden zelf bij haar thuis en op het partijsecretariaat ramen ingegooid en muren beklad met leuzen. De verwijten, zeker vanuit haar eigen partij, troffen Haya onaangenaam, maar ze liet de bitterheid niet de overhand nemen.

Even leek het erop dat Haya’s politieke carrière een volgende fase in zou gaan toen haar naam werd genoemd als minister van Onderwijs bij de formatie van het kabinet-Van Agt-Wiegel (1977). In datzelfde jaar openbaarde zich bij haar echter de eerste verschijnselen van kanker waar zij drie jaar later aan zou overlijden. Zij bleef tot het einde als voorzitter verbonden aan de Eerste Kamerfractie en hield langdurig voor zich hoe slecht het daadwerkelijk met haar gezondheid was gesteld. In april 1980 hield ze een rede op het partijcongres en zonder dat iemand zich ervan bewust was realiseerde Haya dat het weleens haar laatste rede zou kunnen zijn. Ze benadrukte bij die gelegenheid dat liberalisme veel meer behelst dan het partijbelang van de VVD, ‘liberalisme is iets om voor te vechten zolang je leeft’.

Frits Korthals Altes, die Haya in 1975 was opgevolgd als partijvoorzitter, zorgde er een half jaar na haar overlijden voor dat het vormings- en scholingsinstituut van de VVD voortaan de Haya van Someren-Stichting zou heten. Een terecht eerbetoon aan de politica die lange tijd mede gezichtsbepalend was voor de VVD, over een groot redenaarstalent beschikte, met haar uitstraling en strijdbaarheid de publiciteit steeds wist te vinden en zich altijd groot voorvechtster toonde van emancipatie en ontplooiing.

Lord Palmerston
Liberalen
05
May
2022
May 9, 2022
Patrick van Schie
Lees meer over Lord Palmerston, Brits liberaal staatsman

Dé liberale leider die meestal met het Groot-Brittannië van de negentiende eeuw wordt geassocieerd is Gladstone, maar hij was noch de eerste liberale leider van dat land noch de eerste die in brede volkskringen enorme populariteit genoot. Vóór ‘The People’s William’ – zoals Gladstone wel werd genoemd – kwam ‘The People’s Darling’: lord Palmerston. Laatstgenoemde werd in 1859 na de vorming van één liberale partij in het Britse Lagerhuis premier van het liberale kabinet. Zijn naam en faam had hij toen al lang gevestigd.

De liberalen die in 1859 bijeenkwamen bestonden ruwweg uit een verzameling van Whigs (vanouds de grote tegenstanders van de Tories), filosofische radicalen, en Peelites (diegenen die met Robert Peel in 1846 de Tory-partij hadden verlaten omdat zij anders dan de meerderheid van deze partij voorstanders van vrijhandel waren). Gladstone was een Peelite, Palmerston een Whig. Maar Palmerston was als jongeman niet als zodanig in het Lagerhuis gekozen. Net als Gladstone begon Palmerston zijn politieke carrière als een Tory.

Hoewel deze inleidende alinea’s wellicht een verwantschap tussen beide heren suggereren, lagen de twee elkaar niet. Dat had met rivaliteit te maken maar daarnaast stak de flamboyante bon vivant Palmerston – bijgenaamd ‘lord Cupid’ wegens zijn succes bij de vrouwen – nogal af bij de puriteinse en zuinige Gladstone. Desalniettemin zou Gladstone in het liberale kabinet van premier Palmerston dat in 1859 aantrad de belangrijke post van minister van Financiën vervullen.

Eerst terug naar eind achttiende eeuw, toen Palmerston werd geboren (in 1784). Tot zijn vader overleed heette de jongen formeel Henry Temple maar hij werd Harry genoemd. Hij was op het moment dat zijn vader overleed nog jong. Hij erfde onder andere de titel burggraaf (viscount). Harry was de derde burggraaf met de naam Palmerston. Op 22-jarige leeftijd slaagde hij erin te worden gekozen in het Lagerhuis. Twee jaar later werd hij Secretary at War, onderminister op het departement van Oorlog. Het was een vooral administratieve functie, die hij maar liefst 19 opeenvolgende jaren bekwaam zou vervullen. Zijn politiek profiel hield hij destijds nog verborgen.

Palmerston was echter voorstander van zeker drie grote hervormingen waarmee hij zich onderscheidde van de meeste Tories en waardoor een breuk met zijn partij op den duur onvermijdelijk werd. Ten eerste steunde hij het streven naar Catholic Emancipation, dat wil zeggen de opheffing van de wettelijke discriminatie van rooms-katholieken. De beëindiging van de achterstelling van katholieken was onder de protestantse bevolking fel omstreden maar kwam in 1829 toch tot stand. Meer in zijn algemeenheid was en bleef Palmerston overigens een voorstander van de scheiding van kerk en staat. Ten tweede was Palmerston een tegenstander van de slavernij en de slavenhandel. En ten derde was hij voorstander van vrijhandel, decennia voordat dit in de jaren veertig zo’n groot strijdpunt in de Tory-partij zou worden.

Na zijn breuk eind jaren twintig met de Tories kreeg Palmerston reeds in 1830 een prominente plek in het toen aantredende Whig-kabinet. Hij werd minister van Buitenlandse Zaken, een post die hij veel vaker zou bekleden – in totaal 15 jaar – en die hem wellicht meer faam bracht dan zijn latere twee premierschappen. De grootste kluif waarmee hij als kersverse minister te maken kreeg was de Belgische Opstand. Palmerstons positie in de buitenlandse politiek was dat zoveel mogelijk steun diende te worden gegeven aan liberale, oftewel ‘constitutionele’, bewegingen en regeringen in Europa. Hij combineerde dit met het stevig opkomen voor het Britse nationaal belang.

Terwijl Palmerston liberale bewegingen in bijvoorbeeld de zuidelijke Nederlanden (België), op het Iberisch schiereiland en in Italië actief steunde, werd hem verweten dat hij soortgelijke bewegingen elders slechts in woorden aanmoedigde maar in daden niet durfde doorzetten wanneer dit tegen machtige landen in ging. Dit gold de Poolse vrijheidsstrijders die zich wilden losmaken van Rusland (Polen was eind achttiende eeuw opgedeeld waarbij het grootste deel door Rusland was ingelijfd) maar ook het relatief liberale Denemarken dat in 1864 met het autoritaire Pruisen in oorlog raakte. Inderdaad koos Palmerston in deze gevallen voor afzijdigheid, omdat hij (deelname aan een) oorlog met een grote mogendheid niet in het Britse belang achtte. De vraag is natuurlijk ook of eventuele Britse militaire steun de Polen en de Denen daadwerkelijk had kunnen helpen.

Palmerstons eerste premierschap in 1855 dankte hij overigens aan zijn pleidooi voor een krachtiger militair optreden in de Krimoorlog, die Groot-Brittannië en Frankrijk toen aan de zijde van Turkije tegen Rusland voerden. Dit conflict was veroorzaakt door Russische agressie tegen wat nu Roemenië is (toen nog onder het Ottomaanse Rijk viel) maar werd grotendeels op de Krim uitgevochten. De oorlog zou er uiteindelijk toe leiden dat Rusland concessies moest doen en uit de Zwarte Zee werd geweerd..

Palmerstons krachtdadige buitenlandse politiek maakte hem populair bij grote delen van de bevolking. Zijn goede banden met de pers hielpen hierbij. Maar voordat hij in 1855 tot zijn eerste premierschap zou worden geroepen bekleedde hij ruim twee jaar de post van minister van Binnenlandse Zaken (van eind 1852 tot januari 1855). In korte tijd bracht hij veel hervormingen tot stand, vooral inzake de volksgezondheid en de arbeidswetgeving. Zo nam hij hygiënische maatregelen om een grote cholera-epidemie te bestrijden. En hij verbood kinderarbeid na 6 uur s-avonds, wat her en der tevens de arbeid van volwassen arbeiders na dat tijdstip inperkte daar waar hun werkzaamheden mede van kinderen afhankelijk waren.

Palmerston was een hervormer maar hij moest niets hebben van radicale maatregelen laat staan omwentelingen. Daarnaast voelde hij weinig voor uitbreiding van het kiesrecht, anders dan menig Whig en later dan menig liberaal. Dit maakte dat Palmerston wel als liberaal in het buitenland maar conservatief thuis werd afgeschilderd. Zijn daden als minister van Binnenlandse Zaken en de genoemde hervormingen die hij al vroeg voorstond logenstraffen dat oordeel. Volgens Palmerston waren de armen meer geholpen met vrijhandel, die hun levensmiddelen goedkoper maakte, en met gedegen onderwijs dan met deelname aan verkiezingen.

Aan het einde van zijn loopbaan werd Palmerston twee keer premier, bij elkaar gedurende negen jaar. De eerste keer gebeurde dit in 1855. Hij was toen 70 jaar oud, nog altijd de hoogste leeftijd waarop een Britse premier ooit voor het eerst in die functie aantrad. Tien jaar later stierf hij ook in het ambt. Dat was als premier van het verenigd liberale kabinet dat in 1859 aantrad, Palmerstons tweede premierschap.

In zekere zin was het toeval dat Palmerston dat jaar wederom premier werd. Tijdens de bijeenkomst in 1859 waarop de liberalen over hun meningsverschillen heen stapten en besloten hun eigen ambities ondergeschikt te maken aan de liberale eenheid, gaven Palmerston en zijn grote rivaal in de partij Russell (een andere rivaal, Gladstone, was afwezig) hun bereidheid aan onder elkaar te dienen. Het was echter aan koningin Victoria te bepalen wie tot het premierschap zou worden geroepen. Zij koos voor geen van beide rivalen maar zocht lord Granville aan. Pas toen deze er niet in slaagde een kabinet te vormen, kwam Victoria zeer tegen haar zin bij Palmerston uit. ‘Old Pam’ heeft daardoor aan zijn lange staat van dienst op Buitenlandse Zaken een van de langere premierschappen van Groot-Brittannië kunnen toevoegen.

Pieter Oud
Liberalen
04
Apr
2022
Apr 4, 2022
Wilbert Jan Derksen
Als een van de twee oprichters van de VVD, speelde Pieter Jacobus Oud (1886-1968) een belangrijke rol in de moderne Nederlandse liberale geschiedenis.

Als een van de twee oprichters van de VVD, speelde Pieter Jacobus Oud (1886-1968) een belangrijke rol in de moderne Nederlandse liberale geschiedenis. Oud werd in 1886 geboren in Purmerend en kwam uit een middenklasse-familie. Na een studie notariaat en registratie ging hij vanaf 1909 in dienst als ambtenaar op het gebied van financiën. In 1917 rondde hij een vervolgstudie rechten af aan de Universiteit van Amsterdam. In datzelfde jaar werd Oud Tweede Kamerlid namens de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) die in 1901 was ontstaan ter linkerzijde van de Liberale Unie. Hij was op dat moment het jongste Kamerlid.  

Oud gold als de expert op het gebied van financiën binnen zijn partij. Dat was ook de reden dat hij in 1933 aan mocht treden als minister van Financiën in het kabinet-Colijn II (en later III), waar de VDB deel van uit zou maken. Daar wachtte hem wel een zware taak, want ook Nederland leed in die jaren onder de economische depressie die zich wereldwijd had voltrokken. Oud kreeg veel kritiek vanuit de samenleving te verduren toen hij bezuinigde op de Rijksuitgaven en tegelijkertijd de belastingen verhoogde. Uiteindelijk hielp dit strikte bezuinigingsbeleid Nederland wel de crisisjaren te boven te komen.

Toen de VDB uiteindelijk niet meedeed aan een vierde kabinet-Colijn, werd Oud in 1938 benoemd tot burgemeester van Rotterdam. Daar werd hij aanvankelijk niet warm verwelkomd wegens zijn spaarzame economische beleid als minister. Ook hier had hij het tijdsgewricht niet meezitten. Nederland werd in 1940 binnengevallen door Duitsland en om een capitulatie af te dwingen werd Rotterdam platgebombardeerd. De bezetter liet Oud aanblijven en onder zijn leiding startte de wederopbouwwerkzaamheden in de stad. In 1941 besloot hij echter alsnog af te treden nadat hij in conflict was gekomen met een NSB-raadslid, waarop NSB’ers Oud belaagden en hem fotografeerden met een schort om met een pentagram (het symbool van de vrijmetselarij, waar Oud lid van was). Oud werd vervolgens zelfs nog even kort gevangengezet in Sint-Michielsgestel, waar ook andere Nederlandse politici zaten.

De resterende oorlogsjaren spendeerde Oud met name aan het schrijven van verschillende boeken over politiek en geschiedenis, al had hij ondertussen ook nog steeds intensief contact met prominenten uit de Rotterdamse politiek en het bedrijfsleven. Toen de Duitse bezetter verdreven was in 1945, pakte hij zijn taak als burgemeester weer op en zette hij de herstelwerkzaamheden in de stad voort. Ook stond hij toen aan de wieg van een nieuwe politieke partij. De VDB besloot in 1946 samen met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en de Christelijk-Democratische Unie (CDU) te fuseren en verder te gaan onder een nieuwe naam: de Partij van de Arbeid. Oud werd bestuurslid, maar verliet de partij alweer een jaar later, nadat hij vond dat de richting te veel door het socialisme werd bestempeld.      

Hierop richtte hij het Comité ter voorbereiding van een Democratische Volkspartij (Comité-Oud) op. Al snel vond hij samenwerking met Dirk Stikker, die in 1946 de Partij van de Vrijheid (PvdV) mede had opgericht als de naoorlogse voortzetting van de Liberale Staatspartij. Uit de samenvoeging van deze twee organisaties ontstond in 1948 een nieuwe partij: de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Oud werd lijsttrekker en de VVD kwam in datzelfde jaar gelijk in de Tweede Kamer met acht zetels (op destijds een totaal van 100). Ook ging de partij onderdeel vormen van het kabinet-Drees-Van Schaik, waarin Stikker als minister van Buitenlandse Zaken plaatsnam.

De relatie tussen de twee VVD-oprichters bekoelde echter toen Oud een motie indiende tegen diezelfde regering wegens de kwestie Nieuw-Guinea. De VVD had met de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in 1949 ingestemd, op voorwaarde dat Nieuw-Guinea een aparte status zou behouden. Toen de Indonesische regering alsnog tot inlijving hiervan wilde overgaan, vond Oud dat de regering te passief handelde en diende hij een motie van wantrouwen in. Stikker trad daarop af en het kabinet viel in 1951.

De VVD kwam tussen 1952 en 1959 in de oppositie terecht, maar de partij bleef onder de leiding Oud gestaag groeien in zetelwinst, bekroond met een voor die tijd spectaculaire winst van zes zetels in 1959 (van 13 naar 19 zetels). In 1952 legde hij wel zijn werkzaamheden als burgemeester van Rotterdam neer, waarop hij in die stad een positie als buitengewoon bijzonder hoogleraar staats- en administratief recht toegewezen kreeg. Door zijn inmiddels imposante politieke carrière genoot Oud veel aanzien binnen de partij. Sommigen zagen hem zelfs als autoritair. Zo waren de eerste beginselprogramma’s van de partij hoofdzakelijk zijn werk. In 1963 legde hij na 15 jaar lang de partij te hebben geleid toch zijn fractievoorzitterschap neer en droeg hij het stokje over aan Edzo Toxopeus. Dat jaar ontving hij ook de eretitel minister van staat. Na zijn politieke carrière vervulde hij nog verschillende bestuursfuncties, onder meer bij Shell en Philips, maar ook bij verschillende maatschappelijke organisaties.

In 1968 overleed Pieter Oud op 81-jarige leeftijd in Rotterdam. In zijn indrukwekkende 46-jarige politieke en bestuurlijke loopbaan maakte Oud crisis en oorlog mee en was hij een stuwende kracht in de vorming van het naoorlogse Nederlandse politieke landschap. Oud toonde zich daarbij een geslepen politiek strateeg en een krachtig leider, die graag de touwtjes in handen had. Tegelijkertijd werd hij ook vaak als koel en afstandelijk getypeerd. Oud maakte van de VVD een gevestigde, stabiele politieke partij en legde zo een stevig fundament waarop latere liberale politici konden voortborduren.

Immanuel Kant
Liberalen
03
Mar
2022
Mar 14, 2022
''Sapere aude! Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!'' is het levensmotto van de Duitse verlichtingsfilosoof Immanuel Kant.

''Sapere aude! Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!'' is het levensmotto van de Duitse verlichtingsfilosoof Immanuel Kant. Hij werd geboren op 22 april 1724 als vierde in een gezin van negen kinderen in de toenmalige Pruisische stad Köningsberg, tegenwoordig Kaliningrad in Rusland. Hoewel hij binnen de filosofie een ‘Copernicaanse ommekeer’ heeft veroorzaakt, staat Kant bekend om zijn 'saaie’ leven. Hij bleef zijn hele leven wonen in Köningsberg en verliet zijn geboorteplaats nooit. Hij leidde zijn leven met ijzeren discipline en stiptheid. Zo had hij een strak week- en dagschema dat hij bijna op de minuut aan naleefde. Zijn grootste passies waren wiskunde, logica en wetenschap, maar in zijn studententijd was Kant ook een getalenteerd kaartspeler en speelde hij vaak biljart.  

Vanaf jonge leeftijd was Kant al ijverig en leergierig. Een plaatselijke dominee viel dit op en zorgde ervoor dat hij op z'n achtste jaar naar een Latijnse school kon gaan, genaamd het Collegium Fridericianum. Dit was een strenge, religieuze school waar de focus lag op het breken van de eigen wil van het kind. Kant keek met afschuw terug op deze school; toen was hij al bezig met zijn hoofdthema van zijn latere werken, namelijk de autonomie van de mens. Op zijn zestiende studeerde hij theologie, filosofie, wiskunde en natuurkunde aan de Universiteit van Köningsberg. In 1746, toen Kant 22 jaar was, studeerde hij af en werd zijn beroep huisonderwijzer. Dit bleef hij doen totdat hij in 1755 gepromoveerd werd op een in het Latijn geschreven proefschrift, namelijk Principiorum primorum cognitionis metaphysicae, ofwel Een nieuw licht op de eerste principes van alle matafysische kennis. Dit opende de weg naar een academische- en schrijfcarrière, want vanaf 1760, toen hij eind dertig was, begon hij met het schrijven van boeken. Hij schreef onder andere over kosmologie, vuur en metafysica. Vanaf 1770 werkte Kant als hoogleraar Logica en metafysica. Na zijn vijftigste ontwikkelde Kant zijn eigen metafysische filosofie.  

De drie Kritieken

Kant leefde tijdens de Verlichting: een periode in de 18e eeuw waarin een stroming van intellectuelen opkwam in Europa die streefden naar het gebruik van de rede en filosofie en het star aanhouden aan tradities en bijgeloof bestreden. Kant was ook een intellectueel die zich bij deze stroming voegde. Hij omschreef de Verlichting zelf als volgt: ''Verlichting is de bevrijding van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft''. Zijn levensmotto was dan ook: ''Sapere aude!'', ofwel ''Durf te denken!''. Aan hem danken we het idee van de autonome mens: de mens die zich niet onmondig laat leiden door een ander, maar zelf nadenkt. Maar hij wees in zijn werken ook op de grenzen van het menselijk verstand. In zijn beroemde Kritieken onderzocht Kant de werking van ons verstand en de grenzen van ons kenvermogen. Dit driedelige werk bestaat uit Kritik der reinen Vernunft (1781), Kritik der praktischen Vernunft (1788) en Kritik der Urteilskraft (1790) Hij nam hierin volledig afscheid van religie en ontwikkelde een nieuwe fysica die twee denkstromingen met elkaar verbindt, namelijk rationalisme en empirisme.    

Rationalisme en empirisme

Kant gaf in zijn werk antwoord op de vraag of er aangeboren ideeën bestaan. Filosofen dachten lange tijd dat men kennis over de werkelijkheid bezat die aangeboren is en uit de rede stamt, maar niet vanuit de ervaring komt. Dit worden a priori ideeën genoemd. Bijvoorbeeld uitspraken over het bestaan van God of over de sterfelijkheid van de ziel. Kant zag dit slechts als speculatie, omdat deze ideeën niet kijken naar de zintuiglijke ervaring van de mens. Newton had echter aangetoond dat die zintuiglijke ervaringen bepaald worden door natuurwetten. Twee stromingen staan hier dus tegenover elkaar, namelijk het rationalisme en empirisme. Rationalisten vertrouwen op de rede en beschouwen wetmatigheden als de basis van kennis. Daartegenover staan empiristen die uitgaan van de ervaring als kennisbron van de mens. De mens beschouwen zij als een blanco blad dat door ervaring wordt beschreven. Kant deed een poging om deze twee tegengestelde stromingen te verbinden. Dit deed hij door te stellen dat kennis vanuit de rede wel overeenkomt met de werkelijkheid, maar dat dat alleen kwam doordat het menselijk verstand die werkelijkheid structureerde. Zo beschouwt Kant tijd, ruimte en causaliteit (oorzaak-gevolg) als ‘aanschouwingsvormen’ van het menselijk brein. Dit zijn manieren waarop wij de werkelijkheid ervaren. Met onze zintuigen ervaren we dus de wereld en met ons verstand maken we die indrukken tot een logisch geheel. Kant stelde daarmee dat aanschouwingsvormen, waarmee we dingen ervaren, vastliggen als een a priori gegeven in onze rede, waarmee hij een brug slaat tussen beide stromingen.

De autonome mens

Maar hoe zit het dan met die menselijke autonomie? Wetenschappers laten ons zien hoe lichamelijke factoren en omgevingsfactoren het gedrag van de mens bepalen. Dus waarom zouden we nog spreken van autonomie? Kant gaat een stap verder. Hij komt tot de conclusie dat onze rede ons tegenhoudt om verantwoordelijkheid voor ons gedrag af te schuiven. Daarom kunnen we veronderstellen dat we vrij zijn. Een vrij mens kan immers bij zichzelf nagaan of zijn of haar gedrag moreel rechtvaardig is. Kants idee van vrijheid is dus niet 'doen waar je zin in hebt', maar vrijheid gaat in zijn ogen om autonomie, ofwel letterlijk: zelfbepaling. De mens handelt volgens hem naar een categorisch imperatief: een morele wet die de mens in zichzelf draagt. Door deze wet verplicht een mens zichzelf om zich goed te gedragen en weet dat hij of zij niet egoïstisch z'n gang kan gaan en louter doen waar hij of zij zin in heeft. Als iedereen dat zou doen, gaat dat immers uiteindelijk ten koste van ieders vrijheid. Hierbij heeft Kant een criterium bedacht: ''gedraag je volgens het principe waarvan je zou willen dat het een algemene wet wordt''. Het is bijvoorbeeld niet goed om te stelen, omdat als er een algemene regel is dat stelen zou mogen dit zou resulteren in een chaotische wereld die wij als mensen niet willen.

Kants politieke filosofie

Naast zijn Kritieken schreef Kant ook politieke geschriften. Zijn Kritieken vormen de basis voor deze werken, zoals Idee zur einer allgemeinen Geschichte in Weltbürgerlicher Absicht uit 1784 en Zum ewigen Frieden. Ein philosophischer Entwurf uit 1795. Kants ideeën over de autonome mens als zelf-bepaler hebben grote invloed op hoe hij kijkt naar recht en maatschappij. Burgers zijn in Kants ogen pas vrij wanneer ze bepaalde rechten hebben en er wetten zijn die deze rechten beschermen. Maar hoe maak je een samenleving waarin iedereen vrij is en zonder angst voor lijf en leden kan leven? In de staat vindt hij de perfecte rol om deze wetten op te stellen en de naleving ervan toe te zien. De staat moet dan wel ingericht zijn volgens het republikeins model, dat we tegenwoordig omschrijven als een liberale democratie: een staatsvorm waarin de soevereiniteit uiteindelijk bij het volk ligt, maar politieke beslissingen genomen worden door de gekozen volksvertegenwoordigers. Naast een vrijheid voor burgers door vrije verkiezingen, is er een kleinere kans op oorlogen. Politici vertegenwoordigen namelijk het volk en dat volk wil absoluut geen oorlog, omdat zij het meeste lijden tijdens een oorlog: geweld, verlies van vrijheden, hogere belastingen en economische achteruitgang. Maar voor een eeuwige vrede is meer nodig dan alleen een liberaal-democratische inrichting van de staat. Er is namelijk ook menselijk verkeer tussen staten en niet alleen binnen staten, zoals diplomatieke betrekkingen, internationale handel en migratie. Volgens Kant is daarom wereldburgerschap nodig: een internationale statenbond waarin alle landen ter wereld verenigd zijn. Deze statenbond moet gedragsregels voor de staten zelf en de mensen binnen deze staten opstellen. Deze statenbond moet gedragsregels opstellen voor staten en de mensen binnen deze staten. Kant zag een soort federatie van staten voor zich, waarin een supranationale centrale autoriteit zeggenschap had over de individuele lidstaten. Wanneer een recht binnen één staat wordt geschonden, wordt dit overal ter wereld gevoeld. Op deze manier wilde hij het risico op oorlog voorkomen.

Liberaal

Kant wordt niet vaak benoemd als klassiek liberaal. Maar zowel zijn morele als zijn politieke filosofie draagt een liberaal karakter. Allereerst sluit Kants uitgangspunt van de autonome mens – de mens die morele keuzes maakt zonder beïnvloed te worden door externe autoriteiten (zoals de regering, kerk of gemeenschap) of interne voorkeuren of verlangens – goed aan bij het liberalisme. De autonome mens luistert naar een categorisch imperatief, iemands eigen morele code. Voor Kant is autonomie dus niet slechts een vermogen van de mens, maar meer een verantwoordelijkheid om onze eigen normen na te leven zonder te luisteren naar de verlangens van anderen of onszelf. De voorwaarde die Kant hiervoor heeft opgesteld – we moeten ons houden aan de normen waarvan we willen dat anderen zich hier ook aan houden – moeten we naleven. Hij spreekt hierbij over de menselijke waardigheid door te stellen dat mensen nooit gebruikt mogen worden als middel. Het bestaan van mensen is een doel op zichzelf. Hiermee laat Kant ook het verschil tussen mensen en dingen zien. Iedereen heeft dus dezelfde waardigheid, waardoor we iedereen gelijk moeten behandelen. Als we iemands hulp of medewerking nodig hebben, moeten we diegene met respect behandelen en niet tegen diegene liegen, diegene bedriegen of dwingen tot iets. Ook dit idee van wederzijds en wederkerig respect sluit goed aan bij het liberalisme. Kants politieke filosofie is op zijn morele filosofie gebaseerd: de staat moet zich aan dezelfde morele normen als individuen houden. Zo moet de staat de waardigheid van personen respecteren, hen niet gebruiken als middel tot een bepaald doel en de staat mag alleen staatsdwang gebruiken om de autonomie van individuen te beschermen tegen inmengingen van anderen. Zodoende kunnen individuen hun doelen nastreven met maximale vrijheid. Deze centrale rol van een minimale staat in Kants politieke filosofie is ook een centraal principe van het klassiek liberalisme. Ten slotte was Kant geen voorstander van gedwongen weldoen. Er bestaat volgens hem geen recht op hulp die aangeeft hoeveel hulp iemand aan een ander verschuldigd is. Barmhartigheid moet volgens hem uit de vrije wil van de mens komen in plaats dat iemand door de staat gedwongen wordt dit te doen.

Kant overleed op 12 februari 1804 met als laatste woorden: ''Es ist genug''. Samenvattend staat binnen Kants filosofie autonomie, zelf-wetgeving, van de mens centraal. Zijn ideale samenleving is een vrije samenleving die de individuele burger ruimte biedt om naar eigen inzicht te handelen. Alleen in vrijheid kan men zich namelijk ontplooien en kunnen handel, kunsten en wetenschap bloeien. Kants filosofie draagt dus zeker een liberaal karakter omdat de nadruk zo sterk ligt op vrijheid van de mens. Hij streeft naar een staat die de autonomie van individuen beschermt van inmengingen van elkaar en de staat om hun eigen doelen na te streven, terwijl we anderen helpen wanneer we dat kunnen, op voorwaarde dat we ons niet bemoeien met het recht van anderen om hetzelfde te doen. Zijn filosofie heeft grote invloed gehad op verschillende gebieden. Allereerst legde hij de basis voor een denken waarin de metafysica slechts één manier is om de werkelijkheid te benaderen. Zo schiep hij ruimte voor latere filosofen die een meervoudig wereldbeeld aanhangen en bijvoorbeeld eerder keken naar de praktijk, zoals Karl Popper of Jean-Paul Sartre. Ten tweede maakte Kant de weg voor de autonome, godloze mens die we vandaag de dag kennen. Kortom, Kant behoort tot een van de grote vormgevers van het moderne mensbeeld dat we vandaag de dag kennen.

Desiderius Erasmus
Liberalen
02
Feb
2022
Feb 14, 2022
Rotterdamse humanist

‘Het is de hoogste wijsheid soms een dwaas te spelen’ en ’De dieren die het minst op de mens lijken, zijn het gelukkigst’ zijn uitspraken van de Rotterdamse christelijk filosoof en humanist Desiderius Erasmus. Hoewel humanisme tegenwoordig een a-religieuze beweging is, was humanisme in de 15e en 16e eeuw een stroming binnen het christendom die religieuze gevoelens verbond met humanistische overtuigingen, waarbij de ervaringen, waarden en belangen van de mens centraal staan. Door middel van satire en spot vocht Erasmus met zijn geschriften tegen de misstanden in de kerk en de maatschappij. Naast belangrijk filosoof en humanist was hij ook priester, augustijner kanunnik, schrijver en theoloog. Hij is vermoedelijk in 1469 geboren als onwettig kind, toentertijd ook wel defectus natalis genoemd, waarbij zijn ouders op het moment van geboorte niet getrouwd waren. Zijn vader, Gerard, was een katholieke priester uit Gouda en zijn moeder, Margaretha, was de dochter van een chirurgijn uit Zevenbergen en diende als huishoudster.

Op jonge leeftijd is Erasmus verhuisd naar Gouda en bezocht daar de parochieschool. Later studeerde hij in Deventer aan de Latijnse school. Hij was een ijverige leerling, maar de strakke regels van het kloosterleven benauwden hem. Na zijn priesterwijding in 1492 verkreeg hij via de toenmalige bisschop van Kamerijk, Hendrik van Bergen, toelating tot een theologieopleiding in Parijs. Hier maakte hij kennis met de klassieke beschaving van de Grieken en Romeinen. Tot zijn spijt zag hij dat deze klassieke geschriften nauwelijks nog werden gelezen. Daarom richtte hij met behulp van kanunnik Hiëronymus van Buysleden, een vriend van Erasmus, in Leuven het Collegium Trilingue, op. Deze universiteit stond in het teken van humanisme en was gespecialiseerd in christelijke teksten in drie talen: het Latijn, Grieks en Hebreeuws.

Na zijn theologieopleiding in Parijs reisde Erasmus diverse steden rond, zoals Engeland, Frankrijk en Duitsland. Hij had weinig met Nederland: hij vond Hollanders lui, vraat- en drankzuchtig. Sinds 1501 is hij niet meer in Nederland geweest. Erasmus heeft verschillende theologische en humanistische boeken gepubliceerd. In zijn tijd was onlangs de boekdrukkunst uitgevonden, waardoor hij een brede lezersgroep kon bereiken. In 1523 maakte hij zelf een indeling van zijn werk. Allereerst maakte hij onderscheid tussen geschriften over culturele vorming, zoals de Colloquia (gesprekken), de Adagia (spreekwoorden) en zijn eigen brieven. Ten tweede schreef hij werken over ethische vorming, zoals zijn bekendste werk Lof der Zotheid. Ten slotte kan zijn werk onderscheiden worden in werken over godsdienstige vorming, zoals zijn werk Enchiridion uit 1501 dat als het ware een handboek voor christenen is. Daarnaast heeft hij ook vele opvoedkundige en onderwijsgeschriften geschreven, zoals De rationele studii die gaat over het inrichten van de studie en het lezen en verklaren van auteurs of De pueris instituendis waarin Erasmus schrijft over onderwijs waarbij klassieke talen aangeleerd en werken van klassieke auteurs gelezen en geïnterpreteerd worden.

Tijdens zijn verblijf in Engeland leerde hij andere beroemde humanisten kennen, onder wie Thomas More, de auteur van ‘Utopia’, en John Colet, decaan van de St-Paul’s kathedraal in Londen. Tijdens zijn bezoek aan zijn vriend Thomas More, schreef hij zijn bekendste boek: Lof der Zotheid uit 1509 in het Latijn. Hierin drijft hij de spot met slechte menselijke eigenschappen, zoals gierigheid, ijdelheid en machtsmisbruik. Op deze satirische wijze geeft hij commentaar op machthebbers in de kerk, maar ook in de wereld, zoals kooplieden, vorsten en wetenschappers. Hoewel Erasmus zelf katholiek was, was hij het er niet mee eens dat de kerk zoveel macht had. Zo bekritiseerde hij de heiligenverering, monnikenwezen en de aflaathandel. Deze dingen mocht hij zelf van de Kerk niet zeggen, waarmee hij door het personage ‘Zotheid’ als verteller te laten optreden die mensen een spiegel voorhoudt, dit probleem omzeilde.

Als humanist vond Erasmus Bijbelkennis voor alle mensen belangrijk. Zo vond hij de Latijnse Bijbelvertaling die in de kerk gebruikt werd niet nauwkeurig en duidelijk genoeg, waardoor hij het tweede deel – het Nieuwe Testament – opnieuw uit het Grieks in het Latijn vertaalde. Maar de kerk was hier niet blij mee: alleen de geestelijken hadden toentertijd kennis van de teksten en droegen deze over aan de mensen. Erasmus daarentegen vond juist dat iedereen geloof kon ervaren, niet alleen de priesters, en hij hoopte dat alle mensen ooit vertrouwd raakten met de Bijbel.

Kort daarna vond er een scheuring plaats in de Rooms-Katholieke Kerk: de Reformatie. Kerkhervormer Maarten Luther speelde hierin de hoofdrol: met zijn 95 stellingen stelde hij in 1517 de katholieke kerk aan de kaak. Luther maakte hierbij gebruik van de Bijbelvertaling van Erasmus. Naast zijn werk Lof der Zotheid kan Erasmus daarom ook beschouwd worden als degene die de weg vrij maakte voor de Reformatie. Maar hoewel Erasmus ook de kerk wilde hervormen, vond hij de actie van Luther veel te ver gaan. Christenen moesten elkaar niet aanvallen, maar liefde voor elkaar hebben door eerder te kijken naar wat ze met elkaar deelden dan wat hen scheidde. Erasmus wilde vooral de kerk van binnenuit hervormen door met een gezond verstand de meningsverschillen te overbruggen, om hiermee een kerkscheuring te voorkomen.

Eind 1521 verhuisde Erasmus naar Bazel in Zwitserland. Ofschoon hij zich niet wilde mengen in de strijd binnen de kerk, schreef hij onder druk van paus Hadrianus VI in 1524 het geschrift De libero arbitrio diatribe sive collatio, ofwel Over de vrije wil, aan Luther. In dit geschrift trekt Erasmus de leer van Luther over de verlossing van de mens in twijfel: Luther zou de rol van de vrije mens ten opzichte van de rol van de goddelijke genade onderschatten. Luther beantwoorde de aanval van Erasmus met De servo arbitirio, ofwel Over de onvrije wil, waarin hij beoogde dat de menselijke wil een slaaf is van de zonde, totdat God ons redt. Erasmus daarentegen stelde dat de mens in staat is een eigen keuze te maken voor het goede. Hierbij staan waardes als vrijheid, tolerantie en diversiteit centraal. Met zijn geschriften wilde hij mensen bewust maken en emanciperen. Zelfs in een tijd van polarisatie, verbittering en strijd streefde hij juist naar vrede en eenheid door niet de strijd aan te gaan met tegenstanders, maar allereerst te beginnen bij tolerantie.

Dit klinkt als een liberale gedachte, maar in hoeverre kunnen we Erasmus eigenlijk als liberaal typeren? In zijn tijd bestond er uiteraard nog geen stroming als liberalisme. Het ging Erasmus namelijk om vrijheid van wetenschap en ideeën, niet zoals wij vandaag de dag het begrip persoonlijke vrijheid kennen. Daarnaast was hij echt een man van zijn tijd. Zo was zijn hoofddoel bijvoorbeeld het christendom, was hij tegen vrouwen die lesgaven en zag hij Joden als vijand van de leer van Jezus Christus en gunde ze daarom geen vrijheid. Toch kunnen we stellen dat hij een soort proto-liberaal was. Zo zag Erasmus mensen als ‘geroepen tot vrijheid’. Het ergste wat volgens hem kon gebeuren is dat men niet alleen fysiek maar ook mentaal onderdrukt werd. Erasmus streefde dus ook naar zeggingskracht: het vermogen om te denken als mens en dit denken uit te drukken. Men moest accepteren dat er verschillen zijn tussen individuele aanleg en belangstelling. De een is nou eenmaal beter in wiskunde, de ander in het leren van talen. Daarnaast zag Erasmus ook vrijheid in de manier van geloven. Zo zag hij het kloosterleven als slechts één manier van leven. Ook binnen religies streefde hij naar tolerantie en naastenliefde. Zo stelde hij: ‘De planeten bewegen niet allemaal hetzelfde; maar ze botsen toch nooit’. Kortom: Erasmus wilde dat mensen vrij zijn zodat ze hun eigen pad kunnen bewandelen en het beste in zichzelf naar boven kunnen brengen. Door zijn denkbeelden tegenover de Reformatie, namelijk dat het gezonde verstand boven de dogmatische spitsvondigheden stond en christelijke naastenliefde de oplossing was voor de strijd, werd Erasmus door zowel Luther, en daarmee de reformatoren, als de katholieken fel aangevallen. Zijn poging tot tolerantie tussen de verschillende opvattingen had uiteindelijk niet geholpen: wederzijdse verkettering, vrijheidsbeperking en de brandstapel waren orde van de dag.

Na het schrijven van zijn laatste werk Ecclesiastes overleed Erasmus in Bazel op 12 juli 1536. Hij noemde zichzelf altijd graag ‘Desiderius Erasmus van Rotterdam’ en Rotterdam is ook altijd erg trots op deze beroemde stadsgenoot geweest. Ondanks dat dit eeuwen geleden is, zien we vandaag de dag de naam Erasmus nog vaak terug. Zo heeft hij in 1549 een standbeeld gekregen van zichzelf in Rotterdam en zijn onder andere de Erasmusbrug, de Erasmuslijn, de Erasmus Universiteit en het Erasmus Medisch Centrum naar hem vernoemd. Daarnaast is hij ook bekend van veel spreekwoorden die we vandaag de dag nog steeds horen, zoals ‘Twee vliegen in één klap slaan’.

Charles de Montesquieu
Liberalen
01
Jan
2022
Jan 31, 2022
De Franse filosoof Charles de Montesquieu (1689-1755) wordt gerekend tot een van de grondleggers van het staatkundig liberalisme.

De Franse filosoof Charles de Montesquieu (1689-1755) wordt gerekend tot een van de grondleggers van het staatkundig liberalisme. Dat wij bijvoorbeeld tegenwoordig in Nederland een onderscheid maken tussen de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht hebben we te danken aan deze denker.

Montesquieu werd geboren in 1689 ten zuidoosten van Bordeaux als oudste van een gezin van vier kinderen. Hij groeide op ten tijde van het ancien régime: de periode waarin het Franse koninkrijk bestuurd werd door vorsten met absolute macht. Deze tijd was dan ook de grootste inspiratiebron voor zijn werken. Hij was namelijk bezorgd over het gevaar dat de Franse monarchie zou omslaan in een despotie. Een despotie, tegenwoordig ook wel dictatuur, politiestaat of schrikbewind genoemd, is een politiek stelsel waarin de vrijheden en rechten van de mens beperkt zijn en het volk overgeleverd is aan willekeur en machtsmisbruik. Dit schrikbeeld en de angst dat de Franse monarchie in zo’n despotie zal vervallen, loopt als een rode draad door zijn werk.  

Lettres Persanes

In een van Montesquieu’s eerste werken, namelijk Lettres Persanes uit 1721, komt zijn bezorgdheid voor een despotie ook terug. In deze briefroman reizen de twee Perzische hoofdpersonen naar Parijs en schrijven hun vrienden in Perzië brieven over hun indrukken. Hiermee wil Montesquieu het contrast tussen enerzijds het monarchale Frankrijk en anderzijds het despotische Perzië tonen. Voor hem zijn dit niet slechts regeringsvormen, maar gaat het veel verder dan dat. Het zijn waarden, normen en manieren van samenleven. Zo zijn onderdanen van een monarchie vrij en gedreven door eergevoel, terwijl die van een despoot slaven zijn die gedreven worden door angst.  

Considérations sur les causes de la grandeur des romains et de leur decadence

In vergelijking met Montesquieu’s werk Lettres Persanes lijkt het onderwerp van het boek Considérations sur les causes de la grandeur des romains et de leur decadence ver weg te liggen. Dit boek uit 1734 gaat namelijk over de oude Romeinen. Montesquieu leefde tijdens de Verlichting waarin een herontdekking plaats vond van het klassieke erfgoed, met name van de Romeinen. Hij interesseerde zich in de traditie van het aristocratische politieke discours: een stroming die zich afvroeg wat de politieke verhouding is tussen een monarchie en despotie. Dit geeft aan dat de twee werken van Montesquieu toch dicht bij elkaar liggen: de despotie staat weer centraal. In dit werk vraagt Montesquieu zich af hoe de transformatie van Rome van een vrije republiek in een despotische heerschappij van één man te verklaren valt. Montesquieu vindt hierop een antwoord binnen de manier van oorlogvoering van de Romeinen: hard, vastbesloten, moedig en met enorme militaire discipline. De publieke sfeer, de res publica, stond namelijk centraal binnen het leven van de Romeinen. De Romeinen waren hierdoor zelfs bereid zich op te offeren als soldaat om hun vaderland te redden. Met deze mentaliteit werden de Romeinen onoverwinnelijk, waardoor ze de wereld beetje bij beetje onder hun heerschappij konden brengen. Toentertijd was Rome nog een republiek, gekenmerkt door een machtenscheiding en korte ambtstermijnen om een heerschappij van één persoon te voorkomen. Echter nadat Rome de ‘wereld’ had veroverd, verdween deze republiek en hiermee de vrijheid van de Romeinen. Rome was te groot geworden om nog een republiek te kunnen zijn: generaals werden steeds machtiger, volkeren kregen burgerrecht zonder dat zij de republikeinse geest deelden en ten slotte hadden de rijkdommen in Azië geleid tot verlangen naar luxe en gemak, waardoor privébelangen de publieke zaak de overhand namen. Kortom: vanuit de val van het Romeinse Rijk trok Montesquieu de les dat Frankrijk ook te groot zou zijn voor een republiek en daarom een monarchie de beste staatsvorm zal zijn.  

De l’esprit de lois

Het boek De l’esprit de lois kan zeker niet ontbreken in dit overzicht: dit is Montesquieu’s levenswerk. Hoewel dit boek hem veertien jaren kostte om te schrijven, was hij eigenlijk zijn hele leven hier al mee bezig. Het boek werd in 1748 gepubliceerd. Weer staan de drie verschillende staatsvormen – republiek, monarchie en despotie – centraal. Weer wil hij Frankrijk waarschuwen voor het gevaar van een despotie. Daarom noemt hij in dit werk de kenmerken en waarden van een monarchie en zet deze af tegen een despotie als bewijs dat Frankrijk van oorsprong een monarchie is. Maar hoe kan een despotie voorkomen worden? Montesquieu geeft hier twee antwoorden op. Allereerst noemt hij intermediaire krachten – de adel, de clerus en de magistratuur – die dienen als tegenwicht voor de macht van de vorst waardoor het stelsel in evenwicht blijft. Ten tweede biedt zijn idee over de ‘Trias Politica’, ook wel machtenspreiding genoemd, een uitweg van een despotie. Hierbij moeten de drie machten binnen de samenleving – de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht – verspreid zijn. Niet strikt gescheiden, maar juist evenwichtig verdeeld zodat ze elkaar in evenwicht houden. Door middel van deze checks and balances wordt voorkomen dat één persoon onevenredig veel macht krijgt en hierdoor de vrijheid van de burgers beschermd blijft. In de meest zuivere vorm heeft het parlement de wetgevende, de regering de uitvoerende en onafhankelijke rechters de rechtsprekende macht. Daarbij controleert het parlement de regering. Deze ideeën van Montesquieu hebben grote invloed op de staatsinrichting wereldwijd. Zo zorgt nog altijd de Amerikaanse grondwet uit 1789 voor een machtenspreiding in de Verenigde Staten. Zo heeft de president alle uitvoerende macht. Het Congres, bestaande uit twee Kamers, namelijk het Huis van Afgevaardigden en de Senaat, heeft de wetgevende macht. Ten slotte heeft het Amerikaanse juridische systeem met het Supreme Court aan het hoofd de rechterlijke macht. Bovendien controleert elke macht een andere macht om zo potentiële fouten tegen te gaan. Het bekendste voorbeeld is het vetorecht van de president over een door het Congres aangenomen wet, dat door het Congres dan weer met versterkte meerderheid ongedaan kan worden gemaakt. De Amerikaanse grondwet staat boven alle andere wetten en verdragen die goedgekeurd zijn door de president en het Congres. Binnen deze grondwet ligt de nadruk op de Bill of Rights: de bescherming van individuele vrijheden.

Daarentegen is de spreiding van machten in Nederland niet zo strikt toegepast als in de Verenigde Staten. Zo controleert het parlement (Eerste en Tweede Kamer) wel de regering, maar zijn het parlement en de regering niet gescheiden. Dat komt doordat in Nederland sprake is van een coalitieregering, waardoor de regering een afspiegeling van een meerderheid in de Tweede Kamer vormt. Daarnaast dient de regering inderdaad als uitvoerende macht, maar heeft ook medewetgevende macht. De meeste wetgeving komt zelfs tot stand naar aanleiding van een wetsvoorstel van het kabinet. Tenslotte bestaat de rechtsprekende macht wel uit onafhankelijke rechtbanken, maar dit is een beroepsgroep die permanent zitting houdt. Er is wel een scheiding tussen de staande rechterlijke macht (Openbaar Ministerie) en zittende rechterlijke macht (Rechter), maar deze kunnen elkaar onderling beïnvloeden. Dit laat zien dat er in Nederland wel enige machtenspreiding is, maar geen volledige spreiding der machten.    

Kortom, in Montesquieu’s werken staat met name zijn bezorgdheid voor het afglijden van de Franse monarchie naar een despotie centraal. Intermediaire machten en een machtenscheiding kunnen de macht van de vorst indammen en hiermee willekeur en machtsmisbruik voorkomen. Hoewel zijn werken bijna 300 jaar oud zijn, staan zij dichter bij ons dan dat we denken. Een machtenspreiding met checks and balances is tegenwoordig ook zeer noodzakelijk. Sinds de moderne techniek nemen de middelen die een despoot nodig heeft voor het bereiken van heerschappij steeds meer toe, denk aan (sociale) media. Hiermee kan de individuele vrijheid van het volk op het spel staan. Daarom is het belangrijk om Montesquieu’s zorg serieus te nemen.

Johan George Gleichman
Liberalen
01
Jan
2022
Jan 17, 2022
Fleur de Beaufort
Rechtlijnig & bedachtzaam

‘Zij, die groote uitbreiding van den werkkring van den Staat […] willen, mogen toch ook nog wel één ding bedenken. Als de eischen der nieuwerwetsche sociaal-politiek moeten worden ingewilligd, dan zullen wij méér justitie, méér politie, méér ambtenaren, méér adviseurs en inspecteurs, méér commiezen en klerken, méér staats-zorg en toezicht op elk gebeid en derhalve voor dit een en ander ook méér geld noodig hebben; geld, te vinden uit nieuwe of verhoogde belastingen. Hoe zal dat smaken?’  Aldus Johan George Gleichman in 1891 tijdens een rede voor de Amsterdamse kiesvereniging ‘Amstels Burgerij’.

Gleichman – na een korte periode in de advocatuur en een ambtelijke carrière op het ministerie van Financiën was hij onder meer minister van Financiën (1877-1879), Kamerlid (1880-1901), kabinetsformateur (1883; zonder succes), Kamervoorzitter (1891-1901) en senator (1901-1904) – gold in zijn tijd als behoudend liberaal. Klassiek-liberale thema’s als zuinigheid met de algemene middelen, beperkte staatsbemoeienis, geleidelijke en behoedzame (helder afgebakende) uitbereiding van het kiesrecht en de scheiding van kerk en staat waren zaken waar Gleichman warm voor liep. Medestanders vond hij doorgaans bij de meer klassiek-liberalen die aan het begin van de twintigste eeuw opgingen in de Bond van Vrije Liberalen. De oprichting en eerste daden van deze partij maakte Gleichman overigens niet meer mee, door zijn overlijden in 1906.

Ambtenaar onder Floris van Hall

Zijn ambtelijke carrière bij Financiën startte Gleichman in 1860 op voorspraak van Floris van Hall (1791-1866), destijds net begonnen aan zijn laatste termijn als minister op dat departement. Bovendien was Van Hall oom van de kersverse echtgenote van Gleichman, Johanna Justina van Hall (1837-1884), zuster van Eerste Kamerlid Maurits Cornelis van Hall (1836-1900). Met zijn eerste echtgenote zou Gleichman één dochter krijgen, Sara Adriana Gleichman (1860-1940). In 1893 hertrouwde de weduwnaar met Adriana Wilhelmina Petronella Cort van der Linden (1849-1901), zuster van de latere liberale premier Pieter Cort van der Linden (1846-1935).

Botsingen tussen Van Hall en Gleichman zouden nooit tot een breuk leiden. Sterker, Van Hall leek de rechtlijnigheid en standvastigheid van Gleichman te waarderen, ook als deze zich tegen hem keerde. Toen Thorbecke (1798-1872) als lid van de commissie van rapporteurs over de spoorwegwet enkele wijzigingen in het ontwerp van het voorlopig verslag had aangebracht, wenste minister Van Hall inzage en deed daartoe een beroep op Gleichman. Deze gaf echter nadrukkelijk niet thuis. Immers: ‘een ontwerp-verslag met al hetgeen daartoe behoort – zoo veroorloof ik mij, den Minister zoo bescheiden mogelijk op te merken – mocht de Kamer niet verlaten; het was bestemd voor de leden van de Commissie van Rapporteurs alléén; en allerminst had een lid van de Regeering daarvan kennis te nemen.’  De minister voelde zich dermate gebruuskeerd dat hij aanvankelijk aangaf niet langer met Gleichman samen te kunnen werken. Hij liet hem enkele dagen in de veronderstelling dat zijn carrière bij het ministerie voorbij was. Niets bleek minder waar toen hij door Van Hall met lovende woorden werd voorgedragen als referendaris (een hogere ambtelijke rang binnen het departement). Gleichman bleef tot 1867 bij het ministerie werkzaam, waarna hij een decennium verbonden was aan De Nederlandsche Bank.

Van Hall zou Gleichman uiteindelijk tot mede-executeur-testamentair benoemen. Eerder, toen beide heren over de vraag spraken wat te doen met alle na te laten papieren, zei Van Hall tot Gleichman: ‘gij hebt mij bij mijn leven nooit gevleid, en zult het na mijn dood, hoop ik, óók niet doen’. Gleichman wijdde na het heengaan van Van Hall een viertal artikelen aan de minister en diens werkzaamheden in tijdschrift De Gids.

Minister van Financiën

De tussentijdse verkiezingen van 1877 leverden de liberalen en overwinning op, waarna het kabinet-Heemskerk-Van Lynden van Sandenburg (1874-1877) ten val werd gebracht door de liberale Kamermeerderheid. Jan Kappeyne van de Coppello (1822-1895) was uitgeroepen tot leader van de liberalen en zette zich aan de formatie van een nieuw kabinet. In lijn met zijn eigen ideeën was er in dit kabinet met name ruimte voor leden van de vooruitstrevende liberale Kamerclub. Dat Gleichman de ministerspost op Financiën mocht bezetten was gezien zijn kennis niet vreemd, maar als behoudend te boek staande politieke nieuweling was hij binnen het kabinet wel een buitenbeentje. Overigens had Thorbecke deze portefeuille reeds in 1868 en 1870 aan Gleichman aangeboden, die weigerde echter daar hij zich destijds financieel nog onvoldoende onafhankelijk achtte om zijn betrekking bij de bank op te geven voor de onzekere functie van minister.

Op het terrein van financiën speelden in deze periode vooral zorgen omtrent de stijgende uitgaven voor de Nederlandse kolonie in Indië, als gevolg van de Atjeh-oorlog en de ruimere voorziening in de behoefte van de kolonie. Groeiende kosten die onvoldoende werden gedekt door de weliswaar eveneens groeiende opbrengsten. Om het ontstane financieringstekort te verhelpen stelde de minister een staatslening – ‘de leening van 1878’ – voor met een aflossingsschema en jaarlijkse rentecoupons. Gleichman gaf de voorkeur aan een langlopende schuld boven het laten oplopen van het begrotingstekort door het uitgeven van schatkistbiljetten en zo een vlottende schuld te creëren. De Tweede Kamer had aanvankelijk twijfels en zou liever uitstel hebben gekregen alvorens een besluit te nemen, zodat eerst een omvangrijker plan van (staats)leningen kon worden gemaakt voor alle buitengewone uitgaven alsmede een nieuw stelsel van belasting zou kunnen worden ingevoerd. Gleichman, die zich van meet aan als ‘voorzichtig financier’ opstelde, reageerde in een Memorie van Antwoord op het voorstel van de Tweede Kamer en gaf aan dat hij ‘in sommige stellingen van het voorloopig verslag der Tweede Kamer een finantieel beleid [zag] aanbevolen, waaraan hij geen deel wenschte te hebben. Het uitgeven van vlottende schuld beschouwde hij in de toenmalige omstandigheden als een leven bij den dag’.  Uiteindelijk stemden beide Kamers in met het wetsontwerp, waarin voor het eerst ook een geregelde aflossing was opgenomen.

Als minister van Financiën bracht Gleichman bovendien een nieuwe Successiewet tot stand. Er was veel principiële weerstand tegen het voorstel, daar de staat zich als belastingheffer niet zou moeten mengen in de nalatenschap tussen ouders en hun kinderen. Sommigen vroegen zich af of er überhaupt gesproken kon worden van de overgang van goederen, indien de erfenis tussen ouders en hun kinderen liep. Daarenboven had Gleichman voorgesteld ook het grondbezit in deze heffing mee te nemen. Uiteindelijk stemde een Kamermeerderheid in met successiebelasting in de rechte lijn, waarbij echtgenoten en kinderen voortaan één procent belasting zouden betalen over een erfenis en ouders en grootouders drie procent.

Toen minister Tak van Poortvliet (1839-1904) van Waterstaat, Handel en Nijverheid in 1879 zijn ontwerp-Kanalenwet presenteerde was kabinetscollega Gleichman direct beducht voor de hoge kosten van een dergelijk omvangrijk infrastructureel project. Het nipte falen van het wetsvoorstel tijdens de openbare behandeling – 40 stemmen tegen en 39 voor – zou niet alleen de aanleiding zijn voor het opstappen van het kabinet-Kappeyne van de Coppello, maar tevens voor grote verdeeldheid onder de liberalen.

Liberale verdeeldheid en leiderschap

De verdeeldheid onder de liberalen uitte zich in de verkiezingsstrijd van 1880 tussen Kappeyne van de Coppello en Gleichman voor het kiesdistrict Amsterdam. De groep hervormingsgezinde liberalen positioneerde zich rondom hun leader Kappeyne, terwijl de meer thorbeckiaans gezinde liberalen partij kozen voor Gleichman. De groeperingen zouden de geschiedenis in gaan als respectievelijk de kappeynianen en de gleichmannianen. Het onderlinge meningsverschil was overigens veeleer persoonlijk van aard dan inhoudelijk, want Gleichman was wellicht terughoudender ten aanzien van de (vooruitstrevende) grondwetsherziening, maar geen absolute tegenstander. Gleichman won de verkiezingsstrijd van Kappeyne in Amsterdam, maar verloor een jaar later nipt van kappeyniaan Mirandolle in de strijd om het Kamervoorzitterschap; een functie die hij vanaf 1891 wel zou vervullen.

De onderlinge verdeeldheid was ook in 1883 debet aan het mislukken van de formatieopdracht die Gleichman kreeg na de val van het kabinet-Van Lynden van Sandenburg (1879-1883). Kappeyne weigerde het door Gleichman verzoenend bedoelde aanbod van het presidium van een commissie ter voorbereiding van de grondwetsherziening. Uiteindelijk gaf Gleichman de opdracht terug toen econoom Nicolaar Pierson de hem aangeboden post op Financiën alleen wilde aanvaarden op voorwaarde dat alle liberale groeperingen in het kabinet vertegenwoordigd zouden zijn.

Het vraagstuk rondom de uitbreiding van het kiesrecht was gedurende vele jaren splijtzwam binnen het liberale kamp. Gleichman was geen voorstander van (omvangrijke) uitbreiding van het kiesrecht. Algemeen kiesrecht zou alleen tot ontevredenheid, instabiliteit, onvrijheid en wanorde leiden, niet alleen in het land, maar ook in de financiën van dat land. In landen met algemeen stemrecht waren de belastingen hoger en hinderden protectionistische maatregelen de economie. Bovendien werd in landen met algemeen kiesrecht gekozen voor een groot en kostbaar leger, terwijl Gleichman dergelijk overdreven militarisme als een ramp voor Europa zag. Desalniettemin was Gleichman er geen voorstander van het algemeen kiesrecht in de grondwet uit te sluiten. Een grondwet zou immers als het goed is vele jaren de basis vormen voor de staatkundige inrichting van het land en eventuele (grote) veranderingen in de tijd zouden dan invoering van het algemeen stemrecht meer opportuun kunnen maken.

Toen minister van Binnenlandse Zaken Tak van Poortvliet in 1894 met een voorstel voor forse kiesrechtuitbreiding kwam waren de liberalen nog immer verdeeld en schaarde Gleichman zich onder de zgn. anti-takkianen. Nog in zijn lezing voor de Amsterdamse kiesvereniging haalde Gleichman instemmend woorden van Eduard Douwes Dekker – alias Multatuli – aan uit het toneelstuk Vorstenschool:

‘De menschen die den Staat regeeren zijn –

En dit is treurig – dikwijls onbekwaam,

Doch hierin ligt geen testimonium

Van kunde voor wie niet regeert.’

De verdeeldheid rondom de kiesrechtkwestie liep voor Gleichman zelfs zo hoog op dat hij bij de eerstvolgende verkiezingen zijn financiële steun aanbood aan een behoudend antirevolutionair, enkel en alleen om een takkiaan uit de Kamer te houden.

Kamervoorzitter en laatste jaren

Toen Gleichman in 1891 tot voorzitter van de Tweede Kamer werd gekozen, kwam hij op de positie waar hij volgens tijdgenoten ‘thuishoorde’. ‘Het voorzitterschap van een parlement […] legt een moeielijker taak op en brengt grooter verantwoordelijkheid met zich, dan menigeen, die als hoorder op de tribune een vergadering bijwoont, vermoedt. Niet alleen vereischt de leiding der debatten veel tact, maar door zijn voorstellen omtrent de regeling der werkzaamheden kan een voorzitter grote invloed uitoefenen. Hij kan de ministers hun taak in de Kamer vergemakkelijken of verzwaren. Er zijn oogenblikken, dat van het tijdstip, waarop hij een vergadering voortzet of verdaagt en stemmingen laat plaats hebben, het lot van een minister of zelfs een ministerie kan afhangen.’

Gleichman beschikte, aldus zijn biograaf Mees, over alle eigenschappen die een voorzitter nodig had. Hij kon met zijn persoonlijkheid imponeren door ontzag in te boezemen. Als voorzitter waakte Gleichman zoveel mogelijk voor de ‘goeden toon’ in de Kamer, iets wat ook zijn tijd al niet eenvoudig was. Tien jaar lang werd Gleichman moeiteloos herkozen als voorzitter, waaruit zijn bekwaamheid in deze functie moge worden afgeleid. Als voorzitter wist Gleichman doorgaans zijn kalmte te bewaren, doch een enkele keer, als zijn geduld te zeer op de proef werd gesteld, was dit te merken aan de toon waarop hij een spreker het woord gaf, of aan de beweging van zijn hamer.

Nog eenmaal werd Gleichman benaderd als formateur. Na het vertrek van het kabinet-Röell in 1897 werd de regentes van diverse kanten de samenstelling van een gemengd liberaal kabinet geadviseerd. Zij zocht Gleichman aan als formateur, daar zij graag wilde dat haar dochten bij de troonsaanvaarding (die in 1898 aan de orde was, het jaar waarin Wilhelmina de achttienjarige leeftijd bereikte) een ‘krachtige en geheel te vertrouwen persoonlijkheid’ als hoofd van het ministerie zou aantreffen. Gleichman leek haar zeer geschikt voor die taak. Zelf dacht Gleichman daar heel anders over hoezeer hij ook vereerd was met het verzoek van de regentes. Hij vond zichzelf echter te oud om weer minister te worden. Na afloop van zijn politieke carrière werd Gleichman door de koningin tot Minister van Staat benoemd en bevorderd tot Ridder Groot-Kruis in de orde van de Nederlandse Leeuw.

Met zijn afscheid in 1901 als lid en voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal hoopte Gleichman – die op 19 juli van dat jaar de leeftijd van 67 jaar zou bereiken – op een periode van rust in huiselijke kring, alsmede tijd voor nadere studie van de laatste periode van de Nederlandse republiek. Helaas mocht het niet zo zijn, datzelfde jaar ontviel zijn tweede echtgenote hem na een korte en hevige ziekte, waarna ook Gleichman zelf door ziekte werd getroffen. Weliswaar herstelde Gleichman, doch bij zijn afvaardiging tot lid van de Eerste Kamer namens de Staten van Friesland wekte het voorkomen van Gleichman op collegae de indruk dat zijn vroegere werkkracht definitief was gebroken.  Na ontbinding van de Senaat in 1904 kwam Gleichman op zijn eigen verzoek niet voor herverkiezing in aanmerking. Op 30 april 1906 zou hij zijn laatste adem uitblazen.

Verder lezen

Fleur de Beaufort, ‘Johan George Gleichman. Rechtlijnig & bedachtzaam’, in: Fleur de Beaufort, Joop van den Berg en Patrick van Schie, Eigenzinnige liberalen. Onafhankelijk denkende politici in Nederland (Amsterdam, 2014), pp. 113-133.

J.G. Gleichman, Opmerkingen over den politieken toestand van het oogenblik. Rede op 13 Januari 1891 uitgesproken in de Kiesvereeniging ‘Amstels Burgerij’ te Amsterdam (Amsterdam, 1891), te raadplegen via: http://leesmuseum.rozet.nl/LM05155.

R.P. Mees R.Azn, ‘Levensbericht van mr. J.G. Gleichman’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Leiden, 1907)

Ludwig von Mises
Liberalen
11
Nov
2021
Nov 1, 2021
Wilbert Jan Derksen
Filosoof en econoom die het socialisme en keynesiaanse denken betwistte

De econoom en filosoof Ludwig von Mises geldt met zijn ideeën over de vrijemarkteconomie als een van de belangrijkste figuren binnen de Oostenrijkse school. Mises werd in 1881 geboren in het Oostenrijk-Hongaarse Lemberg (tegenwoordig Lviv, Oekraïne) als zoon van twee Joodse ouders. Op jonge leeftijd verhuisde hij naar Wenen, waar hij later ging studeren aan de universiteit. Hoewel hij met linkse economische ideeën aan zijn opleiding begon, werd hij al snel gegrepen door het werk van Carl Menger, de grondlegger van de Oostenrijkse school. In 1906 behaalde Mises een doctoraat in recht en economie.

 

Naast dat hij hierop ging doceren aan de universiteit, werkte Mises vanaf 1909 voor de Weense Kamer van Koophandel. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) diende hij als economisch adviseur voor het Oostenrijk-Hongaarse departement van Oorlog. Doordat in de jaren daarop het nationaalsocialisme ook in Oostenrijk (nu een afzonderlijk land) aan populariteit won, vertrok Mises in 1934 naar het Zwitserse Genève en in 1940 naar de Amerikaanse stad New York. Hier heeft hij van 1945 tot 1969 aan de Universiteit van New York gedoceerd. In zijn academische loopbaan publiceerde Mises verschillende belangrijke boeken, waaronder Socialism (1929), Liberalism (1927) en Human Action(1949; door velen beschouwd als zijn magnum opus).  

 

In zijn economische theorieën ageerde Mises tegen de zogeheten homo economicus, het idee dat wij uit kunnen gaan van een rationeel handelde mens die op wetmatige wijze beslissingen maakt. In plaats daarvan moeten wij ons baseren op de homo agens, een mens die doelbewust beslissingen maakt die echter niet per sé consistent of rationeel zijn. Mises baseerde zich hiervoor op het principe van ‘praxeologie’, waarin gesteld wordt dat mensen bewust handelen op basis van zelfgekozen doelen (die per persoon kunnen variëren), in plaats van dat zij alleen reflexief handelen op basis van onbedoeld gedrag, zoals bijvoorbeeld dieren dat vanuit hun instinct doen.  

 

Dit idee van een individu dat zijn eigen doelen kiest zou het uitgangspunt moeten zijn van ons economische beleid, zo stelde Mises. Dat was dan ook de reden dat het socialistische model van een planeconomie genoemd was om te falen. De planner kan namelijk geen inherente, objectieve waarde vaststellen bij een bepaald product. Aangezien ieder individu verschillend is, kennen we hier allemaal een andere waarde aan toe. Waar de een 10.000 euro zou betalen voor een bepaald schilderij, zou de ander zelfs wanneer die geld toe krijgt het niet in huis willen hebben. De waarde van een product is dus subjectief. Het is volgens Mises onmogelijk voor de overheid al deze informatie over de persoonlijke voorkeuren van alle individuen op een centraal punt te verzamelen, om zo een juiste prijs vast te kunnen stellen.

 

Door de markt vrij te laten, komen vraag en aanbod op natuurlijke wijze bij elkaar en vertaalt deze subjectieve waarde zich tot een prijs die wel representatief is voor de marktwaarde. Deze prijs wordt niet van bovenaf bepaald door een staat, maar van onderop door de persoonlijke keuzes van individuen. In de ogen van Mises moeten wij dan ook streven naar een laissez-faire economie, waar in dit decentrale systeem het prijsmechanisme (de ‘onzichtbare hand’) ervoor zorgt dat de productiefactoren binnen een samenleving op een zo efficiënt mogelijke manier ingezet worden.

 

Hiermee hekelde Mises niet alleen de ideeën van het socialisme, maar ook de keynesiaanse economische theorie binnen kapitalistische landen. Ook hier stond namelijk – weliswaar een veel meer gelimiteerde vorm van – overheidsinterventie in de economie centraal. In deze theorie werd gesteld dat de overheid in tijden van laagconjunctuur de vraag actief moet stimuleren, en deze juist moet remmen in tijden van hoogconjunctuur. Mises pleitte echter voor het vrijlaten van de markt. Investeringen die gedaan zijn in tijden van economische groei, maar later onnodig zijn gebleken, worden op deze manier in een recessie zo snel mogelijk geliquideerd. Dit is een onvermijdelijk en noodzakelijk proces, waarbij overheidsinterventie dit alleen maar in de weg zit en op de lange termijn juist voor een diepere recessie zorgt (het is als alcohol drinken om je kater te bestrijden). Door laissez-faire beleid kan de markt zich zo snel mogelijk herstructureren en zo weer stabiliseren.

 

Dit idee van minimale staatsinterventie en maximale vrijheid zien we ook terug in Mises’ politieke denkbeelden. Zo was hij voor open grenzen en vond hij dat de overheid zich niet behoorde te bemoeien met het onderwijs. De staat moest zoveel mogelijk aan individuen zelf overlaten. Mises wordt hierom wel eens in de libertarische hoek van het liberale spectrum geplaatst.  

 

Zowel in Oostenrijk als in de Verenigde Staten trad Mises slechts op als gasthoogleraar, waarvoor hij geen salaris ontving. In een tijd waarin het keynesiaanse denken hoogtij vierde bleek het vinden van betaalde academische functie niet gemakkelijk. Door verschillende baantjes als economisch adviseur en dankzij financiële sponsering van bewonderaars van zijn werk had Mises desalniettemin genoeg inkomsten. Ook inspireerde hij andere belangrijke liberale economen, zoals zijn vroegere student Friedrich Hayek. Mises overleed in 1973 in New York, op de respectabele leeftijd van 92 jaar. Tragisch genoeg slechts een paar jaar voordat zijn economische visie eindelijk aansloeg in het Westen en vanaf de jaren 80 politici als Ronald Reagan en Margaret Thatcher zijn ideeën in de praktijk brachten.  

 

Isaiah Berlin
Liberalen
09
Sep
2021
Sep 25, 2021
Brits liberaal filosoof bekend van de begrippen positieve en negatieve vrijheid.

Isaiah Berlin wordt gerekend tot de meest eminente liberale denkers van de twintigste eeuw. Zowel het belang dat hij hecht aan pluralisme en individuele vrijheid als zijn grote in­tellec­tuele formaat, zijn onvermoeibare interesse in andere denkers en zijn ongekende eruditie kunnen gelden als wezensken­merken voor deze Engelse intellec­tueel.

Politiek gesproken kan Berlin op één lijn worden gesteld met twee libera­len van zijn eigen generatie: Raymond Aron en Karl Popper. Berlin, die in Riga werd geboren en op tienjarige leeftijd met zijn ouders naar Engeland emigreerde, omhelsde net als Popper hartstoch­telijk de liberale waarden van zijn nieuwe vaderland. Met zijn politiek-theoretische geschriften over het vrij­heidsbegrip verwierf hij de meeste bekendheid.

Vrijwel Berlins gehele academische leven speelde zich af in Oxford. Berlins levens­lange verbintenis met de Univer­siteit van Oxford werd slechts onderbroken door een aantal kortere verblijven als gas­thoogleraar aan prestigieuze univer­siteiten in Amerika en Australië. Alleen in de oorlog was hij voor langere tijd weg uit Oxford toen hij als vrijwilliger in dienst trad van het Britse ministerie van inlichtin­gen in New York en de Britse ambas­sade in Washington. Naar verluidt behoorden zijn wekelijkse verslagen uit deze periode tot Churchills favoriete lectuur. Aan het einde van de oorlog was hijkorte tijd secreta­ris van de Britse ambassade in Moskou. In 1971 werd hij tot ridder in de Order of Merit geslagen en sindsdien ging hij als Sir Isaiah door het leven.

Berlins ongeëvenaarde eruditie is neergelegd ineen gevarieerd en omvangrijk oeuvre. Maar aangezien zijn werk hoofdzakelijk bestaat uit essays die hij over meer dan 40 jaar schreef en die werden gepubliceerd in een breed scala van tijdschriften en bun­dels, is met name de omvang van zijn werk lange tijd onderschat. Tot aan de uitgave van zijn verzameld werk aan het einde van de jaren '70 was hij voornamelijk bekend op grond van zijn biografie van Karl Marx (1939) en zijn bundels Four essays on liberty (1969) en Vico and Herder (1976).

Pas met de publicatie van zijn Selected writings in vier delen, van 1978 tot 1980, werd de rest zijn werk betertoegankelijk. Toen pas werd ook de omvang van zijn oeuvre duidelijk voor het bredere publiek. Deel I over Russian thinkers verzamelde de belangrijkste essays over Russische schrijvers en intelligentsia uit de negentiende eeuw. Een dergelijk onderzoek naar de bredere intellectuele ach­tergrond van de Oktober Revolutie van 1917 leverde Berlin de sleutel tot een beter begrip van de grote tweespalt in de Westerse en Russische politieke geschiedenis in de twintigste eeuw, die pas aan het einde van de jaren '80 nader tot elkaar lijken te komen. Alexander Herzen, de negentiende-eeuwse Russische denker met wie Berlin zich altijd het meest verwant voelde, zei hierover tegen een tijdgenoot uitWest-Europa: `U zult via het proletariaat naar het socialisme toe­werken, en wij via het socialisme naar de vrijheid.'

Het tweede deel van zijn verzameld werk, Concepts and cate­gories getiteld, bestaat uit Berlins bijdrage aan de conceptuele analyse van een aantal belangrij­ke filoso­fische vraagstukken als verificatie, empirische proposi­ties, gelijkheid en het idee van een wetenschap­pelijke ges­chied­schrijving. Deze exercities in de systematische filosofie zijn niet alleen nog steeds belangrijk en informatief, zij vormen tegelijkertijd ook een mooie illustratievan Berlins vermogen om zich geheel in te leven in een denktrant anders dan de zijne, in dit geval het logisch positivisme dat het heersende wetenschap­sparadigma in Engeland in die tijd uitmaakte. Overigens belette hem dat niet om dit paradigma met gebruikmaking van diens eigen terminologie grondig te bekritiseren. Berlin was zelf nooit een positivist. In deel II van zijn verzameld werk is ook het gedenkwaardige essay afgedrukt dat Berlin in 1961 schreef onder de titel `Does political theory still exist?', een vraag die velen in de nadagen van het positivisme ontkennend beant­woordden.

Het derde deel, Against the current, bestaat uit een serie essays, stuk voor stuk juweeltjes in de ideeënges­chiedenis, met name over wat hij aanduidt als de ‘tegen-verlicht­ing’, een min of meer per­manente onderstroom die kant­tekenin­gen plaatste bij het optimistisch rationalisme dat wordt gerekend tot de primaire kenmerken van de achttiende eeuw. Deze verzamel­ing illustreert beter dan welk ander ge­schrift ook hoe Berlins belangstelling voor­namelijk uitgaat naar denkers die zich, hoe aarzelend dan ook, verzetten tegen de heersende or­thodoxie van de dag. In deel IV, Personal impressions, geeft Berlin in een aantal biografische obser­vaties blijk van zijn scherpe opmerking­svermogen, maar ook van de milde humor waarmee hij de wereld om hem heen bezag.

Waardenpluralisme

Het feit dat Berlins essays een uitzonderlijk breed gebied bestrijken zou gemak­kelijk kunnen leiden tot de verdenking dat hij ons een onsamenhangende erfenis heeft nagelaten. Het uitzonder­lijke van Berlins werk is dat er in deze brede diver­siteit een aantal heel duidelijk herkenbare, terugkerende thema's zijn, die hem tot een uiterst oorspronkelijk denker maken. Het belang­rijkste en meest fundamen­tele thema is zijn waardenplura­lisme: het geloof dat er meerdere waarden zijn, dat niet allemensen en culturen dezelfde waarden onderschrijven of nastreven, en dat die waarden niet altijd met elkaar verenigbaar zijn. Wat Berlin met zijn grote verscheidenheid aan exercities in de ideeëngeschiedenis aan de orde stelt, trekt een assumptie in twijfel waar politieke denkers door de eeuwen heen stilzwijgend van uit zijn gegaan. Dit is de niet nader onderzochte aanname dat alle doelen die mensen van intrinsiek belang kunnen achten, uiteindelijk zullen kunnen worden ingepast in één grote, universele, alomvattende rationele orde. De consequentie van die opvatting is dat er eigenlijk geen behoefte is, ja zelfs geen plaats is voor politiek in de gebruikelijke zin. Als alle mogelijke politieke doelen die mensen zich kunnen stellen, uiteindelijk zullen blijken op te gaan in een grote harmonieuze orde, kunnen geschillen in de dagelijkse politieke praktijk nooit meer zijn dan een verschil van inzicht over de meest geëigende middelen tot dit universele doel. Politiek wordt daarmee tot een technische aangelegenheid, die het beste aan specialisten of administrateurs kan worden overgelaten.

Het belang van Berlins centrale stelling schuilt in de eerste plaats in het feit dat hij iets zichtbaar heeft gemaakt waar geen van de betrokken denkers zich van bewust lijkt te zijn geweest. Pas doordat hij ons met de neus op de feiten drukt, valt het ongerijmde van deze aanname ons op. Juist omdat hij wijst op iets wat bij de eerdere denkers niet eens opkwam, stelt hij ons in staat ons rekenschap te geven van deze onberedeneerde, naïeve, maar ook gevaarlijke aanname. Alle totalitaire ervaringen van de twin­tigste eeuw zijn in wezen te herleiden tot een uiting van deze denkconstructie. Maar Berlins centrale stelling heeft niet alleen betrekking op totalitaire politieke denkbeelden. Behalve Plato, treft zijn observatie ook Aristoteles, die toch op een veel vriendelijkere reputatie kan bogen; en behalve de tweeandere notoire ‘vijanden van de open samenleving’, Hegel en Marx, geldt Berlins kritiek op het monisme ook de liberale rationalis­ten uit het tijdperk van de Verlichting.

Berlins waardenpluralisme loopt als een rode draaddoor al zijn geschriften. Het vormt de leidende gedachte achter zijn studies van de Russische intelligentsia in de negentiende eeuw, het verklaart zijn interesse voor een aantal tegendraadse denkers die zich tegen het rationalistisch paradigma van hun tijd afzetten, zoals Vico, Hamann en Herder, denkers die goeddeels in de vergetelheid waren geraakt voordat zij met Berlins studies opnieuw tot leven werden gewekt; het pluralisme vormt ook de - voor de onbevan­gen lezer tamelijk onver­wachte - conclusie van zijn opstel over Machiavelli, die een van de grondleg­gers van tolerantie en pluralisme blijkt te zijn.

Een aantal resultaten van Berlins studies in de geschiedenis van het denken is ronduit verrassend te noemen, zoals bij voorbeeld blijkt uit dit opstel over Machiavelli, lange tijd de meest beruchte politieke denker uit de Renaissance. Voor Berlin schuilt `de oorspron­kelijk­heid van Machiavelli' in het onder­kennen van twee onverenigbare wereldbeel­den, die beide van intrin­siek belang zijn en kunnen fungeren als op zichzelf staan de doelen in het leven: de chris­telijke visie tegeno­ver de republi­keinse. Het gebruike­lijke verwijt aan Machiavelli's adres dat hij een gewetenloos, immoreel standpunt zou hebben verwoord, komt in feite neer op een misvatting van zijn denken. Het suggereert namelijk dat het gaat om een botsing tussenethiek en politieke noodzaak, waarbij Machia­velli technisch instrumentele over­wegingen tot een doel op zich verheft. Maar wat Machiavelli onbedoeld en zonder zich daarvan bewust te zijn, bijna terloops had ontdekt was een veel belangrijker, maar tegelijkertijd ook een veel subver­siever inzicht. Niemand voor hem was nog op het idee gekomen dat de mens geconfronteerd zou kunnen worden met een keuze tussen verschil­lende op zichzelf staande, maar onverenig­bare levens­doelen. En dat was, zo zegt Berlin, ‘een diep veront­rus­tende conclusie’.

Pluralisme was ook het kernbegrip bij zijn analyse van het vrijheidsbegrip, die hij heeft gegeven in de openbare les over `Two concepts of liberty', waarmee hij in 1958 de Chichele leerstoel aanvaardde. In deze inaugurele rede, die al snel de status van een klassieke tekst in de politieke theorieën verwierf, stelde Berlin dat alle gangbare vrijheidsbegrippen zich lieten indelen in twee categorieën, respec­tievelijk aangeduid als negatieve en positieve vrijheid. Negatieve vrijheid typeerde hij als af­wezigheid van dwang: vrijheid in deze betekenis verwijst naar een zeker gebied waarbinnen het individu ongehinderd door anderen zijn gang kan gaan en doen wat hij wil. Gemeenschap­pelijk kenmerk van alle positieve vrij­heidsbegrippen is autonomie. Dat gaat over in hoeverre je meester bent over jezelf en in hoeverre je in staat bent welbewust te besluiten wat er met je gebeurt. Het is duidelijk dat deze twee benaderingen van het vrijheids­begrip elkaar niet uitsluiten, zij bena­druk­ken alleen twee ver­schil­lende aspecten ervan. Berlin wees er echter op dat hoewel hun respec­tievelijke uitgangspun­ten in logisch opzicht niet ver uiteen liggen, deze twee vrijheids­begrippen historisch een zodanige ontwikkeling hebben doorgemaakt dat zij twee geheel tegenges­telde, en onverenigbare dingen gingen inhouden. In haar negatieve variant bleef vrijheid bijna altijd verbonden met haar eigenlijke betekenis terwijl positieve theorieën van vrijheid feitelijk vaak neerkwa­men op de onder­drukking van het individu. Onder de naam `vrijheid' werd in feite haar tegendeel in de praktijk gebracht. De benaming was slechts een poging om een autoritaire doctrine te legitimeren.

Bij verschil­lende gelegenheden heeft Berlin het empirische karakter van deze stelling benadrukt. Hij bedoelde geenszins te impliceren, zegt hij onder andere in zijn inleiding van de bundel Four essays on liberty, dat het door hem om­schre­ven positieve vrijheidsbegrip noodzakelijkerwijze zou moeten uitmonden in een autoritaire doctrine. Berlins stelling is in de eerste plaats een feitelijke obser­vatie, die hij vervolgens inzichtelijk probeert te maken aan de hand van een schets van de ontwikkeling die het positieve begrip moest doorlopen om, uitgaande van een onverdacht liberale notie, in haar tegendeel om te kunnen slaan.

Charles Rogier
Liberalen
08
Aug
2021
Aug 30, 2021
Liberaal en natievormer

Charles Rogier was een belangrijke figuur in het onafhankelijk worden van België in 1830. Zijn wieg stond echter niet in België, maar in Frankrijk. Op 17 augustus 1800 werd Charles geboren in het stadje Saint-Quentin. Zijn vader was een fervente aanhanger van de Franse revolutie, engageerde zich als militair en kwam in 1812 om het leven tijdens het Russische offensief van Napoleon. Charles Rogiers moeder trok daarop naar Luik, waar zijn oudste broer Firmin een aanstelling had gekregen in een lycée en waar de moeder een min of meer regelmatig inkomen trachtte te verwerven door er een meisjespension te openen. De jonge Charles ging met een staatsbeurs school lopen op datzelfde lycée waar zijn broer lesgaf en deed het daar goed.

Desondanks had hij niet de financiële middelen om daarna naar de universiteit te gaan: hij hielp zijn moeder bij het uitbaten van het pension en verdiende wat bij door links en rechts wat privélessen te geven, later ook door een tijdje als huisleraar in een gegoede familie te fungeren. Toch was de ambitie om een universitair diploma te halen niet verdwenen: in Luik was al vroeg onder het Nederlands bewind een universiteit naar Duits model geopend en uiteindelijk zou hij daar in 1826 zijn diploma als jurist behalen. Rogiers periode als rechtenstudent in de Luikse universiteit maakte dat hij deel ging uitmaken van die typische generatie van jonge Franstalige juristen die in 1830 het draagvlak zouden vormen voor de Belgische onafhankelijkheid.

In de jaren tussen het verlaten van het middelbaar onderwijs en zijn inschrijving aan de Luikse rechtenfaculteit las de jonge Charles veel. Hij kwam in aanraking met literatuur die hem vertrouwd zou maken met het liberale denken van die jaren. Het behoeft nauwelijks een betoog dat in een sterk francofiele stad als Luik vooral de Franse verlichtingsliteratuur ende klassiekers van het liberalisme aldaar – van Montesquieu tot Germaine de Staël – de kern van zijn lectuur zouden uitmaken. Zijn contacten met generatiegenoten die dezelfde liberale ideeën koesterden, brachten hem uiteindelijk in het journalistieke vaarwater.

Zo associeerde hij zich in maart 1824 met Paul Devaux en Joseph Lebeau – twee jonge liberale politici die naderhand een belangrijke rol zouden spelen in het onafhankelijke België – om een liberale krant uit te brengen, die bovendien kritisch zou staan tegenover het Nederlands bewind. Met enkele minder bekende figuren richtte deze jonge garde dan de bekende Mathieu Laensberg op[1], enige jaren later herdoopt tot Le Politique, een persorgaan waarmee tot aan de breuk tussen noord en zuid een polemisch geluid te horen werd gebracht dat vooral de excessief geachte politieke impact van koning Willem – voor de liberalen was de macht van koning veel te groot en die van het parlement veel te klein – aan de kaak zou stellen. Rogier schreef een reeks bijdragen voor deze krant over lokale of binnenlandse politiek, aanvankelijk veelal niet onder eigen naam overigens.

Frequent werd de problematiek van verkiezingen en representatieve regimes behandeld (steevast met kritiek op stelsels van indirecte representatie), maar ook een betere bescherming van de burgerlijke vrijheden werd er met verve bepleit. Er was veel aandacht voor de in die dagen door processen allerhande bedreigde persvrijheid[2] en in hetzelfde register paste uiteraard het afwijzen van de zegeltaks die op de kranten woog. De pijlen werden ook gericht op de taalwetgeving van Willem, die in de overwegend Nederlandstalige gebieden van het toekomstige België het Frans minder welgevallig was dan deze Luikse groep het had gewild.

De Belgische opstand en het Voorlopig Bewind

Het bleef niet alleen bij schrijven. Toen eind augustus 1830 de eerste rellen uitbraken tegen de autoritaire regeringsstijl van koning Willem I der Nederlanden nam Rogier een zeer actieve rol in. Zo trok hij met enkele honderden gewapende Luikenaars naar Brussel om er deel te nemen aan de onafhankelijkheidsstrijd.

In Brussel werd Rogier vervolgens ondervoorzitter van een politieke club die onder de naam van Réunion Centrale voortdurend ageerde voor de oprichting van een voorlopig bewind. Wanneer de Nederlandse troepen de stad op 22 september binnenvielen, vluchtte Rogier de stad uit – eenieders heldhaftigheid heeft zo zijn grenzen – maar lang zou zijn afwezigheid niet duren. Het falende offensief van de Nederlandse troepen gaf Rogier de kans terug te keren en zich een centrale rol toe te meten. Reeds op 24 september trad hij tijdens een vergadering van de leidende opstandelingen op het Brusselse stadhuis toe tot de commissie waaruit dan tweedagen later het eigenlijk Voorlopig Bewind zou voortkomen en die ook de definitieve breuk met het noorden zou forceren. Door zijn optreden en deelname aan de opstand tegen Willem I werd Rogier vrijwel onmiddellijk gevraagd deel uit te maken van het Voorlopig Bewind dat op vier oktober 1830 de onafhankelijkheid van België uitriep. Kort daarna werd hij in het arrondissement Luik verkozen tot lid van het Nationaal Congres, dat als voornaamste taak had een grondwet op te stellen voor de pas uitgeroepen Staat, waarna de zoektocht kon starten naar een staatshoofd. Het was voornamelijk Paul Devaux die grotendeels de nieuwe grondwet uitschreef. Deze vergat daarbij zijn goede vriend Rogier niet. Zo bepaalde hij in het artikel 133 van de gloednieuweconstitutie dat alle buitenlanders die voor één januari 1814 in ‘België’ vertoefden en er gedomicilieerd waren automatisch de Belgische nationaliteit konden verkrijgen. Voor de in Frankrijk geboren Charles Rogier was dat uiteraard een belangrijke kwestie.

Ook na de ontbinding van het Nationaal Congres in augustus 1831 bleef Rogier een toonaangevende rol spelen in de politiek. Zo was hij enkele jaren gouverneur van de provincie Antwerpen en meer dan een halve eeuw volksvertegenwoordiger. In 1846 stichtte hij als reactie op de katholieke hegemonie in de Belgische politiek met Paul Devaux en Pierre-Theodore Verhaege de Liberale volkspartij. Verder bekleedde hij verscheidene ministerposten. Zo was Rogier minister van Binnenlandse Zaken (1832-1834), minister van Openbare Werken (1840-1841), premier én minister van Binnenlandse Zaken (1847-1852), opnieuw minister van Binnenlandse Zaken (1857-1861) en tot slot premier én minister van Buitenlandse Zaken (1861-1868). In 1868 werd hij voor zijn verdiensten en inzet benoemd tot minister van Staat.

De portefeuille Binnenlandse Zaken die Rogier eerst toegewezen kreeg, dekte toen vrij uiteenlopende bevoegdheden: naast de klassieke bevoegdheden van dat ministerie – het toezien op de lagere besturen bijvoorbeeld – stond het ook in voor het onderwijsbeleid, voor uiteenlopende culturele en wetenschappelijke aangelegenheden en was het minstens even belangrijk in het sturen van ’s-lands infrastructuur. Wat daarbij vooral moet treffen is dat de liberaal Rogier, ongeacht de sectoren waarover hij gezag kreeg, meteen opviel door een vrij groot aandeel toe te kennen aan het staatsinitiatief. In de vroege jaren van het onafhankelijke België kwam Rogiers relatief étatistische optiek vooral tot uiting bij het aanleggen van de eerste spoorwegverbindingen. Na lange debatten waarin Rogier een uitgesproken tegenstander bleek van het in concessie geven van de spoorinfrastructuur aan de privésector, kreeg hij zijn visie er grotendeels door. Het zou wel degelijk decentrale overheid zijn die de eerste spoorwegen zou aanleggen: pas in tweede orde zouden ondernemers zich op dit terrein mogen wagen, niet voor de primaire lijnen weliswaar, enkel voor de secundaire verbindingen.[3]

Rogier was allesbehalve een ideoloog, en toonde zich altijd weer de pragmaticus die zich niet te snel op een welbepaalde positie liet vastpinnen. Rogier koesterde in de jaren 1840 voor een liberale prominent enkele ongewone vriendschappen: zo bleek hij in 1848 gelieerd met de socialist Victor Considérant en had hij zelfs een vage sympathie voor het gedachtegoed van de utopist Fourier.[4] Zijn weinig ‘orthodoxe’ en pragmatische optiek verhinderde hem echter geenszins om lange tijd één van de belangrijkste voormannen van het liberalisme te blijven. De jonge journalist die sleutelfiguur werd van de Belgische omwenteling ontpopte zich naderhand ook als een gedreven minister en regeringsleider die binnen de liberale stroming decennialang ‘incontournable’ was. Pas wanneer een jongere, meer nadrukkelijk ideologisch geprofileerde generatie aantrad rondom de figuur van Frère-Orban, moest hij zijn status van primus inter pares inruilen voor die van éminence grise: gerespecteerd en beluisterd, maar niet langer in het centrum van de politieke macht.

 

[1] Met de naam Mathieu Laensbergwerd verwezen naar de Luikse almanak die in de stad werd gedrukt in de zeventiende eeuw. Zie: Robert Demoulin, ‘De liberale stroming tijdens het Koninkrijk der Nederlanden(1815-1830) en de Omwenteling van 1830’,H. Hasquin & A. Verhulst (red.), Het liberalisme in België: tweehonderd jaar geschiedenis, Brussel, 1989, p. 33.

[2] Het is geen toeval dat de krant, vooral dan na haar transformatie tot Le Politique, wat betreft dit punt actief in de verdediging ging. Zo werden de lezers aan de vooravond van de onafhankelijkheid gevraagd bij te dragen aan de steunfondsen ten voordele van journalisten als Louis De Potter die tijdens dergelijke persprocessen waren veroordeeld tot relatief strenge straffen.

[3] Rogier gebruikte het Britse model om er zijn visie mee te bepleiten. Dat was vrij paradoxaal want het systeem met de concessies werkte aar goed. Niettemin achtte Rogier België een te jonge en kwetsbare staat om een strategisch gegeven als het aanleggen van spoorwegen zomaar aan het vrij initiatief over te laten en verder ging hij ervan uit – terecht of niet – dat de particuliere ondernemers in België nog niet de grote financiële mogelijkheden bezaten die hun Britse tegenhangers wel hadden. In België zouden de concessies voor de secundaire lijnen overigens pas vanaf 1843 worden vrijgegeven. Vanaf1873 zou de Belgische staat stapsgewijs de uitbestede verbinden weerom onder staatsuitbating plaatsen.  Zie: D. De Brulle, ‘Les chemins de fer belges: Charles Rogier et l'Etat’, Les Annales de l'Economie Collective, LV, 1967, nr. 1, pp. 25-93.

[4] Het is bekend dat Rogier in Brussel voordrachten over diens ideeën had bijgewoond. Zie: J. Bartier, Fourier en Belgique, Brussel, 2005, pp. 57, 137.

James Mill
Liberalen
08
Aug
2021
Aug 18, 2021
Patrick van Schie
Utilitaristisch denker, meer dan de vader van....

Wanneer in liberale kring de naam Mill valt, denkt bijna iedereen automatisch aan John Stuart. Diens faam als liberaal denker is volkomen terecht, maar zijn vader James gold ooit eveneens als een invloedrijke liberaal. James Mill was een van de zogenoemde ‘filosofische radicalen’, die hun denken op utilitarisme baseerden. Als zodanig geldt vader Mill als de voornaamste discipel van Jeremy Bentham. James Mill in de schaduw beland van zowel Bentham als van zijn eigen (oudste) zoon. Niet onbegrijpelijk, maar dit doet hem ook onrecht. Wat was James’ eigen bijdrage aan het liberale gedachtengoed?


Levensloop

James werd op 6 april 1773 in Schotland in een dorpje halverwege tussen Dundee en Aberdeen geboren met de achternaam Milne. Het was zijn moeder die deze achternaam wijzigde in het meer Engels klinkende Mill, opdat haar kinderen betere carrière-perspectieven zouden krijgen. De vader van James was een eenvoudig en rustig levend schoenmaker, in bezit van een klein stukje grond. Het gezin was niet echt arm, maar hoorde evenmin bij de well-to-do.

De oudste zoon James werd door zijn ouders aangezet tot een uiterst studieus leven, iets wat hij later met een streng regime weer aan zijn eigen oudste zoon John Stuart zou opleggen. De studie, natuurlijk in combinatie met een goed stel hersens, bracht hem aan de universiteit Edinburgh, waar hij in zijn levensonderhoud voorzag door onderwijs te geven aan een 14-jarig meisje van adel: Wilhelmina. Hij werd haar vertrouwelinge, en hoogstwaarschijnlijk meer dan dat: de twee zouden van elkaar hebben gehouden. Een huwelijk tussen de toch van eenvoudige afkomst zijnde James en de adellijke Wilhelmina was echter uitgesloten. In latere soortgelijke betrekkingen bij adellijke families, zou James voorts menigmaal een vernedering op grond van zijn afkomst hebben ondergaan. Hij hield er een intense afkeer van de adellijke stand aan over.

James studeerde in 1798 af als predikant maar slaagde er niet in een vaste standplaats te verwerven. Daarom besloot hij vier jaar later, 29 jaar oud, naar Londen te verhuizen. Daar zou hij zijn vrouw Harriet ontmoeten, met wie hij in 1805 trouwde. Het paar kreeg negen kinderen, van wie de oudste John Stuart, geboren in 1806, zijn tweede voornaam kreeg naar de ouders van Wilhelmina. In 1808 kwam James in contact met Jeremy Bentham. Zij werden geestverwanten, waren een tijdlang ook bevriend maar die vriendschap zou later weer bekoelen. Net als Bentham was James Mill overtuigd dat de mens wordt gedreven door het verlangen zijn ‘pleasure’ te vergroten en zijn ‘pain’ te verminderen. ‘Pleasure’ moet hier duidelijk als breder worden opgevat dan ‘plezier’, meer als alle soorten aangename ervaringen (en ‘pain’ als al hetgeen onaangenaam is). Het beginsel doet wel een zeker hedonisme veronderstellen. In het geval van Bentham klopt dit ook; zo niet bij James Mill. Die was in zijn opvoeding te doorspekt van calvinisme, hoewel hij later niet meer gelovig was, om ooit een levensgenieter te kunnen worden. James Mill wordt ook wel als de exponent van een ‘puriteins utilitarisme’ beschouwd.

Mill was bijzonder productief: hij schreef 5 boeken en meer dan duizend essays en andere artikelen. Lang niet allemaal hadden deze een politieke inslag; vele betroffen het onderwijs in een brede zin van het woord. Zijn omvangrijkste publicatie was een driedelige geschiedenis van Brits Indië (1818), die hem ondanks de kritische inslag een aanstelling bij de East India Company opleverde. Dankzij die functie kon hij zich (financieel) onafhankelijk van Bentham gaan opstellen. Mill’s belangrijkste politieke werken verschenen in de periode tussen 1820 en 1830. James Mill overleed op 23 juni 1836, op 63-jarige leeftijd.


Het belang van breed onderwijs

Mill’s voornaamste essay over onderwijs verscheen, zoals meer van zijn politieke publicaties, in het supplement van de eigentijdse druk van de Encyclopaedia Britannica. Al die bijdragen hadden dezelfde strakke opbouw, zonder opsmuk. Daardoor waren de essays weliswaar goed te volgen, maar ook enigszins saai. Dit was ook een harde noot die een van Mill’s voornaamste critici in 1829 kraakte. Historicus T.B. Macauley oordeelde: ‘The strongest arguments, when clothed in brilliant language, seem to them [de utilitaristen; PvS] so much wordy nonsense.’

Mill begon zijn essay over het onderwijs met een verhandeling over hoe de menselijke geest zijn inziens werkt, zoals de vraag of kennis uitsluitend via de zintuigen tot ons komt of dat er meer kenbronnen zijn. Typerend is echter zijn toepassing van het ‘pain and pleasure’-beginsel op de vorming van een kind. Een kind leert door herhaling, en dan is het in huiselijke kring – welke Mill uitdrukkelijk tot de sfeer van het ‘onderwijs’ rekende – van belang dat het kind wordt geprikkeld bij te dragen aan het welzijn van zijn mede-mensen. Daarentegen dient te worden gewaakt tegen de makkelijkere route, die van ‘a command over the wills of other men’. Een opvoeder moest niet elke keer dat een baby huilde op het kind toesnellen. Dan leerde een kind immers aan dat het anderen naar believen aan zijn wil kon onderwerpen.

Voor het ‘technische onderwijs’ – Mill’s benaming voor hetgeen wij onderwijs op scholen en soortgelijke instellingen noemen – was het meest opvallende dat James Mill een voor zijn tijd breed bereik nastreefde. Zelfs iemand als Locke stond, ondanks zijn democratische neigingen, volgens Mill slechts de ‘education of a gentleman’ voor ogen. Mill stelde dat het zaak was deugden als matigheid en welwillendheid onder alle mensen aan te kweken. Ja, zelfs intelligentie mocht niet tot een bovenlaag beperkt blijven. Omschreven als de combinatie van kennis plus het vermogen vast te stellen met welke middelen een doel het beste kan worden bereikt, konden ook arbeiders er hun voordeel mee doen. Uitgezocht moest worden welke mate van intelligentie voor hen bereikbaar was. De samenleving zou erbij winnen wanneer de ‘wretchedly poor’ zich uit hun abominabele omstandigheden konden werken. Want: ‘when the people are wretchedly poor, all classes are vicious, all are hateful, and all are unhappy.’

Mill zag tevens een politieke vorm van onderwijs. Dit hield in dat uit het politieke systeem moest blijken dat deugdzaam gedrag loont. Want als niet deugd en talent doch onderworpenheid aan de wil van enkelingen lonend was, dan zouden intriges, vleierij, achterbaksheid en verraad de samenleving in hun greep krijgen.


Beteugeling van zelfzuchtige machtsuitoefening

Geen van zijn politieke essays werd wellicht befaamder dan dat over ‘Government’. ‘Pain and pleasure’ vormden uiteraard ook hier het uitgangspunt van Mill’s gedachten. Hij redeneerde dat de mens voor het bereiken van de meeste aangename zaken arbeid diende te verrichten, hetgeen onaangenaam is (aldus Mill). Daarom is de mens van nature geneigd die arbeid door een ander, door een zwakkere persoon, te laten verrichten. Een goede regering behoort dit tegen te gaan. Het doel van zo’n ‘goede’ regering dient te zijn ‘to make that distribution of the scanty materials of happiness, which would ensure the greatest sum of it in the members of the community, taken altogether, preventing every individual, or combination of individuals, from interfering with that distribution, or making any man to have less than his share.’

Een in die tijd veel besproken en onderzocht onderscheid was tussen een democratische, een aristocratische en een monarchale overheid: bestuur door de menigte, door een kleine groep of door één persoon. Mill  verwierp elk van deze vormen, evenals de destijds vaak aanbevolen mengvorm. Een balans viel niet aan te brengen, betoogde hij, omdat monarchie en aristocratie tegen het volk zouden samenspannen. Een echte democratie, de heerschappij van alle burgers, vroeg te veel aandacht waardoor mensen zich niet meer op arbeid – de bron van aangename voorspoed – konden richten. Bovendien waren vergaderingen met te veel deelnemers onvruchtbaar. Als iedereen zou spreken kwam raakten de gemoederen maar verhit zonder dat er besluiten werden genomen.

Mill’s oplossing was niet opzienbarend: er diende een vertegenwoordigend lichaam te zijn met voldoende macht om de andere machten in bedwang te houden. Maar anders dan veel liberalen in de 19e eeuw dachten, geloofde Mill niet in vertegenwoordigers die zich door ‘het algemeen belang’ zouden laten leiden. Ieder mens was geneigd zijn eigen belang te dienen en dit als ‘algemeen belang’ te verdedigen. Volksvertegenwoordigers zouden daarin geen haar beter zijn. De vraag was dus hoe te voorkomen dat zij hun macht zouden misbruiken, dat zij niet langer deden wat de gemeenschap wilde. Mill’s oplossing was eenvoudig: beperk de duur van hun mandaat. Dit mandaat zou echter, meende Mill, elke verkiezing weer verlengd moeten kunnen worden. Een eenvoudige oplossing inderdaad. Te eenvoudig, meenden critici indertijd al. En in het licht van de latere ontwikkelingen – zoals de komst van politieke partijen, fractiediscipline, lobbygroepen en dergelijke – een verbluffend naïeve en ontoereikende remedie.

Hoe diende het electoraat zelf te zijn samengesteld? Voor zíjn tijd was James Mill vooruitstrevend door het betrekkelijk ruim te willen toekennen. Mensen zonder enig bezit kiesrecht toekennen zou verkeerd zijn, maar de bezitsgrens diende laag te liggen. Dit zou neerkomen op een forse uitbreiding van het in die tijd in Groot-Brittannië uiterst beperkte kiesrecht. Opvallend was dat Mill een leeftijdsgrens van 40 jaar wilde aanbrengen. De belangen van jongere mannen zouden dan vanzelf worden gediend, betoogde hij, omdat de meeste veertig-plussers ‘a deep interest’ in hun zonen hadden. Ook vrouwen hadden het kiesrecht niet nodig, stelde James Mill in één regel, omdat zijn bijna allemaal hun belangen behartigd konden weten door hun vaders of hun echtgenoten.

Het was een passage waarvoor zijn zoon John Stuart, die een vroege voorvechter werd van het vrouwenkiesrecht, zich later diep schaamde. Maar hoewel in de tijd van James Mill vrijwel niemand het vrouwenkiesrecht reeds bepleitte, oogstte zijn redenering meteen veel kritiek. In één alinea haalde James Mill immers zijn eigen uitgangspunt onderuit dat aan niemand de oprechte behartiging van de belangen van een ander kon worden toevertrouwd. Mill’s redenering was niet alleen innerlijk tegenstrijdig, maar hield ook geen stand in het licht van de geschiedenis. Bijna altijd en overal in de menselijke geschiedenis waren vrouwen in een inferieure positie geplaatst, wierp historicus Macauley in 1829 tegen, en zelfs in landen waar zij het beste worden behandeld worden ze achtergesteld bij mannen. Dat vrouwen er in Engeland lang niet altijd ellendig aan toe waren, had ermee te maken dat er vaak een echtgenoot was die haar liefheeft en er plezier aan beleeft ‘in seeing her pleased’. En indien hij niet zulke gevoelens heeft, dan althans niet wil dat de buurt schande van zijn gedrag spreekt. Maar enerzijds mocht daar niet op worden vertrouwd, anderzijds liet deze praktijk zien dat de veronderstelling van Mill dat alles tot eigenbelang viel terug te redeneren steriel was. Uit ‘a priori’-redeneringen, zoals de utilitaristen die hanteerden, viel geen kennis over de mens en de samenleving te halen, zo wierp Macauley Mill voor de voeten.


Persvrijheid, geheim stemrecht en meer

In een andere bijdrage aan de Encyclopaedia Britannica besprak James Mill de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder de persvrijheid. Zijn zoon John Stuart zou hier later in een cruciaal hoofdstuk in On liberty uitvoeriger en mede vanuit het individu bezien op ingaan, voor vader James was deze vrijheid vooral van belang voor de gemeenschap. Zonder persvrijheid konden kiezers niet nagaan of hun bestuurders en volksvertegenwoordigers hen bedonderden. James Mill maakte korte metten met redeneringen als zouden er grenzen moeten zijn om verspreiding van onjuiste opvattingen – tegenwoordig ‘fake news’ genoemd – of onfatsoenlijke uitingen tegen te gaan. Wie zou immers kunnen bepalen wat ‘onjuist’ of ‘onfatsoenlijk’ is? Indien heersers dat mogen doen zullen zij geen andere opinies toelaten dan die welke overeenstemmen met hun eigen opvattingen. ‘If any government chooses the direction of the public mind, that government is despotic.’

Waar het debat zo open mogelijk moet zijn, moet het uitbrengen van de stem dat juist niet zijn. In de aanloop naar de kiesrechthervorming van 1832 bepleitte Mill in een gloedvol artikel – hij kon het wel – in The Westminster Review (tevens als pamflet uitgebracht) dat kiezers hun stem in het geheim moesten kunnen uitbrengen. Dat was destijds in Groot-Brittannië nog niet het geval. Alleen met geheim stemrecht kon worden gewaarborgd dat een kiezer niet onder druk van anderen stemde, dat hij stemde conform zijn eigen wil. Een afhankelijke kiezer kon dat niet. ‘Your choice is between prostitute voting and secret voting.’ Zijn pleidooi kreeg nog geen succes in de Reform Bill van 1832. Pas in 1872 werd in Groot-Brittannië het geheim stemrecht wettelijk geregeld, en wel door het liberale eerste kabinet-Gladstone.

Een ‘goede regering’ zou idealiter niet tot één land beperkt moeten blijven. Ook tussen naties onderling zou er internationaal recht gevormd moeten worden, met een tribunaal om geschillen vreedzaam te beslechten. Twee eeuwen geleden bestond dit nog niet; James Mill werkte een plan daartoe uit. Hij waarschuwde wel voor het gevaar dat kleine landen hier meer door gebonden zouden worden dan sterke naties. Dat er (effectieve) sancties aan een sterk land zouden worden opgelegd, zag hij niet gebeuren. Hierin was hij vooruitziend.


Mill’s liberale nalatenschap

In zijn redeneringen was James Mill, hoe systematisch hij ook te werk trachtte te gaan, niet altijd even consistent. Het liberalisme van zijn oudste zoon was vaak beter beredeneerd, en bovendien duidelijker vanuit het individu. Toch heeft James Mill ons behartenswaardige raadgevingen nagelaten. Over de vraag of bestuurders en volksvertegenwoordigers louter uit eigenbelang handelen kan men twisten, maar het is zeker goed te (blijven) bedenken dat eenieder die macht krijgt toevertrouwd altijd scherp in de gaten dient te worden gehouden. In een tijd waarin vaker wordt gegrepen naar stemmen per post tijdens verkiezingen – in Nederland (eenmalig?) in maart 2021 voor een beperkte groep maar in de VS massaal bij de presidentsverkiezingen van november 2020 – is het erg belangrijk te beseffen dat op die manier het geheime stemrecht niet kan worden gewaarborgd. Bezwaren tegen stemmen per post mogen dan ook niet worden weggewimpeld, want een stem moet wel de eigen voorkeur van een kiezer uitdrukken. En, ten derde, nu er geregeld wordt voorgesteld om (zogenaamd) ‘fake news’ te monitoren en zelfs te weren, is het goed om Mill’s waarschuwing in acht te nemen dat dit de weg naar despotie is. Wat waar en onwaar is moet uit een open debat blijken. Censuur dient te allen tijde uit den boze te blijven.

William Graham Sumner
Liberalen
07
Jul
2021
Jul 29, 2021
Patrick van Schie
Een sceptisch Amerikaans liberaal, in de oorspronkelijke zin van het woord

Overzichten van liberale denkers bevatten meestal niet de naam van William Graham Sumner, rond 1900 hoogleraar aan de universiteit van Yale (in de Amerikaanse staat Connecticut). Dat heeft verschillende oorzaken. Om te beginnen kennen de Verenigde Staten geen (grote) partij die zich als liberaal afficheert. Sumner had zich in zijn tijd, de late negentiende en vroege twintigste eeuw, te verhouden tot de Republikeinen en de Democraten. Hij was partijpolitiek gezien een Republikein die soms, tot afgrijzen van zijn noordoostelijke academische omgeving, voor een Democraat koos, maar steeds meer in beide partijen gedesillusioneerd raakte. Daarbij komt dat Sumner doelbewust door latere generaties politiek-filosofen en historici is afgeschilderd als een verouderd sociaal-darwinist, van wie we niets meer zouden kunnen leren.

           Degenen die hem zo probeerden weg te zetten (helaas met succes) waren voorstanders van (veel) meer overheidsinvloed en -ingrijpen. Sumner beschouwde en benoemde die tendens als een kwalijke ontwikkeling. Juist zijn redevoeringen en publicaties waarin hij zich verzette tegen een staat die ‘het goede’ zou moeten doen, stempelen hem tot een liberaal in de traditionele (Europese) zin van het woord. Wat niet wil zeggen dat daar helemaal geen kanttekeningen bij zijn te zetten. Aan het einde zal ik twee belangrijke kanttekeningen plaatsen, die wellicht mede maken dat Sumner in menig canon van liberale denkers ontbreekt.

Leven en werk

Voor iemand die door linkse critici vaak werd afgedaan als een apologist van het grootkapitaal – hetgeen hij níet was – had Sumner een verrassend eenvoudige afkomst. Zijn vader was een arme immigrant uit het Engelse Lancashire, die het in de Verenigde Staten evenmin zou maken en in 1881 bijna even arm stierf als dat hij was begonnen. Zoon William Graham Sumner werd op 30 oktober 1840 geboren in Paterson in New Jersey. Dat was toen een stadje met ongeveer 7.500 inwoners, tegenwoordig behorend tot de agglomeratie New York City (gelegen aan de westkant). Zijn moeder, eveneens een arme Engelse immigrante, stierf toen hij amper 8 jaar oud was. Zijn jongere broer en hij kregen algauw een stiefmoeder die kil en schraperig was.

           Hoewel William van huis uit dus weinig positiefs mee kreeg, slaagde hij erin vanaf 1859 aan Yale University te studeren. Vanaf 1863 bracht hij, ook om niet aan de Amerikaanse Burgeroorlog te hoeven deelnemen, vier jaar door aan Europese universiteiten (Genève, Göttingen en Oxford). Tussen 1867 en 1872 was hij een tijdje redacteur van een kerkblad, en preekt verder vooral als (hulp)dominee. Hij hield er vaardigheid en aardigheid in het houden van lezingen aan over. Zijn geloof zegde hij nooit formeel op maar aan een student vertrouwde hij ooit toe dat hij het in een lade had opgeborgen.

Met ingang van september 1873 was Sumner hoogleraar politieke wetenschappen aan zijn alma mater, waar hij ook een studie in de sociologie zou opzetten. De rest van zijn leven zou hij hoogleraar blijven. Ondanks tal van publicaties legde hij de nadruk op het geven van colleges en het houden van toespraken. In het najaar van 1907 kreeg hij een eerste hersenbloeding. In 1909 ging Sumner met emeritaat. Aan het einde van datzelfde jaar kreeg hij een tweede hersenbloeding. Aan de gevolgen daarvan overleed hij op 10 april 1910.

‘The forgotten man’

Er is één concept van Sumner dat in de Verenigde Staten (niet in Europa) nog altijd op gezette tijden in het publieke discours opduikt. Wrang genoeg echter níet op de manier zoals Sumner de uitdrukking bedoelde, maar als het tegendeel. Het gaat om het begrip ‘the forgotten man’. Het is de schuld van president Franklin Delano Roosevelt (president vanaf 1933) en zijn adviseurs dat dit concept nu haaks staat op wat Sumner ermee bedoelde. Zij hebben het begrip van Sumner opgegraven en er bewust een heel andere draai aan gegeven. Zij duidden er de werklozen en anderen mee aan die voortaan ondersteuning van de overheid in het kader van Roosevelt’s New Deal kregen. ‘The forgotten man’ van en sinds Franklin Roosevelt is een hulpbehoevende persoon, aan wie de overheid geld verstrekt.

           ‘The forgotten man’ van William Graham Sumner was de noest werkende Amerikaanse burger die in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin voorzag. Deze gewone man klaagde niet, en hij klopte niet aan bij de overheid. Niemand ‘zag’ hem staan maar zodra de overheid steunprogramma’s opzette was híj wel de man die de rekening diende te betalen in de vorm van hogere belastingen. Sumner keerde zich tegen de in zijn tijd al opkomende tendens om ‘hulp’ te verstrekken aan diegenen die erin slaagden hun noden of gewoonweg hun verlangens onder de aandacht van het publiek te brengen.

In algemene termen omschreef Sumner het verschijnsel aldus: ‘As soon as A observes something which seems to him to be wrong, from which X is suffering, A talks it over with B, and A and B then propose to get a law passed to remedy the evil and help X. Their law always proposes to determine what C shall do for X or, in the better case, what A, B and C shall do for X. As for A and B, who get a law to  make themselves do for X what they are willing to do for him, we have nothing to say except that they might better have done it without any law, but what I want to do is to look up C. I want to show what manner of man he is. I call him the Forgotten Man.’

Dat iemand die fysiek invalide was steun behoefde, stond voor Sumner buiten kijf. Maar wie was er verder ‘zwak’ of ‘arm’? Sumner meende dat daar geen duidelijke definitie van te geven was. In de politieke praktijk kwam het erop neer dat ‘the weak who constantly arouse the pity of humanitarians and philantropists are the shiftless, the imprudent, the negligent, the extravagant, and the vicious.’ Of en in hoeverre deze mensen daadwerkelijk steun behoefden, was niet waar het Sumner om ging. Zijn punt was dat er nooit rekening werd gehouden met ‘de vergeten man’. ‘Now, who is the Forgotten Man? He is the simple, honest laborer, ready to earn his living by productive work. We pass him by because he is independent, self-supporting, and asks no favors. He does not appeal to the emotions, or excite the sentiments. […] We do not remember him because he makes no clamor.’ In zijn toespraak – want hij lanceerde het begrip in een tweetal redvoeringen die hij begin 1883 hield – gaf Sumner tal van voorbeelden en nog enkele algemene omschrijvingen, waarvan er een luidde: ‘He works, he votes, generally he prays – but he always pays – yes, above all, he pays. He does not want an office. […] he is flattered before election. He is strongly patriotic. […] He is a commonplace man. He gives no trouble. He is not in any way a hero (like a popular orator); or a problem (like tramps and outcasts); nor notorious (like criminals); nor an object of sentiment (like the poor and the weak). […] All the burdens fall on him, or her, for it is time to remember that the Forgotten Man is not seldom a woman.’

Sentimentaliteit en socialisme

William Sumner was in veel opzichten sterk beïnvloed door Herbert Spencer, zijn oudere tijdgenoot uit Engeland. In het bijzonder gold dit voor de opvatting dat de mens productief was door zich te verhouden tot de natuur, oftewel door wat de natuur bood te bewerken en te verwerken. Aan dat gegeven, die natuurwet, viel niets te veranderen: de mens moest nu eenmaal werken om te kunnen leven en om het leven beter en aangenamer te maken. Het enige alternatief was het te halen bij andere mensen, maar dan ging dit ten koste van die anderen. De mens kon dus óf productief zijn óf hij kon roven. Het eerste betekende een nijver leven leiden, het tweede dat de samenleving zich op militaire avonturen richtte.

           Al diegenen die, vaak met de beste bedoelingen, met plannen kwamen om de samenleving beter te maken, gingen aan dit grondgegeven voorbij. Maar te denken dat dat de vruchten van arbeid zonder moeite te hoeven doen in onze schoot zullen vallen, of zonder anderen voor ons te laten werken, staat gelijk aan het geloof dat 2 plus 2 gelijk kan worden gesteld aan 5. In de negentiende eeuw is de gedachte opgerukt dat mensen ‘recht’ hebben op allerlei zaken, zonder enige relatie met de moeite die ze daarvoor zelf moeten doen. Een ‘sentimentele filosofie’ is opgestaan volgens welke niets waar is wat onaangenaam is. Onder invloed daarvan gaan mensen denken dat zij zich aan allerlei ‘hard things’ in het leven kunnen onttrekken, zoals ‘labor and trouble, reflection and forethought, pains and caution’. Het socialisme is volgens Sumner de meest extreme uitwas van deze filosofie. De socialist denkt dat de ellende de schuld van de samenleving is, ja dat die samenleving bewust zo is georganiseerd dat een deel van de bevolking in miserabele omstandigheden leeft. De socialist gelooft dat we de samenleving helemaal zo kunnen inrichten als we willen, zonder de realiteit van de natuurwetten in acht te nemen.

Vrijheid en vrijhandel

Sumner stelde dus dat er natuurwetten zijn waar wij ons niet aan kunnen onttrekken. De idee van natuurrecht wees hij echter af. Vrijheid, belangrijk als het is, was er bijvoorbeeld niet van nature. Nee, het diende moeizaam veroverd te worden. Daarin waren de beschaafde naties de afgelopen eeuwen stukje bij beetje geslaagd. Deze verworvenheid dreigde nu met de onder invloed van het ‘sentimentalisme’ (waaronder het socialisme) groeiende staatsinvloed weer teloor te gaan.

           Vrijheid houdt voor Sumner niet in dat de mens kan doen en laten wat hij wil. Zo’n ‘anarchistische’ vrijheid is ondenkbaar. Burgerlijke vrijheid wordt – als het goed is – mogelijk gemaakt door de wetten en instituties. Die moeten de persoonlijke vrijheid van individuen mogelijk maken; en ervoor zorgen dat rechten en plichten met elkaar in evenwicht zijn. Persoonlijke vrijheid bestaat, aldus Sumner, in ‘the chance to fight the struggle for existence for one’s self., to the best of one’s will and ability, within the bounds of one’s personal circumstances, for which other men are not responsible, without any risk of being compelled to fight the struggle for anybody else, and without any claim to the assistance of anybody else in one’s own.’

           In verband met zijn afwijzing van staatsinmenging werd Sumner er door zijn tegenstanders van beschuldigd de macht van het grootkapitaal te verdedigen. Sumner hield echter volstrekt niet van ostentatief ten toon gespreide rijkdom, maar wat hij bovenal afwees was dat rijken – personen en bedrijven – invloed in de democratie kochten. Dat zag hij als het grote gevaar van een democratie; dat zij ontaardde in een plutocratie. Een staat diende geen gunsten te verstrekken, niet aan mensen die zich als ‘behoeftig’ aandienden, maar evenmin aan (grote) ondernemingen die om subsidies vroegen of om invoerrechten zodat zij geen last hadden van buitenlandse concurrenten. Sumner streed fel tegen protectionisme, wat hij veroordeelde als een corrupt systeem ten nadele van de gewone man (en vrouw).

Imperialisme en oorlog

In 1898 trokken de Verenigde Staten ten strijde tegen Spanje, in een oorlog waarbij het land Cuba en de Filippijnen onder zijn hoede kreeg. De regering verdedigde dit laatste door te stellen dat zij deze landen ‘tijdelijk’ zou besturen totdat de inwoners aan zelfbestuur toe zouden zijn. Sumner veroordeelde zowel de oorlog als het feit dat de Verenigde Staten na hun overwinning het bestuur van beide landen van Spanje overnamen. Hij noemde dit ‘the conquest of the United States by Spain’. Hè, de VS hadden Spanje toch verslagen, niet andersom? Militair gezien wel, betoogde Sumner, maar de VS hadden zich altijd tegen kolonialisme verzet en nu volgden zij de eerste koloniale mogendheid, Spanje, juist in deze verderfelijke heerswijze. Er kon hierna op twee manieren met Cuba en de Filippijnen worden omgegaan. Of de Verenigde Staten maakten er de dienst uit, wat strijdig was met het altijd beleden beginsel van zelfbestuur. Of aan de inwoners van beide landen werd gelijke invloed op de regering van de Verenigde Staten gegeven, wat slecht zou zijn omdat die inwoners de democratische beginselen van de VS niet begrepen en deze dus alleen maar konden aantasten.

           Sumner wees oorlog af maar zag het tegelijkertijd als een onvermijdelijk en onuitroeibaar verschijnsel. Een regering mocht niet tot oorlog overgaan maar diende er wel klaar voor te zijn wanneer het ervan kwam. Er zouden zich nu eenmaal altijd belangenconflicten voordoen tussen verschillende landen. Was dit dan niet op te lossen door landen te laten samengaan [zoals Europese landen nu proberen in de EU; PvS]? Dat is een illusie, oordeelde Sumner. ‘It is a fallacy to suppose that by widening the peace-group more and more it can at last embrace all mankind. What happens is that, as it grows bigger, differences, discords, antagonisms, and war begin inside of it on account of the divergence of interests.’ Kwade passies maken nu eenmaal deel uit van de menselijke natuur, en die zullen altijd een uitweg zoeken.

Het liberalisme van Sumner

Veel van Sumner’s denkbeelden zijn typisch klassiek-liberaal te noemen. Daar passen, zoals ik aan het begin aangaf, twee kanttekeningen bij. Ten eerste was Sumner geen individualist. Zeker in het begin, in zijn tijd als predikant, wees hij individualisme zelfs aan als de bron van allerlei maatschappelijke kwalen. Geleidelijk aan werd dit wel minder bij hem, maar hij bleef het gezin zien als de kern van de samenleving. Bij zijn ideaal zélf te voorzien in je inkomen, dacht hij dan ook aan een man die dit inkomen verdiende voor zichzelf, en voor zijn vrouw en kinderen. Dit was uiteraard conform de mores van zijn tijd.

           Ten tweede was Sumner meer een scherp analist die aangaf wat er goed en wat er mis ging in de samenleving dan iemand die bij het navolgen van bepaalde beginselen een betere samenleving voor zich zag. Ja, de mens had (in sommige landen) vooruitgang geboekt naarmate hij zich persoonlijke vrijheid had verworven, iets dat dreigde verloren te gaan, maar Sumner was te sceptisch om niet te zeggen te cynisch om een ideale liberale samenleving voor zich te kunnen zien. Dat maakt hem niet minder liberaal; het maakt hem tot een realistisch liberaal. Hij zou zelf hebben gezegd dat dit de vrijheid meer diende dan tal van concepten die er in de praktijk meestal toe dienden om burgers in hun persoonlijke vrijheid te beknotten.

Gijsbert van Tienhoven
Liberalen
07
Jul
2021
Jul 2, 2021
Patrick van Schie
Bezadigd bestuurder, wiens kabinet tot eigen verrassing schipbreuk leed


Een verrassende liberaal premier in 1891

In 1891 wonnen de liberalen, nadat voor het eerst in Nederland een confessioneel kabinet drie jaar lang het land had bestuurd, de verkiezingen met een eigen absolute meerderheid. Die hadden zij eerder in de jaren tachtig ook al bezeten, maar hun onderlinge verdeeldheid had de totstandkoming van een liberaal kabinet destijds in de weg gestaan. Die verdeeldheid was er nog steeds, maar in de zomer van 1891 bleek zij voor de vorming van een kabinet wel te kunnen worden overwonnen. Zo kon voor het eerst sinds 1877-1879 weer een volledig liberaal kabinet aantreden. Maar wie had de leiding? De functie minister-president bestond nog niet. Formaties waren indertijd allesbehalve openbaar. Zij verliepen (dus) wel heel wat vlotter dan tegenwoordig; en zo ook in 1891.

De grootste liberale kranten dachten aanvankelijk dat Tak van Poortvliet, een voorman van de liberale linkervleugel, leiding aan het kabinet zou geven. Maar wat bleek: als eerste was beëdigd Gijsbert van Tienhoven. Dit duidde erop dat hij de formateur was geweest en daarmee de nieuwe voorzitter was van de ministerraad. Van Tienhoven had tot dan toe in de politiek geen hoofdrol gespeeld. Maar hij genoot de voorkeur van koningin-regentes Emma, die naar verluid bovendien een hekel had aan Tak van Poortvliet. Indertijd kon de vorst(in) nog echt een eigen stem stempel op de formatie drukken. Het zou immers constitutioneel ‘haar’ kabinet worden.

Van Tienhoven was wel bekend als burgemeester van Amsterdam, een ambt dat hij reeds 11½ jaar bekleedde. En al ongeveer even lang was hij lid van de Eerste Kamer, maar daar had hij zich laten kennen als iemand die weinig het woord nam. Politiek Den Haag was al met al verrast dat Van Tienhoven de nieuwe ‘premier’ was. Volgens de liberaal van de uiterste linkerzijde Pieter Tak (niet te verwarren met Tak van Poortvliet) waren veel politici zelfs ‘boos’. Een op de rechtervleugel van het liberalisme te situeren Tweede Kamerlid, Willem Hendrik de Beaufort, merkte op: ‘Het ministerie Tienhoven-Tak [van Poortvliet!; PvS] werd al dadelijk een schip met twee masten genoemd.’


Van Tienhovens eerste vijftig jaar

Gijsbert van Tienhoven (Gijs voor intimi) werd op 12 februari 1841 geboren in De Werken en Sleeuwijk, gelegen in het Noord-Brabantse Land van Altena (een protestants gebied). Hij was de 8e van 13 kinderen uit een rijk aannemersgezin. Zijn vader was een stille, noest werkende zakenman; zijn moeder wijdde zich aan de opvoeding van de kinderen. Gijsbert ging in 1860 in Utrecht studeren, waar hij zes jaar later in de rechten promoveerde op een proefschrift getiteld ‘Beschouwingen over rechtspersoonlijkheid’. Het was geen bijster diepgravende studie; de geringe omvang (ongeveer honderd bladzijden) was voor die tijd overigens niet ongebruikelijk.

Na kortstondig te hebben gewerkt als advocaat en als ambtenaar op het departement van Justitie, trad Van Tienhoven op 1 april 1869 aan als hoogleraar op het Athenaeum Illustre te Amsterdam, de voorloper van de UvA. Hoewel hij ‘de veelal dorre leerstof, smakelijk’ wist te maken voor zijn studenten, beviel het hem niet. Zijn leeropdracht was hem te breed, de faculteit te klein; pas in 1876 zou dit Athenaeum een volwaardige universiteit worden. Van Tienhoven was twee jaar daarvoor al vertrokken.

Hij was de Amsterdamse gemeentepolitiek in gegaan, en werd korte tijd later wethouder van Financiën. In die functie verschoof hij een deel van de gemeentelijke lastendruk van de middenstand naar de meer vermogenden. Tevens maakte hij een aanvang met de vervanging van bedompte kelderwoningen door aantrekkelijker arbeiderswoningen. Zijn tegenstanders wierpen hem ‘staatsgevaarlijke’ opvattingen voor de voeten; er werd zelfs spottend gevraagd of hij soms vond dat de staat voortaan ook in voeding diende te voorzien. Maar Van Tienhoven won het pleit met 16 tegen 14 stemmen.

In maart 1878 werd Van Tienhoven in de Tweede Kamer gekozen. In de krap twee jaar dat hij er lid van was, sprak hij precies twaalf keer plenair. Meestal ging het over de bevoegdheden van en de belastingheffing door gemeenten en provincies. Daarnaast sprak hij bij de behandeling van het wetsvoorstel voor de belasting op ‘ongebouwd eigendom (grond) en over de kanalenwet van minister Tak van Poortvliet. Van Tienhoven verdedigde dit laatste wetsontwerp (dat in de aanleg van een Amsterdam-Rijnkanaal voorzag), maar de wet werd verworpen hetgeen de val van het liberale kabinet-Kappeyne van de Coppello inluidde.

Begin 1880 aanvaardde Van Tienhoven de benoeming tot burgemeester van Amsterdam. Terug in de hoofdstad zette hij onder andere de bouw van betere woningen voor arbeiders door. Maar ten tijde van zijn burgemeesterschap vond ook de beruchte ‘palingoproer’ (1886) plaats. Bijzondere belangstelling toonde Van Tienhoven voor de bevordering van de kunsten. Onder meer werd het (huidige) Rijksmuseum in zijn ambtsperiode geopend. Kort na zijn benoeming tot burgemeester werd Van Tienhoven eveneens lid van de Eerste Kamer. Zoals aan het begin al beschreven vroeg hij daar niet vaak het woord. Wanneer hij sprak, dan was het met een ‘zachte kalmte in de stem’. De parlementair verslaggever die dit opmerkte noemde hem verder een ‘man zonder domineerende passies’ en met een ‘aangename hoffelijkheid van betoogtrant’. Maar deze journalist vond hem tevens een middelmatig spreker. Van Tienhoven gold reeds in 1890 als ‘een bezadigd’ en zelfs ‘een deftig Staatsman’. En daarbij als ‘iemand met een te diplomatieke natuur’.


Het kabinet-Van Tienhoven en zijn bijzondere stranding

De typering ‘een schip met twee masten’ voor het kabinet-Van Tienhoven was niet zo vreemd. Er zaten meer vooraanstaande liberalen in de nieuwe ploeg – bijvoorbeeld de latere premier Pierson, die optrad als minister van Financiën – maar de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken Tak van Poortvliet had een streepje voor. Hij stelde als voorwaarde voor zijn toetreding tot het kabinet dat een verregaande uitbreiding van het kiesrecht voorrang zou genieten boven sociale hervormingen; zoals een (door Van Tienhoven zeer gewenste) ouderdomsvoorziening [dat is pensioen] en de door tal van liberalen verlangde invoering van de leerplicht. Tak van Poortvliets opstelling werd als ‘progressief’ verkocht, al kun je je afvragen wat er progressief was aan het op de lange baan schuiven van de leerplicht en sociale wetgeving. Veel door links-liberalen voor ‘behoudend’ versleten liberalen achtten die kwesties zeker zo urgent.

Daarbij kwam dat Tak van Poortvliet een briefje aan de formateur schreef dat geheim bleef. De beoogde minister van Binnenlandse Zaken eiste in dit ‘Amice-briefje’ dat mocht zijn kieswetsvoorstel door de Kamer worden verworpen of het zou ‘zijdelingsche tegenwerking’ ondervinden, de Tweede Kamer werd ontbonden. Van Tienhoven ging akkoord maar meldde alleen de eerste voorwaarde aan de koningin-regentes Emma (bij wie het ontbindingsrecht niet alleen formeel maar toen nog feitelijk lag). Wat onder ‘zijdelingsche tegenwerking’ moest worden verstaan bleef onbesproken. Formateur Van Tienhoven selecteerde vervolgens de andere ministers in nauwe samenspraak met Tak van Poortvliet, die de Haagse politiek beter kende. Maar op deze manier werd Tak van Poortvliet een soort ‘superminister’ (zouden we tegenwoordig zeggen).

Gelukkig voor het kabinet konden de belangrijke belastingwetten van Pierson worden goedgekeurd voordat Tak van Poortvliet zijn ontwerp-kieswet klaar had. Van Tienhoven werd zelf minister van Buitenlandse Zaken, een terrein waarop in die jaren weinig belangwekkends gebeurde. Zijn voornaamste wapenfeit was de totstandkoming van een conferentie over internationaal privaatrecht. Zelf zag hij hierin meteen ook een bijdrage aan de wereldvrede. G.A. van Hamel, de auteur van een eerste uitvoerige levensschets, merkte op dat de vraag over oorlog of vrede wel door heel andere factoren werd bepaald. Hij had gelijk, maar Van Hamel had wel het ‘voordeel’ te kunnen oordelen met de kennis van 1916….

Vanaf het aantreden van het kabinet was duidelijk dat de uitbreiding van het kiesrecht gevoelig lag; de liberalen waren er zelf over verdeeld. Tak van Poortvliet ging met zijn voorstel menigeen te ver. Toch deden de meeste liberalen in de Tweede Kamer hun best het ontwerp zo bij te stellen dat het politiek breed aanvaardbaar kon worden. Een van de amendementen kwam van het liberale Kamerlid De Meyier, die met zijn amendement een meerderheid voor het wetsontwerp wilde bewerkstelligen. Tak van Poortvliet gaf in de Tweede Kamer niet te kennen dat het amendement voor hem onaanvaardbaar was. Maar hij maakte dit vlak voor de stemming wel duidelijk tijdens een bijeenkomst van het kabinet.

Het al genoemde rechts-liberale Tweede Kamerlid De Beaufort analyseerde jaren nadien: ‘Tak [van Poortvliet] besloot den ministerraad voor de stemming bijeen te roepen. En gaf daar tot groote verbazing van Tienhoven en waarschijnlijk ook van andere collega’s te kennen dat hij na de aanneming van het amendement de wet zou intrekken. Tienhoven had toen moeten zeggen: doe wat ge wilt, maar zeg uw voornemen eerst aan de Kamer en zoo gij dit niet wilt doen dan zal ik het als premier doen. Maar Tienhoven had blijkbaar het hoofd verloren. De intrekking volgde en veroorzaakte algemeen verbazing.’

Van Tienhoven was zo verbolgen over de onverhoedse daad van Tak van Poortvliet dat hij als enige minister direct aftrad, ruim 2½ jaar na zijn aantreden. De rest van zijn eigen kabinet bleef aan tot de speciaal uitgeschreven voortijdige verkiezingen. Die stonden geheel in het teken van voor of tegen Tak van Poortvliet. De ‘Takkianen’ verloren deze strijd. Maar naast Tak van Poortvliet raakten meer hoofdrolspelers gedesillusioneerd. De Meyier, de voorsteller van het fatale amendement die dit zeker had ingetrokken indien Tak van Poortvliet zijn ‘onaanvaardbaar’ openlijk had uitgesproken, was ‘geknakt’ en nog jaren nadien in de war.

Voor Van Tienhoven zelf was de gang van zaken eveneens een zware slag. Koningin-regentes Emma, met wie hij al over enkele benoemingen aan het hof had gebotst, vergaf hem het verzwijgen van het ‘Amice-briefje’ (tijdens de formatie) niet. Van Tienhoven had zijn bekomst van het politieke bedrijf. Eerst trok hij zich terug in de Eerste Kamer, waar hij diezelfde zomer nog betoogde dat hij de regentes wel degelijk naar behoren had ingelicht. Drie jaar later werd hij benoemd tot Commissaris van de Koningin in Noord-Holland (een ambt dat hij nog 14½ jaar zou vervullen). In oktober 1914 stierf hij op 73-jarige leeftijd aan een hartstilstand. Zijn kabinet had een van de roerigste episodes uit onze parlementaire geschiedenis opgeleverd. Zelf bleek Van Tienhoven echter te bezadigd voor het politieke toneel. Hij was een bekwaam bestuurder, maar wist zich in het heetst van de strijd eigenlijk niet goed raad.

1. G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872-1901 (Den Haag, 1980) p. 211.

2. P.L. Tak, ‘Nederlandsche politiek. Indrukken van den dag’, De Nieuwe Gids, 1892, pp. 144-155.

3. Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort 1874-1918 (Den Haag, 1993) II, p. 1011.

4. Overlijdensbericht in Het nieuws van den dag, 10 oktober 1914.

5. G.A. van Hamel, ‘Levensbericht van mr. G. van Tienhoven’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1916, pp. 312-372, p. 338.

6. Frans Netscher, Uit ons parlement. Portretten en schetsen uit de Eerste en Tweede Kamer (1890) pp. 179-183.

7. Van Hamel, ‘Levensbericht’.

8. Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort, p. 1012.

9. Ibidem.

10. Redevoering van Van Tienhoven op 25 juli 1894 in: Handelingen Eerste Kamer 1894, pp. 32-33.

Karl Popper
Liberalen
06
Jun
2021
Jun 14, 2021
Wilbert Jan Derksen
De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper (1902-1994) geldt als een van de grootste denkers uit de 20e eeuw. Hij leverde een voorname bijdrage aan de wetenschapsfilosofie en formuleerde daarnaast een aantal belangrijke politiek-filosofische inzichten.

De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper (1902-1994) geldt als een van de grootste denkers uit de 20e eeuw. Hij leverde een voorname bijdrage aan de wetenschapsfilosofie en formuleerde daarnaast een aantal belangrijke politiek-filosofische inzichten. Popper groeide op in een intellectueel nest in het Oostenrijkse Wenen. Ondanks deze opvoeding gaf hij ook blijk van het willen werken met zijn handen. Zo werkte hij korte tijd als stratenmaker en deed hij een opleiding tot meubelmaker. Uiteindelijk is hij toch volop de boeken in gedoken, met een grootse academische loopbaan tot gevolg.

 

Op het gebied van de wetenschapsfilosofie wordt vooral zijn concept van het ‘kritisch rationalisme’ geroemd. Hierin staat het idee van ‘falsificatie’ centraal. Popper stelde dat een theorie alleen wetenschappelijk genoemd kan worden, indien deze falsificeerbaar is. Men behoort daarbij niet op zoek te gaan naar bewijs dat een bepaalde theorie bevestigt, maar juist te proberen de theorie onderuit te halen. Het is namelijk niet de aanwezigheid van positieve waarnemingen, maar het ontbreken van tegenbewijs dat de correctheid van een theorie bevestigt. Bijeen stelling als ‘alle Nederlanders zijn bovengemiddeld intelligent’ moet men dan ook niet op zoek gaan naar slimme Nederlanders ter bevestiging van de theorie, maar juist proberen de domme Nederlander te vinden om de theorie zo te falsificeren. Kritisch rationalisme betekent dan ook dat men er altijd van uitgaat het bij het verkeerde eind te kunnen hebben en dat er niet zoiets kan bestaan als een onaantastbare waarheid.

 

Hoewel Popper in zijn leven een belangrijke bijdrage zou leveren aan het liberale gedachtegoed, voelde hij zich op jonge leeftijd voor korte tijd juist aangetrokken tot het marxisme. Zo werd hij lid van de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij van Oostenrijk. Nadat in 1919 een aantal marxistische vrienden van hem omkwamen tijdens een door communisten veroorzaakte rel, raakte hij echter gedesillusioneerd met het gedachtegoed. Hij verafschuwde het gesloten en gewelddadige karakter van de marxistische doctrine. Deze afkeer van totalitaire ideologieën werd gesterkt toen hij vanwege de opkomst van het nazisme zich genoodzaakt zag zijn thuisland te verlaten.

 

Tijdens de oorlogsjaren schreef hij zijn werk The open society and its enemies (1945).Het boek is vooral een directe aanval op de ideeën van de filosofen Plato, Georg Hegel en Karl Marx, die volgens Popper alle drie een gevaarlijke totalitair gedachtegoed voorstonden. Popper verzette zich tegen het totalitarisme en pleitte juist voor een ‘open samenleving’. Hierin moet altijd ruimte geboden worden voor een kritisch-rationele discussie, want de ingeslagen politieke koers zou weleens een verkeerde kunnen zijn. Zodoende moeten hervormingen altijd geleidelijk en voorzichtig plaatsvinden. Op die manier blijft het maatschappelijk effect overzienbaar en kan er bijgestuurd worden indien wenselijk. De liberale democratie sluit als politiek systeem hier het best op aan, omdat burgers via een kritische gedachtewisseling beleid altijd kunnen corrigeren. Via trial and error kunnen in een democratie problemen zo zonder geweld opgelost worden.

 

Popper waarschuwde daarbij in zijn werk The poverty of historicism (1956) voor het ‘historicisme’; het idee dat er in de geschiedenis zekere wetten, patronen en tendensen te ontdekken zijn. Totalitaire ideologieën als het marxisme en fascisme gingen ervan uit dat de geschiedenis op deze manier naar een eindpunt toewerkte. Zo meenden marxisten dat in de kapitalistische maatschappij de klassenstrijd ervoor zou zorgen dat deze zich uiteindelijk tot een socialistische samenleving zou transformeren. Dergelijke theorieën zijn niet wetenschappelijk volgens Popper, omdat ze niet gefalsificeerd kunnen worden. De geschiedenis speelt zich namelijk slechts eenmaal af, dus wanneer men een theorie vormt om bepaalde gebeurtenissen te verklaren kan men niet terug in de tijd gaan om deze theorie te testen. Het achterhalen van wetten zoals in de natuurkunde is om die reden onmogelijk. Deze theorieën creëren bovendien een vals bewustzijn, waarbij tegenstanders van deze gesloten denksystemen als vijanden worden gezien. De blauwdrukken voor een ideale samenleving gelden zo als legitimatie voor tirannen om op bloedige wijze de macht te grijpen en te proberende geschiedenis richting het vermeende eindpunt te sturen. Volgens Popper wordt de geschiedenis juist bepaald door individuen die hun eigen beslissingen nemen, en daarbij niet een speelbal van hogere krachten zijn.  

 

Popper meende bovendien dat het willen realiseren van een utopie gevaarlijk was, omdat het geluksideaal van de een wordt opgelegd aan de ander. Hij verzette zich dan ook tegen de stelling van utilitaristen dat er naar een zo groot mogelijke mate van geluk voor zo veel mogelijk mensen moet worden gestreefd. Dit zou volgens hem juist tot dogmatische denksystemen leiden, die meer kwaad dan goed doen. Wederom draait Popper de boel juist om; het streven van een samenleving moet zijn om zo weinig mogelijk vermijdbaar leed te kennen. Hij kan dan ook wel gezien worden als een ‘negatief-utilitarist’.  

 

Nadat hij Oostenrijk verlaten had woonde Popper in Nieuw-Zeeland en later in Engeland. Hier werd hij in 1965 geridderd, waarmee hij de titel ‘Sir’ verkreeg. Toen zijn vrouw ziek werd keerde hij in 1985 tijdelijk terug naar zijn geboorteland Oostenrijk. Hoewel hij in 1969 met pensioen was gegaan, bleef Popper tot aan zijn dood actief in de academische wereld. In 1994 stierf hij in Engeland op de respectabele leeftijd van 92 jaar.

Theodoor Herman de Meester
Liberalen
04
Apr
2021
Apr 30, 2021
Patrick van Schie
De naam De Meester als een van de Nederlandse minister-presidenten uit de twintigste eeuw, zal op een enkele specialist in de parlementaire geschiedenis na bijna niemand iets zeggen. Van alle minister-presidenten uit de vorige eeuw is hij samen met KVP’er Marijnen uit de jaren zestig ook de enige aan wie nog geen biografie is gewijd. Niet alleen nu is hij grotendeels in de vergetelheid geraakt, ook toen hij in 1905 aantrad was hij op het Binnenhof een onbekende.

De naam De Meester als een van de Nederlandse minister-presidenten uit de twintigste eeuw, zal op een enkele specialist in de parlementaire geschiedenis na bijna niemand iets zeggen. Van alle minister-presidenten uit de vorige eeuw is hij samen met KVP’er Marijnen uit de jaren zestig ook de enige aan wie nog geen biografie is gewijd. Niet alleen nu is hij grotendeels in de vergetelheid geraakt, ook toen hij in 1905 aantrad was hij op het Binnenhof een onbekende.

 

De kop van de sneeuwpop

Theodoor Herman de Meester werd op 16 december 1851 geboren als burgemeesterszoon. Na het doorlopen van het gymnasium en een studie in de rechten, werkte hij als ambtenaar, eerst voor de provincie Overijssel, daarna voor de stad Groningen. In 1892 volgde een benoeming tot thesaurier-generaal op het departement van Financiën. Zes jaar later werd hij verrassend genoeg benoemd tot vice-president van de Raad voor Nederlandsch-Indië; verrassend omdat hij wel een erkend financieel specialist was maar geen koloniaal deskundige. Met de politiek liet hij zich al die tijd niet in.

           In de landelijke politiek verloor het confessionele kabinet-Kuyper intussen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1905 de ruime meerderheid waarop het had gestoeld. Er was echter geen duidelijke winnaar: de gezamenlijke ‘vrijzinnige’ partijen – Liberale Unie (LU), de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) plus de vrij-liberalen (die al wel samen optrokken maar pas een jaar later een partij zouden oprichten) – kwamen op 45 van de 100 zetels in de Tweede Kamer. Telde men daar de 7 socialisten bij op dan was dat een krappe niet-confessionele meerderheid, maar de socialisten wilden destijds nog geen verantwoordelijkheid dragen voor een ‘burgerlijk’ kabinet (andersom waren de vrijzinnigen evenmin happig op afhankelijk te worden van de socialisten).

           Goeman Borgesius werd als leider van de grootste vrijzinnige partij – de Liberale Unie – met een formatie-opdracht belast. Zijn LU en de VDB vormden de basis voor het nieuwe kabinet; beide partijen waren meteen stembusakkoord en een gemeenschappelijk program de verkiezingen in gegaan. De vrij-liberalen maakten daar geen deel van uit, maar de meeste van hun 10 Kamerleden waren bereid een door Borgesius te vormen kabinet welwillend tegemoet te treden. Zo’n kabinet zou dan een meerderheid in de Tweede Kamer moeten krijgen óf door steun te krijgen van de CHU (zeg maar de hervormde voorloper van het CDA), die van de confessionelen het meest gouvernementeel was ingesteld, of toch van de socialisten die net als de vrijzinnigen een hekel hadden aan Kuyper en hem niet als minister-president wilden terugzien.

           Het program van het nieuwe kabinet lag er dus als eerste. Borgesius probeerde een bredere basis aan het nieuwe kabinet te geven door eerst de partijloze liberaal van groot gezag Cort van der Linden te benaderen voor het premierschap (Cort van der Linden was lid van de Raad van State en weigerde; hij zou 8 jaar later alsnog premier worden), waarna hij het probeerde bij achtereenvolgens drie vooraanstaande vrij-liberalen.[1] De formateur hoopte zo de vrij-liberalen meer aan het kabinet te kunnen binden. Maar telkens ving hij bot. Uiteindelijk besloot hij het maar te wagen met een kabinet van uitsluitend unie-liberalen en vrijzinnig-democraten. De partijgenoot die hij als premier had aangezocht, trok zich echter op het laatste moment wegens een zwakke gezondheid terug.

           Vlak daarvoor had Borgesius de toevallig in Nederland op verlof zijnde De Meester als minister van Financiën gestrikt. Als gezegd was De Meester financieel expert maar politiek een onbeschreven blad. De ministers van het nieuwe kabinet in oprichting besloten De Meester te vragen het voorzitterschap van de ministersploeg op zich te nemen. De Meester was daarmee als premier in feite zesde keus. Oud-premier Pierson (1897-1901), ook een liberaal, noteerde in zijn dagboek: ‘Het had iets weg van het maken van een sneeuwpop. De kop het laatst! Of neen, wat aanvankelijk als been was bestemd, werd nu de kop.’[2]

 

Het kabinet gesneuveld

Als minister van Financiën – indertijd stond een premier ook aan het hoofd van een eigen vakdepartement - wenste De Meester een grote belastinghervorming door te voeren. Twee andere onderwerpen zouden echter alle aandacht van zijn kabinet opeisen. Ten eerste de plannen voor een nieuwe uitbreiding van het kiesrecht, waarmee LU en VDB de verkiezingen waren ingegaan. Dit was een hete aardappel, omdat de vrijzinnig-democraten en de socialisten niets minder dan algemeen (mannen)kiesrecht verlangden, terwijl de vrij-liberalen dat toen nog te ver vonden gaan. Om het gecompliceerder te maken: de LU was intern verdeeld. Ten tweede wilde het kabinet de krijgsmacht hervormen in de richting van een volksleger; een leger waarin elke niet ongeschikt bevonden volwassen man een korte eerste oefening diende te ondergaan. Veel Kamerleden uit de partijen waarop het kabinet steunde dachten dit echter te kunnen combineren met bezuinigingen op de militaire uitgaven. De socialisten weigerden bovendien sowieso voor de begroting van de militaire departementen (Oorlog en Marine) te stemmen.

           Al met al was het kabinet van wal gestoken met de bijna onmogelijke opdracht tussen Scylla en Charybdis door te varen. Het probleem van het kiesrecht was eerst bij een staatscommissie geparkeerd (ook toen al een vaak bewandelde weg). Maar het kabinet nam twee jaar later de belangrijkste aanbeveling van deze commissie niet over, waarmee het wrevel wekte in de Kamer, met name bij de vrij-liberalen. Voordat echter duidelijk werd of het kabinet deze kiesrechtklip toch zou weten te vermijden, strandde het op de begroting van het departement van Oorlog. Niet de vrij-liberalen of de christelijk-historischen vormden het probleem, maar een misrekening van enkele vrijzinnig-democraten in de Kamer die meenden principieel tegen de begroting te kunnen stemmen zonder zich er eerst van te hebben vergewist of het kabinet op voldoende steun vanuit andere Kamerclubs kon rekenen.

           Het vrijzinnig-democratische Kamerlid Marchant oordeelde over het kabinet-De Meester: ‘zwak zaakje… ministers hielden zich zelfstandig alsof er geen president was. Een rommeltje… De Meester had geen politieke ervaring en gaf geen leiding.’[3] Maar deze latere VDB-leider had natuurlijk een eigen straatje schoon te vegen. Opvallend was juist dat De Meester steeds bij de belangrijkste debatten in het parlement zijn vakministers had bijgestaan. ‘De voorzitter van de ministerraad was er altijd’ wanneer het in een van beide Kamers erom spande, schreef Elout, een meer onafhankelijk oordelende journalist van het Algemeen Handelsblad. Hij noemde De Meester ‘ernstig, zorgzaam, degelijk; dringend en warm, maar zacht en vaderlijk-vermanend; met iets huiselijks en gezelligs en patriarchaals in heel zijn doen en zeggen; bedachtzaam in zijn bewegingen, in zijn gebaren, in zijn uitingen’. Maar tevens ‘emotioneel en heftig’ wanneer zijn kabinet op onredelijke wijze onder vuur werd genomen.[4] Dat mocht uiteindelijk niet baten, maar zoals de vrij-liberaal gezinde journalist Plemp van Duiveland analyseerde opereerde het kabinet onder een geboortefout: het ontberen van een meerderheid in het parlement en onder de kiezers. Daardoor kon het kabinet weinig uitrichten, hoe voortreffelijk de ministers ook waren.[5]

           Van de drie belangrijke voorgenomen hervormingen – belastingen, kiesrecht, leger – had het kabinet er zodoende geen enkele tot een goed einde weten te brengen. De enige belangrijke nieuwe wet was die op het arbeidscontract. Niet onbelangrijk overigens, alleen al omdat onder deze wetvrouwen voor het eerst de kans kregen zelfstandig (dat wil zeggen: zonder goedkeuring van hun echtgenoot of vader) een arbeidscontract aan te gaan.

 

Leider van de Liberale Unie

De Meester zou niet even geruisloos uit de politiek verdwijnen als waarop hij ten tonele was verschenen. In die tijd was het niet ongebruikelijk dat een premier na zijn ambtsperiode (weer) Kamerlid werd. Soms was iemand zelfs éérst premier, om pas daarna aan een parlementaire loopbaan te beginnen. Pierson vormde een voorbeeld, De Meester werd het ook. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1909 werd hij als unie-liberaal gekozen. Vier jaar lang was hij een gewoon Kamerlid – in oppositie tegen een confessioneel kabinet. Nadat LU-leider Goeman Borgesius in 1913 tot voorzitter van de Tweede Kamer werd gekozen, nam De Meester de leiding van de unie-liberalen in de Kamer over. Gedurende twee jaar combineerde hij het Kamerlidmaatschap met het hoofdredacteurschap van Het Vaderland, een unie-liberaal gezind dagblad (dat vele decennia later opging in de NRC).

           Het was zeker geen onbelangrijke en gemakkelijke periode waarin De Meester leiding gaf aan de unie-liberale Kamerclub. Na een jaar brak om ons land heen de Eerste Wereldoorlog uit, met alle problemen van dien (zoals een langdurige mobilisatie, rantsoenering, snel stijgende overheidsuitgaven). In het najaar van 1916 vonden voorts in de Tweede Kamer de belangrijke debatten plaats over de grondwetsherziening van 1917, waarbij het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd en de hindernis in de Grondwet tot invoering van vrouwenkiesrecht werd verwijderd, in ruil voor de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs aan het openbare. Vooral dit laatste lag in de LU gevoelig. Hoewel De Meester zelf geneigd was aan de wens van de confessionelen tot financiële gelijkstelling tegemoet te komen, al was het maar om het algemeen kiesrecht naderbij te brengen, moest hij rekening houden met partijgenoten die vreesden dat het openbaar onderwijs na die gelijkstelling zou worden weggedrukt.

           Al geruime tijd sukkelde De Meester ondertussen met zijn gezondheid. Daarom greep hij in 1917 de kans zich terug te trekken in de betrekkelijke rust van de Raad van State. Lang zou zijn lidmaatschap van dit adviesorgaan niet duren. Eind 1919 stierf hij, nog maar net 68 jaar oud geworden.

           Zijn eigen oude krant Het Vaderland typeerde hem als een ‘man van eerlijke bedoelingen, altijd bereid om precies te zeggen, waarop het stond.’[6] Maar ook De Telegraaf, een krant die indertijd sympathiseerde met de VDB, de partij die – al dan niet per ongeluk – verantwoordelijk was voor de val van De Meesters kabinet na nog geen 2½ jaar, uitte zich nu vol lof over het optreden van de overledene als premier. De krant noemde De Meester een man van ‘nobele eerlijkheid’. ‘De Meesters optreden heeft anti-septisch gewerkt. Er ging van deze groote figuur rust en vertrouwen uit […] De Meester won vele harten.’[7]

 


[1] Zelf wilde Goeman Borgesius geen premier worden omdat hij het district Enkhuizen met een krappe meerderheid op de anti-revolutionair en had veroverd (Nederland kende tot 1918 een districtenstelsel) en niet wilde riskeren dat dit district weer voor de liberalen verloren ging nadat hij naar het kabinet was overgestapt.

[2] Citaat van Pierson aangehaald in; Patrick van Schie, Vrijheidsstreven in verdrukking. Liberale partijpolitiek in Nederland 1901-1940 (Amsterdam, 2005) p. 96 (zie pp. 91-96 voor de hele formatie).

[3] Archief-Marchant, inventarisnummer 482.

[4] C.K. Elout, De Heeren in Den Haag (Amsterdam, 1907) pp. 11 en 13.

[5] L.J. Plemp van Duiveland, ‘Crisis-bespiegeling’,  Onze Eeuw,1908, band I, pp. 380-398.

[6] Het Vaderland, 28 december 1919 ochtendblad.

[7] De Telegraaf, 28 december 1919.

Benjamin Telders
Liberalen
04
Apr
2021
Apr 12, 2021
Fleur de Beaufort
‘Aan zeldzame moed, voorbeeldig doorzettingsvermogen, nooit geschokte standvastigheid en onbevreesde, geestelijke voornaamheid heeft het Telders in de bezettingstijd nooit ontbroken’, aldus de Leidse hoogleraar Cleveringa tijdens een toespraak ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de prof.mr. B.M. TeldersStichting in 1964.

‘Aan zeldzame moed, voorbeeldig doorzettingsvermogen, nooit geschokte standvastigheid en onbevreesde, geestelijke voornaamheid heeft het Telders in de bezettingstijd nooit ontbroken’, aldus de Leidse hoogleraar Cleveringa tijdens een toespraak ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de prof.mr. B.M. TeldersStichting in 1964.

Benjamin Marius Telders – Ben voor familie en vrienden – zag op 19 maart 1903 het levenslicht in Den Haag als oudste zoon van Mr. Wilhelm Albert Telders en Johanna Wilhelmina Telders-Vlielanders Hein. Na een onbezorgde schooltijd, waarnaast Telders’ honger naar boeken en voorliefde voor de piano zich ontwikkelden, koos Telders voor de studie rechten in Leiden. Telders promoveerde in 1927 op de dissertatie Staat en Volkenrecht. Proeve van rechtvaardiging van Hegel’s Volkenrechtleer en volgde op 28-jarige leeftijd zijn promotor Van Eysinga op als hoogleraar volkenrecht. Met zijn voorliefde voor de rechtsfilosofie had Telders als hoogleraar zijn roeping gevonden.

Op voorspraak van de afdeling Wassenaar van de in versukkeling geraakte Liberale Staatspartij werd Telders naar voren geschoven als kandidaat partijvoorzitter. De afdeling was ervan overtuigd dat deze ‘jonge, krachtige persoonlijkheid, man van grote bekwaamheid en tevens welhaast onbegrensde werkkracht’ het verloren gegane contact met de kiezers zou kunnen herstellen.

Zelf gaf Telders in een interview met de redactie van het Liberale Weekblad aan dat ‘het verzoek dat tot mij werd gericht om een kandidatuur te overwegen, kwam ongeveer in de tijd van de Oostenrijkse Anschluss. Vooral de rol die Seyss-Inquart en zijns gelijken daarin hebben gespeeld trof mij pijnlijk. En ik kreeg de gedachte dat, wanneer mensen die nationaal gevoelen zonder tot een uiterste vleugel te behoren, zich onttrekken aan de nationale zaak, men aan het extremisme vrij spel geeft. Ik meende, door mij te wijden aan de liberale politiek, ertoe te kunnen bijdragen dat het gezonde Nederlandse nationalisme “het midden blijft houden”.’  

Telders had een onwrikbaar vertrouwen in de bestaansgrond van het liberalisme. In het lustrumnummer van het blad De Jonge Liberaal – uitgegeven door de Bond van Jong-Liberalen – schreef hij ‘En wat anders dan het vertrouwen, het vaste geloof in de toekomst van het Nederlandse liberalisme zou iemand wie het wetenschappelijke, niet het politieke arbeidsveld in de eerste plaats dienbaar is, kunnen bewegen zich ook op het terrein van de politieke actie te begeven.’

Deze veerkrachtige opstelling was precies wat de Liberale Staatspartij nodig had in het interbellum. Bij de verkiezingen van 1937 – toen mr. Wendelaar nog partijvoorzitter was – hadden de liberalen 3 van de 7 zetels die zij bezaten verloren. De liberale zakenman Heldring noteerde na de verkiezing van Telders tevreden in zijn dagboek: ‘Het ziet ernaar uit, dat de Liberale Partij een nieuw kleed gaat aantrekken, of liever, het oude kleed terdege heeft laten herstellen. De nieuwe voorzitter Telders is zuiver liberaal, zeer bekwaam, en indien hij het gekonkel de baas wordt, kan hij aan het liberalisme grote diensten bewijzen. Ik zie hem voor vast van karakter aan.’

De kern van het liberalisme had voor Telders niets te maken met een simpel laissez faire, maar was gelegen in het feit dat de menselijke persoonlijkheid altijd de motor vormt van alles wat in het leven tot stand komt. Alles wat deze motor bedreigt moet verworpen worden, doch dat is niet hetzelfde als stellen dat de motor niet beter van remmen kan worden voorzien. Voor alles heeft het liberalisme vertrouwen in de vrije werkzaamheid van de menselijke persoonlijkheid.

Deze metafoor werkte Telders in zijn toespraak voor het Liberaal Sociaal Congres van 1938 verder uit voor de economische en sociale politiek. Drie stellingen legde hij neer als de grondbeginselen van het liberalisme. (1) In het belang van de productie en distributie moeten er soms van buitenaf, desnoods van bovenaf, remmen worden aangelegd, daar waar blijkt dat zonder remmen uitwassen ontstaan. (2) Wanneer men aanvaardt dat het economische leven geremd wordt ten bate van hogere belangen, dan mag men de eis stellen dat dit voor alle groepen in gelijke mate gebeurt. De Nederlandse politiek heeft daarin te lang een eenzijdige weg bewandeld. (3) Tot slot bracht sociale politiek, aldus Telders, met zich mee dat aan de economisch sterkeren remmingen worden opgelegd ten gunste van de zwakkeren. Dat is in beginsel juist, maar waakzaamheid is wel geboden. De economisch sterkere moet in staat blijken tot het brengen van de gevraagde offers. Een te zware of verkeerde wijze van belasting zou immers de bron van waaruit de sociale offers moeten voortkomen ondermijnen.

In de korte tijd die hem gegund was heeft Telders zich met hart en ziel ingezet voor het liberalisme. Bij de statenverkiezingen van 1939 werd iets van het liberaal reveil onder zijn leiding reeds duidelijk, hij wist net boven de uitslag van 1935 te komen. De Tweede Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan de voorzichtige opmars van het liberalisme.

Als hoogleraar Volkenrecht verzette Telders zich samen met onder meer collega Cleveringa fel tegen de door de Duitse bezetter geëiste ariërverklaring. Voor Cleveringa – op dat moment ook decaan van de juridische faculteit – was deze verklaring persoonlijk extra pijnlijk daar deze voor zijn promotor, leermeester en ‘vaderlijke vriend’ de Joodse hoogleraar Meijers met zekerheid tot ontslag zou leiden. Uiteindelijk zouden de hoogleraren weliswaar tekenen, maar een ruime meerderheid voegde er een door Telders opgesteld protest aan toe. Het feit dat niet alle hoogleraren dit protest ondertekenden greep Telders en Cleveringa ten diepste aan. Beiden spraken af bij een eventueel ontslag van Meijers publiekelijk te protesteren. Telders bood daarbij aan de beoogde protestrede uit te spreken, daar hij bij een eventuele arrestatie geen gezin zou achterlaten. Cleveringa meende echter dat hij als decaan de rede zelf diende uit te spreken. Hij werd vrijwel direct gearresteerd, waarna acht maanden gevangenschap volgden.

Drie weken later, op 18 december 1940 werd ook Telders gevangengezet in het Oranjehotel in Scheveningen, vanwaar hij via Vught naar diverse concentratiekampen werd vervoerd. Opmerkelijk genoeg keerde hij na een langdurig verblijf in Buchenwald in 1944 nog eens terug naar Vught. Begrijpelijkerwijze tot grote vreugde van zijn familie. Kennelijk leefde ook de Politische Abteilung van Buchenwald in de veronderstelling dat Telders nu wel spoedig zou worden vrijgelaten. Zijn dossier werd niet met hem meegestuurd en de toenmalig secretaris-generaal voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming adviseerde in een brief Prof. Telders na vier jaar vrij te laten.

Het zou anders lopen. Op Dolle Dinsdag werden de gevangenen die niet voor executie in aanmerking kwamen opnieuw naar Duitsland gestuurd. In Sachsenhausen voorkwam het lot de voorgenomen executie van onder meer Telders. Met de naderende Russische legers werd hij nog eenmaal op transport gesteld naar Bergen Belsen. Daar overleed Telders negen dagen voor de bevrijding van het kamp aan vlektyfus. Een jong een veelbelovend leven werd zo in de kiem gesmoord, een offer wat Telders willens en wetens in het belang van de goede zaak bracht. Immers: ‘Er zijn plichten die gelden, ongeacht de omstandigheden waarin de mensch zich bevindt, plichten, waaraan wij hebben te gehoorzamen, ook al wordt daarmede van ons het hoogste offer gevergd’, aldus Telders in een nooit uitgesproken redevoering die hij had voorbereid voor een bijeenkomst van de Liberale Staatspartij.

Herbert Spencer
Liberalen
04
Apr
2021
Apr 1, 2021
Patrick van Schie
Strijder tegen de staat als weldoener en klassiek liberaal pur sang.

Wellicht was geen wetenschapper in de tweede helft van de negentiende eeuw bekender dan de Engelsman Herbert Spencer. Zijn werken werden indertijd in ieder geval (vergeleken met die van andere wetenschappers) het beste verkocht. Hij was filosoof, socioloog, bioloog en psycholoog. Deze disciplines trachtte hij in één stelsel te verenigen. Volgens sommige critici was hij echter helemaal geen wetenschapper. Zijn kennis had hij niet aan een universiteit verworven, maar door zelfstudie. Zo beroemd als hij in zijn eigen tijd was, zo snel raakte hij in de twintigste eeuw in de vergetelheid.

           Herbert Spencer werd in 1820 geboren in Derby, ten noordoosten van Birmingham in het centrum van Engeland, waar hij ook opgroeide. Zijn ouders kregen negen kinderen. Herbert was de oudste, maar ook het enige kind dat overleefde. Om zijn zwakke gezondheid – want die had ook dit kind – aan te sterken stuurden zijn ouders hem veel de buitenlucht in. Herbert ging niet naar school, maar werd eerst door zijn vader en later door zijn oom, een dominee, onderwezen. Hij kwam uit een gezin van overtuigde ‘dissenters’, protestanten die niet tot de gevestigde Anglicaanse kerk behoorden. Zelf zou hij overigens, atypisch voor zijn tijd, agnost worden.

           Na een betrekkelijk korte carrière als civiel ingenieur bij een spoorwegmaatschappij, stapte Spencer over op de journalistiek – hij schreef onder meer vijf jaar lang voor The Economist – en de wetenschappen. Een erfenis van zijn oom in 1853 stelde hem in staat zich voortaan financieel onafhankelijk geheel aan de wetenschap te wijden. Een eerder aanbod van zijn oom aan Cambridge te gaan studeren, had hij afgeslagen. Indertijd waren Cambridge en Oxford allerminst bruisende centra van wetenschap, zodat dit hem misschien wel ervoor heeft behoed binnen te strakke kaders te denken. Spencer baseerde zich reeds op de overtuiging dat evolutie plaatsvindt voordat de bioloog Charles Darwin daarmee bekend werd. Evolutie was voor Spencer vooral ook aanpassing van de mens aan de veranderende omstandigheden (met inbegrip van het veranderende klimaat!), en daarmee de mogelijkheid als samenleving vooruitgang te boeken.

           Dit komt mede naar voren in zijn (qua omvang in ieder geval) meest toegankelijke boek The man versus the state (1884). Daarin zet hij twee type samenlevingen tegenover elkaar: De primitieve ‘militante’ samenleving en de meer ontwikkelde ‘industriële’ samenleving. De eerste was een bedreigde samenleving, hetgeen gedwongen samenwerking tegen het gevaar van buiten nodig maakte. Het organisatiemodel was dan ook dat van het leger, met bevelen van boven naar beneden. De hoger ontwikkelde samenleving daarentegen draaide om productie en was gebaseerd op vrijwillige samenwerking tussen gelijke burgers. In plaats van status en bevel stond het (vrijwillig aangegane) contract centraal. In beginsel bewoog een samenleving zich in de loop der geschiedenis van het ‘militante’ type naar het ‘industriële’ type. Maar gevaar voor een terugval lag altijd op de loer. En zo’n terugval voltrok zich snel, terwijl de weg omhoog (naar de ‘industriële’ samenleving) moeizaam en dus langzaam verliep.

           Spencer koppelde de oude Britse politieke groeperingen aan beide maatschappijvormen: de ‘Tories’ (voorlopers van de conservatieven) waren volgens hem de verdedigers van de ‘militante’ samenleving met haar dwang, de ‘Whigs’ (voorlopers van de liberalen) van de ‘industriële’ samenleving op basis van vrijwilligheid. Maar dat was eens, stelde Spencer. De laatste kwart eeuw waren de zogenaamde liberalen overgegaan tot veel wet- en regelgeving die niet de handelingsruimte voor burgers vergrootte doch inperkte. Dit gebeurde vanuit de beste bedoelingen maar had dezelfde kwalijke gevolgen als alle (andere) overheidsregulering: ten eerste konden burgers minder onbelemmerd naar eigen inzicht handelen, ja werden zij zelfs gedwongen tot acties die zij uit zichzelf niet (zo) zouden hebben verricht; en ten tweede nam de staat om een en ander te bekostigen een deel van de verdiensten van de burgers af. Een burger kon zijn inkomen dan niet langer spenderen zoals hij zelf wilde, maar het werd gespendeerd ‘as public agents please’.

           Achter dit al stak de misvatting die praktische politici erop nahielden dat alle lijden in de wereld, of in ieder geval in het land, moet en kan worden verholpen door de overheid. Dat er andere manieren zijn om de (vermeende) kwalen te bestrijden raakte zo al snel achter de horizon. En de ellende was dat wanneer de overheid faalde, wat heel vaak gebeurde, werd verzuimd de les te trekken dat er níet had behoren te worden ingegrepen. Er werd dan juist naar nieuwe wetten en reguleringen gegrepen. Zo kwam het van kwaad tot erger. Vergeten werd bovendien de invloed van de groei van het ‘officialism’. Al die ambtenaren die nodig waren om wetten en regels (te helpen) op te stellen handelden niet belangeloos maar uit eigenbelang, om hun positie veilig te stellen en te verstevigen. Aldus dreigde de samenleving – nota bene onder aanvoering van politici die zich liberaal noemden – langzaam maar zeker socialistisch te worden.

           ‘All socialism involves slavery’, schreef Spencer. De ene vorm was misschien wat milder dan de andere. Maar of je als slaaf in dienst was van een ander individu of dat de gemeenschap jouw eigenaar was, deed voor de slaaf niet ter zake. Het ging erom of iemand arbeid diende te verrichten waarvan een ander dan hijzelf het profijt trok. ‘If, without option, he has to labour for the society, and receives from the general stock such portions as the society awards him, he becomes a slave to the society. Socialistic arrangements necessitate an enslavement of this kind.’

Maakte het dan niet uit dat de Britten inmiddels in een democratie leefden (met een weliswaar nog niet volledig maar wel uitgebreid mannenkiesrecht)? Nee, meende Spencer. Een dictatuur wordt er niet beter op wanneer hij wordt uitgeoefend door het parlement. Daar kwam bij dat in het parlement niet de bekwaamste personen uit de samenleving werden gekozen, maar – zo had hij al in 1857 in een tijdschriftartikel uiteengezet – diegenen met de beste connecties met de partijleiding die vervolgens deden wat die partijleiding wilde. Zij stemden zelfs indien zij wisten dat een wet als zodanig niet deugde, toch daarvoor. In The man versus the state sprak Spencer er zijn verbazing over uit dat er wel een lange leerweg nodig is om schoenmaker te kunnen worden, maar dat geen enkele bekwaamheid werd vereist om (mede)wetgever te kunnen worden. Dit werd des te gevaarlijker als men zich liet bedwelmen door de gedachte dat het parlement het ‘goddelijk recht’ had bij meerderheid te mogen beslissen zonder grenzen. Het parlement had echter geen intrinsiek gezag; het was niet meer dan een ‘committee of management’ namens de burgers. Bij die burgers ligt de bron van alle gezag. Spencer sloot zijn boek af met: ‘The function of Liberalism in the past was that of putting a limit to the powers of kings. The function of true Liberalism in the future will be that of putting a limit to the power of Parliaments.’

De hoofdlijnen van zijn mens- en maatschappijvisie had Spencer al enkele decennia eerder ontvouwd in zijn boek Social statics uit 1851. Daarin noemde hij de staat een ‘noodzakelijk kwaad’. En hij gaf in dit boek aan waarmee de staat zich wel en waarmee niet bezig mocht houden. Het takenpakket diende strikt beperkt te blijven tot wat later wel als de ‘nachtwakersstaat’ is omschreven: het bewaken van de vrijheden en rechten van de burgers, ervoor zorgen dat contracten die burgers met elkaar sloten werden nagekomen alsmede het verzorgen van de defensie tegen buitenlandse invallen. Het leger diende wel uitdrukkelijk defensief te zijn. Van militaire en koloniale avonturen was Spencer volstrekt niet gediend.

Social statics opende met een aanval op de in die tijd populaire utilist Jeremy Bentham en diens volgelingen. Zij hanteerden ‘the greatest happiness to the greatest number’ als richtlijn voor het staatsbeleid. Spencer verwierp die richtlijn, omdat hij ten koste ging van het individu en diens vrijheid van handelen. Spencer betoogde bovendien dat Bentham c.s. ten onrechte poneerden dat individuen van zich geen rechten hadden, maar die rechten pas als het ware als geschenk van de staat ontvingen. Langs diverse redeneerlijnen wierp Spencer tegen dat individuen wel degelijk ‘natuurrechten’ bezaten. Geluk bestond uit het vrijelijk kunnen uitoefenen van al je faculteiten. Er is niet één vorm van geluk, wat geluk is ligt voor elk individu anders afhankelijk van verschillen in behoeften, smaak, karakter, et cetera. Het eerste en altijd overwegende beginsel diende te zijn: ‘Every man has freedom to do all that he wills, provided he infringes not the equal freedom of any other man.’

Alle taken die de staat meer verrichtte dan de bovengenoemde, achtte Spencer verwerpelijk omdat zij inbreuk maakten op dit eerste beginsel. Richtte de staat zich toch op andere terreinen, dan was hij niet langer beschermer van de burgers maar een agressor. Daarbij kwamen dan nog allerlei andere nadelen van staatsingrijpen. Ook inzake bijvoorbeeld onderwijs en sanitaire voorzieningen diende de staat zich niet in de samenleving te mengen; hij zou meer kwaad dan goed doen. Dit maakte Spencer tot een consequent, maar ook veel stringenter verdediger van wat de negatieve vrijheid wordt genoemd dan menig ander klassiek-liberaal. Het zorgde er tevens voor dat Spencer in de laatste decennia van de twintigste eeuw populair werd onder Amerikaanse ‘libertarians’. We kunnen hem zien als een radicale klassiek-liberaal maar tegelijkertijd als een wegbereider van het libertarisme.

Met zijn opvattingen over het overwegende belang van de vrijheid van individuen en de uiterst beperkte rol van de staat was Spencer misschien strikter dan liberale tijdgenoten maar niet uitzonderlijk. Zijn pleidooi voor een zo groot mogelijke vrijheid van individuen lijkt op dat van John Stuart Mill in diens On liberty (uit 1859, een boek dat dus enkele jaren ná Spencers Social statics verscheen. Spencer trok de grens van iemands vrijheid echter bij de vrijheid van het andere individu, níet bij de schade die iemand ermee aanrichtte (zoals Mill deed). Dit lijkt dicht bij elkaar te liggen, maar Spencer verwierp het veroorzaken van ‘pijn’ [of dit gelijk staat aan schade, is een discussie op zich waard; PvS] als grens omdat het oordeel daarover dan zou komen te liggen bij degene die beweerde ‘pijn’ te voelen. Terecht was Spencer daarvoor beducht. Het is wel de vraag of dit probleem werd omzeild door inbreuk op de vrijheid van een ander als grens te nemen.

Spencer hanteerde een ‘organische’ maatschappijopvatting. Dit wil zeggen dat hij de samenleving vergeleek met het lichaam van een dier of mens. Daarin was hij in de negentiende eeuw volstrekt niet origineel; onder conservatieven was het gemeengoed en ook confessionelen zouden dit nog lang doen (nogal eens tot aan de dag van vandaag). Maar op minstens twee wezenlijke onderdelen onderscheidde Spencers ‘organische’ leer zich van die van conservatieven en confessionelen. Ten eerste zagen laatstgenoemden de samenleving als een statisch geheel, met een vaste (van God gegeven) onveranderlijke ordening. Voor evolutiedenker Spencer was de samenleving dynamisch; zij ontwikkelde zich (mits zij maar werd vrij gelaten) in de richting van een ‘industriële’ samenleving. Ten tweede wezen conservatieven en confessionelen de staat aan als het noodzakelijk sturend gezag, vergelijkbaar met de hersenen. Spencer wierp tegen dat in een samenleving alle ‘onderdelen’ (leden) een eigengevoel hadden en zelf – in meer of mindere mate – konden nadenken. Daarom mocht in een samenleving het welzijn van de burgers nooit ondergeschikt worden gemaakt aan het belang van de staat (de vermeende centrale hersenen).

In Social statics toonde Spencer zich al een verwoed pleitbezorger van gelijke politieke rechten voor alle burgers. Hij maakte gehakt van alle redeneringen waarmee de bevoorrechte groep die het kiesrecht reeds bezat datzelfde recht aan de ‘mindere’ klasse trachtte te onthouden. Iedereen heeft, stelde Spencer, de neiging zijn eigenbelang te volgen; dat gold evenzeer voorde ‘hogere’ en middenklassen die zo graag neerkeken op de arbeiders. Voor dat laatste bestond geen enkele redelijke grond. Spencer was tegen(staats-)armenzorg maar toonde zich in zijn boek zeer begaan met het lot van de arbeiders. Die hadden bovendien evenveel recht op politieke zeggenschap, betoogde hij. Alleen een puur democratische regering is moreel toelaatbaar; dat was de enige vorm van regering die hij niet intrinsiek misdadig vond. Op het einde van zijn leven werd Spencer overigens wel wat sceptischer over verdergaande kiesrecht uitbreiding. Hij vreesde inmiddels dat de arbeiders door het feit dat zij gezamenlijk nu eenmaal de meerderheid vormden, de gelegenheid zouden grijpen de beter gesitueerden te beroven (te belasten voor uitgaven die aan arbeiders ten goede zouden komen).

Vooruitstrevend was Spencer waar het om burgerrechten ging evenzeer met betrekking tot vrouwen. ‘Equity knows no difference of sex.’ Vrouwen behoorden dan ook dezelfde rechten te krijgen als mannen. Het huwelijk diende bovendien op gelijkwaardigheid te zijn gebaseerd, vond (vrijgezel) Spencer. ‘Love and Coercion cannot possibly flourish together.’ Dit laatste bleef zijn overtuiging, maar (ook) met betrekking tot het vrouwenkiesrecht kreeg hij later bedenkingen. Vrouwen waren, meende Spencer, toch emotioneler en vatbaarder voor autoriteit; zij zouden daardoor eerder meegaan in pleidooien om de macht van de staat uit te breiden, zeker zodra dit met een beroep op‘ medemenselijkheid’ geschiedde. Kiesrecht was voor Spencer niet meer dan een middel; het doel was en moest vooral blijven een zo groot mogelijke vrijheid aan alle individuen te verzekeren.

Nicolaas Gerard Pierson
Liberalen
03
Mar
2021
Mar 16, 2021
Patrick van Schie

Beminnelijk aanvoerder van ‘het ministerie der sociale rechtvaardigheid’


Van de Nederlandse liberalen die Mark Rutte als minister-president voorgingen genieten Thorbecke en tegenwoordig misschien ook wel Cort van der Linden (enige) bredere bekendheid – hun portretten waren achter Rutte te zien tijdens diens toespraken in verband met de coronacrisis vanuit het Torentje – maar zullen slechts kenners ook Pierson weten te noemen. Dat is eigenlijk vreemd omdat Pierson (eveneens) een bijzonder succesvol kabinet leidde. Dit kabinet werd indertijd al aangeduid als het ‘ministerie der sociale rechtvaardigheid’.

Nicolaas Gerard Pierson werd in 1839 te Amsterdam geboren als jongste van zes kinderen in een vroom gezin. Zijn vader was glashandelaar plus een van de voormannen in het (protestantse) Reveil. Twee oudere broers van Nicolaas werden dominee. Zelf wilde Nicolaas aanvankelijk ook theologie studeren maar hij besloot de handel in te gaan. Zijn beide broers werden trouwens, net als hij, landelijk bekend. Allard was een modernistisch predikant, die later hoogleraar archeologie en kunstgeschiedenis zou worden. Hendrik werd eveneens predikant en daarbij voorman van de Heldring-stichtingen, welke opkwam voor‘ gevallen vrouwen’ [prostituees].

Nicolaas ging als gezegd de handel in, na studiereizen te hebben gemaakt door Engeland, de Verenigde Staten en Duitsland. Na enkele jaren werd hij gevraagd voor het directeurschap van de Surinaamsche Bank. Omdat hij geen trek had te gaan wonen in ‘de West’, werd hij de in Amsterdam zetelende mededirecteur. In 1868 droeg de toenmalige president-directeur van de Nederlandsche Bank (destijds nog zonder hoofdletter D) W.C. Mees hem voor als lid van de directie van deze bank. Het voorstel ontmoette verzet, enerzijds omdat Pierson erg jong was (nog geen 30) en anderzijds omdat men hem als ‘te geavanceerd’ beschouwde. Met een uiterst krappe meerderheid werd hij desalniettemin benoemd.

Nicolaas had reeds faam gemaakt met economische beschouwingen, al had hij nooit een academische opleiding genoten. Met publiceren zou hij blijven doorgaan, over tal van economische en daar aan verwante maatschappelijke onderwerpen. In 1875 publiceerde hij een leerboek staathuishoudkunde [dat is: economie] voor het middelbaar onderwijs, enkele jaren later een handboek voor het universitair onderwijs. Het werd wereldwijd beroemd, door vertalingen naar zelfs het Japans toe.

In 1877 werd Nicolaas, naast zijn directeurschap, benoemd tot (onbezoldigd) hoogleraar staathuishoudkunde aan de nog jonge gemeentelijke universiteit Amsterdam. Hij zou de leerstoel ruim zeven jaar blijven bekleden, tot zijn benoeming in januari 1885 tot president-directeur van de Nederlandsche Bank. Inmiddels had hij verschillende malen een aanbod om minister van Financiën te worden afgeslagen: begin jaren tachtig omdat hij de toen gevormde kabinetten steeds niet liberaal genoeg vond maar ook in 1884 toen de liberale formateur Gleichman hem de post aanbood. Nu verlangde Nicolaas verzoening met de ‘Kappeynianen’, waartoe de formateur niet bereid was (zodat de formatie mislukte).

Na de overwinning van de liberalen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1891 trad Pierson wel als minister van Financiën toe tot het kabinet-VanTienhoven. Hij wist een al decennialang slepende belastinghervorming door het parlement te loodsen. Hij schafte accijnzen af of verlaagde ze, maakte een einde aan de zogeheten ‘patentbelasting’ (die geen verband hield met de werkelijke inkomsten van de belastingplichtige) en voerde een nieuwe inkomens- en vermogensbelasting in. Daarin was het draagkrachtbeginsel (naar hedendaagse maatstaven erg gematigd) in de vorm van ‘progressieve’ belastingheffing verankerd. Het maakte Pierson bij nogal wat vermogende lieden gehaat. Er werd zelfs een (niet geslaagde) poging ondernomen hem te deballoteren als lid van de Haagse sociëteit ‘De Witte’.

Het kabinet-Van Tienhoven viel in 1894 op een omstreden voorstel tot uitbreiding van het kiesrecht (waar Pierson achter stond). Drie jaar later vroeg regentes Emma aan Pierson een liberaal kabinet te formeren, dat op een krappe meerderheid in de Tweede Kamer zou moeten steunen. De liberalen waren flink verdeeld. Pierson was bij uitstek geschikt om de liberalen van links tot rechtste verenigen. Zoals de liberaal van de rechtervleugel Willem Hendrik de Beaufort (die in dit kabinet minister van Buitenlandse Zaken werd) het formuleerde waren Piersons’ te prijzen eigenschappen: ‘zijne zeer uitgebreide algemeene kennis, zijne grondige bekendheid met de staatshuishouding en zijne onovertroffen rechtschapenheid en openhartigheid. Men kon hem volmaakt vertrouwen; daarbij waren alle persoonlijke bedoelingen hem vreemd’.[i] Keerzijde hiervan was dat hij bij anderen ook veronderstelde dat zij uitsluitend het algemeen belang op het oog hadden, wat zeker in de politiek niet het geval was. Ook sprak Pierson volgens De Beaufort wat al te openlijk uit wat hij dacht. Anderen meenden daardoor dat hij inconsequent was, maar Pierson dacht eenvoudigweg hardop.[ii]

Pierson was meer een geleerde (gebleven) dan een politicus (geworden). En toch was zijn kabinet buitengewoon succesvol. Niet alleen zat het de rit uit, maar bovenal bracht het tal van belangrijke hervormingen tot stand: invoering van de leerplicht, invoering van de persoonlijke dienstplicht (tot die tijd konden zonen met rijke ouders hun dienstplicht afkopen), hervorming van het leger, hervorming van de gezondheidsinspectie, een wet op de kinderbescherming, een woningwet (waarmee krotten konden worden opgeruimd en vervangen door degelijke woningen) en een ongevallenwet. Zo verdiende Piersons’ ploeg het predicaat ‘ministerie der sociale rechtvaardigheid’. Veel wetten waren niet Piersons’ eigen werk doch dat van collega-ministers, maar hij voerde bij enkele belangrijke wetsontwerpen ter verdediging in de Tweede Kamer het woord.

Op zijn eigen departement regelde hij in deze periode enkele relatief kleinere kwesties, bijvoorbeeld ordening van het muntwezen en afschaffing van de tollen op de rijkswegen. Dit laatste geheel in lijn met zijn grote voorkeur voor een vrijhandelspolitiek. Daarnaast kwam het Centraal Bureau van de Statistiek tot stand, nadat Pierson tijdens zijn eerste ministerschap al een voorafgaande commissie voor de statistiek had ingesteld. Na 1901 zou Pierson zelf (o.a.) voorzitter van dit CBS worden.

Pas ná zijn twee ministersperioden begaf Pierson zich echt in het politieke gewoel. In 1904 deed hij een mislukte poging bij tussentijdse verkiezingen voor het district Assen in de Kamer te komen; hij verloor deze strijd van de vrijzinnig-democraat Treub. Bij de reguliere verkiezingen in 1905 veroverde hij het district Gorinchem op de anti-revolutionairen (het gereformeerde deel van de voorlopers van het CDA). Nog drie jaar nam hij als ‘unie-liberaal’ deel aan de beraadslagingen in de Tweede Kamer; bij zijn laatste optreden in mei 1908 keerde hij zich tegen een staatsmonopolie op de spoorwegen. Inmiddels had zich de ongeneeslijke ziekte geopenbaard waaraan hij ruim anderhalf jaar later zou overlijden.

Zijn verzoeningsgezindheid had hem bij uitstek geschikt gemaakt leiding te geven aan het naar hem genoemde kabinet dat tussen 1897 en 1901 optrad. Dat hij politiek gezien als ‘unie-liberaal’ eindigde was in zoverre passend dat de Liberale Unie streefde naar hereniging van alle liberalen die sinds de eeuwwisseling inmiddels ook organisatorisch waren verdeeld. Eigenlijk was Piersons’ liberalisme nog breder: hij had graag ook liberaal gezinde anti-revolutionairen en katholieken onder liberale vlag verenigd gezien. Dat was in die meer en meer gepolariseerde periode – ARP-leider Kuyper trad even drammerig op als later PvdA-voorman Den Uyl – onhaalbaar. Hoe verzoenend Pierson ook gezind was en hoezeer hij ook sympathie had voor de bijzondere school, waarin hij meer met de confessionelen dan met veel liberalen overeenstemde, zijn eigen anti-protectionisme alleen al stond een toenadering tot de confessionelen in de weg.

Zelfs met de socialisten wilde hij wel rekening houden, mits deze hun ‘profetenmantel’ zouden verruilen voor de rol van advocaat. Want Pierson zag wel de noden onder de arbeiders. Het socialisme zelf bracht zijn inziens echter niet de oplossing. De staat kon wel tijdelijk bijspringen en beschermende wetgeving maken vooral voor vrouwen en kinderen maar zoveel mogelijk diende iedereen uiteindelijk toch op eigen benen te (leren) staan. Dat kon ook door de handen ineen te slaan: de vakbeweging kon voor arbeiders een goede rol spelen, mits zij niet tot stakingen over ging. Voorts prees Pierson arbeiderscoöperaties aan. In een befaamde lezing over de ‘sociale quaestie’ stelde Pierson in 1887: ‘Ons ideaal moet niet wezen dat niemand meer bezit, maar dat zooveel mogelijk allen bezitten.’

Het kapitalisme moest dus wat Pierson betreft zeker niet worden afgeschaft. Het diende te worden hervormd, opdat de nuttige rol van het eigenbelang zou worden ingedamd wanneer er schade aan anderen ontstond. Socialisme en protectionisme waren volgens Pierson niet alleen economisch nadelig, maar vooral ook moreel verwerpelijk. Zo leidde protectionisme onder andere tot zedenbederf, omdat het bepaalde bijzondere belangen met de juiste connecties voordelen gaf ten koste van het overgrote deel van de consumenten.

Als hoogleraar en schrijver wist Pierson altijd de meest ingewikkelde zaken op heldere wijze uiteen te zetten. Misschien hielp het wel dat hij academisch gezien autodidact was, hoewel hij later eredoctoraten verwierf van de universiteiten van Leiden en Cambridge. Carl Menger, grondlegger van de Oostenrijkse school in de economie, zag hem als een van de groten. En de Britse econoom Alfred Marshall schreef in een brief aan Pierson op diens sterfbed: ‘The world will class you with A. Smith the thinker, the patriot and the cosmopolite…’. Of Pierson inderdaad met Adam Smith op één lijn mag worden gesteld? Dat is misschien wat overdreven. Maar hij verdient het zeker te worden beschouwd als een van de grootste (liberale) premiers van ons land.


[i] J.P. de Valk en M. van Faassen uitg., Dagboekenen aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort 1874-1918. Tweede band1911-1918 (Den Haag, 1993) p. 1033.

[ii] Ibidem, p. 1034.

[iii] Aangehaald door: C.A. Verrijn Stuart, ‘Levensbericht van Mr. Nicolaas Gerard Pierson. 7 Februari 1839 – 24 December 1909’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1911, pp. 26-80, p. 75.

Alexis de Tocqueville
Liberalen
01
Jan
2021
Jan 22, 2021
Fleur de Beaufort

Het had niet veel gescheeld of de ouders van Alexis Charles Henri Maurice Clérel de Tocqueville waren op 21-jarige leeftijd, jonggehuwd, net voor het einde van de Franse Revolutie op het schavot gruwelijk aan hun einde gekomen. Het einde van de Franse Revolutie kwam voor hen net op tijd; velen van hun adellijke familieleden was een droeviger lot beschoren. De diepe sporen die de wreedheden van het schrikbewind bij met name zijn moeder hebben achtergelaten worden wel eens als verklaring aangevoerd voor het wat zwaarmoedige temperament van Alexis de Tocqueville.

 

Terwijl zijn beide oudere broers kiezen voor een militaire loopbaan prefereert Alexis de Tocqueville al jong een wetenschappelijke carrière. Op zestienjarige leeftijd vertrekt hij naar Metz, waar hij zich verdiept in onder meer de klassieke talen, geschiedenis en wiskunde. Aansluitend richt hij zich op een studie rechten. De machtswisseling tussen Karel X (uit het koningshuis Bourbon), die in 1830 door een woedende menigte wordt afgezet en uitwijkt naar Engeland, en burgerkoning Louis Philippe (hertog van Orléans) brengt de jonge jurist in een gewetensconflict. Als rechter-plaatsvervanger heeft hij immers de eed afgelegd aan Karel X, die hij ook na de schermutselingen nog als rechtmatige koning beschouwd. Louis-Philippe eist echter een nieuwe eed, die Tocqueville aanvankelijk met zwaar gemoed aflegt. Als de wantrouwige machthebbers andermaal een eed eisen, besluit Tocqueville een verzoek tot verlof in te dienen.

 

Ontslagen van zijn plichten als rechter-plaatsvervanger vertrekt Tocqueville samen met Gustave de Beaumont op 2 april 1831 aan boord van zeilschip Le Havre naar Amerika. Formeel zullen de vrienden daar in opdracht van het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken onderzoek doen naar het Amerikaanse strafrechtstelsel. Destijds kende de Verenigde Staten al een penitentiair systeem zonder kerkers, zoals in Frankrijk nog gebruikelijk was. Gevangenen werden in de VS geacht overdag te werken en werden alleen ’s nachts in afzondering opgesloten in inrichtingen. Op deze wijze voorzagen de gedetineerden zelf in de kosten voor hun detentie. Dit systeem werd ook wel ‘silent system’ genoemd, omdat de gevangen niet met elkaar mochten spreken. In 1833 publiceerden Beaumont en Tocqueville hun bevindingen in Du système pénitentiaire aux Etats-Unis et son application en France. Zij plaatsten kritische kanttekeningen bij de strenge discipline die tijdens het werk heerste en gehandhaafd werd met de zweep.

 

Het onderzoek naar het strafrechtstelsel moge de aanleiding van het verblijf in de VS geweest zijn, de vrienden waren veeleer geïnteresseerd in de wijze waarop de Amerikaanse democratie functioneerde. Met name de vraag in hoeverre vrijheid en gelijkheid naast elkaar zouden kunnen bestaan, stond voorde reizigers centraal. Tocqueville zou, naar aanleiding van de reis, uiteindelijk het tweedelige werk De la démocratie en Amérique publiceren (het eerste deel in 1835 en het tweede in 1840). In dit werk toonde hij – evenals overigens in andere publicaties – een zeer vooruitziende blik en waarschuwde Tocqueville voor maatschappelijke ontwikkelingen waar we tot de dag van vandaag mee te maken hebben.

 

Tocqueville toonde zich een groot bewonderaar van de democratie, met name vanwege de grote mate van gelijkheid die het creëerde voor de bevolking. De grote democratiseringsbeweging, die in de negentiende eeuw ook in Europa gaande was, zag Tocqueville als onvermijdelijk. Ondanks zijn bewondering voor het idee dat een volk zichzelf moest kunnen besturen, realiseerde de Fransman zich al vroeg dat er ook gevaren aan een democratie kleefden. Deze gevaren maakte Tocqueville inzichtelijk in zijn doorwrochte analyse van het Amerikaanse systeem.

 

De idealen van vrijheid en gelijkheid staan op gespannen voet met elkaar, aldus Tocqueville. Te veel vrijheid zou ten koste kunnen gaan van de gelijkheid, terwijl andersom te veel gelijkheid ook de vrijheid zou kunnen aantasten. Als geen ander zag Tocqueville bovendien het gevaar van de tirannie van meerderheid in een democratie, evenals de macht die uit zou kunnen gaan van conformisme en centralisatie. Het belang van checks-and-balances om deze gevaren tegen te gaan was evident evenals een appel op individuele verantwoordelijkheid. ‘Wanneer ik denk aan de vorm die deze nieuwe tirannie zal aannemen, zie ik voor mij een massa van in alle opzichten gelijke mensen die rusteloos onbeduidende en banale genoegens najagen […] die nog slechts op zichzelf en voor zichzelf leven. Boven deze geïndividualiseerde massa troont een bevoogdend machtsapparaat dat over het wel en wee waakt, dat alles voorziet en alles regelt, maar dat de mensen in een staat van onmondigheid houdt. Het garandeert de burgers een veilig en wel verzorgd bestaan, maar staat er op zelf uit te maken wat goed is voor hen. Zo zullen de mensen steeds minder gebruikmaken van hun eigen oordeelskracht.’

 

Een laatste gevaar waar Tocqueville zich reeds van bewust was bestond eruit de democratie uiteindelijk op democratische wijze zichzelf zou kunnen opheffen. Ook hier zouden checks-and-balances als machtenspreiding en bepaalde grondwettelijk verankerde rechten moeten voorkomen dat de staatsmacht zou verabsoluteren en ‘de natie’ zou verworden tot ‘een kudde angstige en vlijtige schapen […], met de overheid als zorgzame herder.’ Tocqueville waarschuwde voor paternalisme als een vorm van ‘gereglementeerde en gemoedelijke slavernij’ die tot stand kon komen ‘in de schaduw van de volkssoevereiniteit’. Friedrich Hayek roemde ruim een eeuw later in zijn standaardwerk The Road to Serfdom (1943) reeds de vooruitziende blik van onder meer Tocqueville met zijn waarschuwing voor de glijdende schaal naar slavernij in ogenschijnlijke vrijheid.

 

Nog voor de Amerikaanse reis tot een publicatie leidde bezocht Tocqueville Groot-Brittannië. Tijdens zijn verblijf werd hij geconfronteerd met het grootschalige pauperisme als gevolg van de Industriële Revolutie en realiseerde hij zich dat de armoedeproblematiek een enorme sociale uitdaging vormde voor de toekomst. Eenmaal terug hield Tocqueville in 1835 de rede Mémoir sur le pauperisme voor het Koninklijk Academisch Genootschap van Cherbourg. Tocqueville waarschuwde voor de hardnekkigheid van de armoedeproblematiek en de funeste gevolgen van ingrijpen door de overheid. De natuurlijke hang van mensen naar ledigheid wordt alleen doorbroken door de noodzaak om in leven te blijven en de wens om de levensomstandigheden te verbeteren. ‘De ervaring heeft geleerd dat de meeste mensen alleen door de eerste van beide redenen [overleven] voldoende tot werken kunnen worden aangespoord, en dat de tweede slechts op een geringe minderheid van invloed is. Een liefdadigheidsinstelling die zonder onderscheid voor iedere behoeftige openstaat, of een wet die alle armen ongeacht de oorzaak van hun armoede recht geeft op publieke steun, verzwakt of verdooft de eerste prikkel en laat nog slechts de tweede intact.’

 

Het zou voor de hand liggen, zo erkende Tocqueville, dat de staat een onderscheid maakt tussen enerzijds mensen die buiten hun eigen schuld om in de armoede zijn geraakt en anderzijds mensen die zonder directe reden bij de staat aankloppen. De Britten hebben dit ook overwogen en zelfs geprobeerd, doch iedere poging tot het aanbrengen van een dergelijke scheiding mislukte. De Franse denker vindt dit maar al te begrijpelijk, want ‘niets is zo moeilijk te onderscheiden als de nuances die het verschil uitmaken tussen onverdiende tegenspoed en problemen die het gevolg zijn van ondeugd’. Aldus schetste de jonge Franse filosoof ineen notendop het kernprobleem waar de verzorgingsstaat tot op heden mee worstelt.

Dirk Stikker
Liberalen
07
Jul
2020
Jul 27, 2020
Dirk Uipko Stikker kwam in de stormachtige nacht van 4 op 5 februari 1897 ter wereld in het Groningse Winschoten. De jongvolwassen Stikker bewandelde aanvankelijk hetzelfde carrièrepad als zijn vader. Hij ving aan met de studie Nederlands recht te Groningen en zocht daarna zijn heil in de bankenwereld. Waar de loopbaan van zijn vader spaak liep, werkte Dirk Uipko zich op tot bankdirecteur. Zijn succes in de private sector werd bekroond met de benoeming tot directeur van bierbrouwerij Heineken in 1935.

Na de bezetting kwam Stikker in aanraking met de Haagse politiek, aanvankelijk als partijloos Eerste Kamerlid. Hoewel hij in zijn memoires beweert in zijn hart geen partijman te zijn, was Stikker een van de oprichters van de Partij van de Vrijheid.1 Na avances van Pieter Oud, die ongelukkig was binnen de Partij van de Arbeid, werd de Partij van de Vrijheid in 1948 omgevormd tot de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, ofwel de VVD. De nieuwe partij behaalde bij de verkiezingen in hetzelfde jaar acht van de honderd zetels en trad toe tot kabinet Drees-Van Schaik.

Stikker fungeerde in dit kabinet als minister van Buitenlandse Zaken. Twee zaken liepen als een rode draad door zijn ministerschap: Indonesië en Europa. Ten aanzien van de Indonesische kwestie was Stikker tot de conclusie gekomen dat een onvoorwaardelijke soevereiniteitsoverdracht het juiste zou zijn. Maar de weg hiernaartoe was bezaaid met vele moeilijkheden. Vooral conservatieve katholieken, waarvan er een de ministerpost Overzeese Gebiedsdelen bemande, hadden een andere opvatting dan Stikker. Na een pijnlijk proces vond de uiteindelijke soevereiniteitsoverdracht plaats op 27 december 1949. Daarmee was dit vraagstuk echter niet van de politieke agenda verdwenen. Stikker stapte zelfs in 1951 op na een motie van wantrouwen van zijn eigen partij aangaande het Nieuw-Guineabeleid. De VVD beschuldigde Stikker ervan dat hij zich onvoldoende had uitgesproken tegen de soevereiniteitsoverdracht van Nieuw-Guinea aan de Nederlands-Indonesische Unie. Na de val Drees-Van Schaik die deze motie tot gevolg had, werd Stikker opnieuw minister van Buitenlandse Zaken in Drees-I.

Stikker beschouwde het Nederlands herstel in een verenigd Europa als zijn belangrijkste taak als minister.2 Dit herstel werd mogelijk gemaakt door de Amerikaanse steun in de vorm van het Marshallplan. Met veel ontzag stelt Stikker: “Zonder de Marshallhulp zou het herstel van Europa niet zijn geslaagd en zou de vrijheid in Europa teloorgegaan zijn.”3 Met de Europese eenheid verliep het anders. Van 1950 tot 1952 waren Frankrijk, Duitsland en Italië alle drie voor een Europese federatie. Stikker, naar eigen zeggen ook voorstander van een federatie, was sceptisch over de snelheid waarmee deze nieuwe staat van de grond zou moeten komen. Hij vreesde dat een te hoog tempo tweedracht in Europa teweeg zou brengen. Hoewel het voortvarend ging met het Europese herstel, werd een federatie niet bewerkstelligd.

Toen er in 1952 een einde kwam aan Stikkers ministerschap, vervolgde hij zijn carrière in de publieke dienst als ambassadeur in het Verenigd Koninkrijk. Een groot deel van zijn tijd hier was de illustere Winston Churchill de Britse premier. In Stikkers herinneringen komt een vermakelijke anekdote voor over Churchill. Toen Stikker achter de premier stond tijdens een fotomoment hoorde hij hem wat onverstaanbaars mompelen. Eenmaal voorovergebogen kon Stikker horen wat hij zei: “‘If the Captain had been on the bridge’ –

korte pauze – ‘when the ship struck the iceberg’ – indrukwekkende pauze – ‘things would have been quiiite different!’”4 Precies op het moment dat de fotograaf zijn camera liet flitsen, sprak Churchill met vooruitstekende onderkaak het woord ‘quiiite’ uit. De premier was weer vastgelegd met een karakteristieke kop lijkend op een Britse buldog.

Gedurende zijn jaren als ambassadeur trachtte Stikker het Verenigd Koninkrijk meer te betrekken bij het Europese verenigingsproces, maar keer op keer stuitte hij op de Britse onwelwillendheid. In 1958 kwam er zelfgekozen einde aan zijn ambassadeurschap. Als overtuigd atlanticus en Europeaan koos Stikker voor de functie van Permanent Nederlands Vertegenwoordiger bij de NAVO en OEES (Organisatie voor Europese Economische Samenwerking) als vervolgstap in zijn loopbaan. Ten tijde van zijn ministerschap vervulde Stikker reeds een belangrijke rol bij de oprichting van de NAVO; in de functie van permanent vertegenwoordiger kon Stikker deze organisatie nog beter leren kennen. Deze ervaringen leidden in 1961 tot de kroon op zijn carrière: secretaris-generaal van de NAVO.

Begin jaren zestig had het bondgenootschap te kampen met een aantal splijtzwammen. Een daarvan was de kwestie-Cyprus waarbij NAVO-leden Griekenland en Turkije lijnrecht tegenover elkaar stonden. De spanningen tussen de Griekse meerderheid en de Turkse minderheid op het eiland kennen een lange geschiedenis. Het Verdrag van Zürich (1960) moest een oplossing bieden. Dit verdrag versterkte de positie van de Turkse Cyprioten. Eind 1963 kwam het echter tot een politieke impasse tussen de twee bevolkingsgroepen. De Grieks-Cypriotische leider Makarios zocht de confrontatie, wat leidde tot gewelddadigheden en het opjagen van tienduizenden Turkse Cyprioten. Turkije dreigde vervolgens met een interventie, hetgeen Griekenland niet zou accepteren. De mogelijke escalatie tussen twee NAVO-lidstaten had tot gevolg dat Stikker als secretaris-generaal een bemiddelende rol op zich nam.

Een open conflict werd voorkomen, maar een duurzame oplossing werd niet bereikt. De kwestie-Cyprus zou nog lang voortduren na Stikkers ambtstermijn. Stikker moest zijn waardige functie neerleggen wegens zijn zwakke gezondheid. In 1964 kwam er een einde aan een bewonderenswaardige loopbaan, één waarin de top werd bereikt in zowel de private als de publieke sector. Al die tijd liet Dirk Uipko Stikker zich leiden door slechts één hartstocht: de liefde voor vrijheid en menselijke waardigheid.5 Hij overleed op 23 december 1973 te Wassenaar.

Dirk Donker Curtius
Liberalen
12
Dec
2020
Dec 20, 2020
Dirk Donker Curtius lijkt grotendeels uit het collectieve geheugen te zijn verdwenen. Toch kan Donker Curtius worden gezien als radicaal liberaal van het eerste uur. Ruim twintig jaar voor de realisatie van onze Grondwet, toen Thorbecke zich nog geen voorstander toonde van voor die tijd radicale democratiseringsidealen, verdedigde Donker Curtius allerlei denkbeelden die uiteindelijk een plaats in de Grondwet zouden veroveren.

Radicaal liberaal van het eerste uur

De Grondwet van 1848 wordt meer dan eens de ‘Grondwet van Thorbecke’ genoemd. De liberale staatsman is de geschiedenis ingegaan als grondlegger van de basis voor ons huidige parlementaire stelsel, terwijl de naam van Dirk Donker Curtius grotendeels uit het collectieve geheugen lijkt te zijn verdwenen. Toch kan worden gesteld dat Dirk Donker Curtius als radicaal liberaal van het eerste uur ver op Thorbecke vooruit liep. Ruim twintig jaar voor de realisatie van onze Grondwet, toen Thorbecke zich nog geen voorstander toonde van voor die tijd radicale democratiseringsidealen, verdedigde Donker Curtius allerlei denkbeelden die uiteindelijk een plaats in de Grondwet zouden veroveren. Wie was Donker Curtius eigenlijk?

Dirk Donker Curtius kwam in 1792 in ’s-Hertogenbosch ter wereld als tiende van elf kinderen in de patricische familie Donker Curtius. Na een studie rechten in Leiden behaalde Donker Curtius in 1811 het doctoraat en begon aan de voorbereiding op een leven als advocaat. De Franse inlijving in 1811 gooide echter roet in het eten; Donker Curtius werd opgeroepen voor Franse krijgsdienst. Hoewel zijn vader een remplacant stuurde (destijds konden rijken tegen betaling iemand – een remplacant – betalen om de krijgsdienst in hun plaats te volbrengen) werd Donker Curtius toch met geweld gedwongen zich voor de zgn. garde d’honneur van de Franse keizer te melden. Toen na de verloren slag bij Leipzig in oktober 1813 de desintegratie van het Franse Keizerrijk inzette, wist Donker Curtius te ontsnappen en keerde als ‘vrij man’ terug naar Nederland. Het voorval voedde zijn levenslange strijd tegen onrechtmatige aantasting van de vrijheid

Eenmaal terug in Nederland pakte Donker Curtius het werk als advocaat weer op. Daarnaast begon hij als publicist van zich te laten horen. Zo begon hij samen met zijn neven Boudewijn Frans en Willem met de uitgave van de liberale krant De Standaard. De redacteuren schreven over allerlei politieke thema’s, niet in de laatste plaats de Belgische opstand en de houding van de noordelijke Nederlanden. December 1830 verschenen bij dezelfde Haagse uitgeverij die deze krant drukte, anoniem de Gemeenzame brieven over de gebeurtenissen van den dag. Het was een publiek geheim dat Donker Curtius als auteur van de brieven moeten worden beschouwd. In de brieven kwamen diverse actuele thema’s langs in de vorm van een briefwisseling tussen de heren A en B, waarbij B zich radicaler opstelde dan A. Daarbij werd algemeen aangenomen dat briefschrijver B in feite de mening van Donker Curtius vertegenwoordigde. Belangrijkste punt uit de briefwisseling was de noodzaak tot grondwetsherziening nu de Belgische opstandelingen zich van de Noordelijke Nederlanden hadden afgezonderd. De scheiding had als het ware de bestaande Grondwet vernietigd en het Noorden in een ongrondwettige positie achtergelaten.

Donker Curtius greep dit standpunt aan om de Grondwet in het geheel ter discussie te stellen. Hij meende dat een goede grondwet tegemoet moet komen aan het algemeen gevoelen van de grote menigte. ‘En nu bevat de Grondwet der Nederlanden, zoo als die is, en vooral zoo als dien sedert vijftien jaren is uitgelegd, een stelsel van regering, strijdig met de denkbeelden van de grootste menige, nadeelig voor de welvaart van het rijk, en ongenoegzaam om de vrijheid en veiligheid der ingezetenen behoorlijk te beschermen; haar bestaan konde dus niet duurzaam zijn.’1

Diverse actuele thema’s kwamen in de brieven voorbij, zoals de scheiding van kerk en staat en de daaraan gekoppelde liberale voorkeur voor een waarlijk neutrale staat. Het uitgangspunt van volkssoevereiniteit, de voorkeur voor een grondwettig bestuur en een afkeer van al te sterk centralisme en ‘bureau-tyrannij’ passeerden eveneens de revue. Donker Curtius meende dat de omvangrijke macht die de koning zich nog steeds toe-eigende, in feite in strijd was met de Grondwet en het beginsel van de vertegenwoordigende democratie. In het tweede deel van zijn brieven vatte Donker Curtius zijn denkbeelden kort en bondig samen: ‘Gelijkheid van allen voor de wet; verantwoordelijkheid der Ministers; onmiddellijke verkiezingen; en openbaarheid van financiën.’ De persvrijheid was voor Donker Curtius tot slot de ‘dierbaarste van alle regten’.

Het was met name op het punt van de verkiezingen dat Donker Curtius op de troepen vooruit liep en zeker op Thorbecke. ‘Zonder regelregte verkiezing, is er geene ware vertegenwoordiging; zonder dezelve is het onmogelijk om dien volksgeest op te wekken, welke volstrekt wordt vereischt, tot instandhouding van de onafhankelijkheid van Noord-Nederland. Ja, ik durf gerustelijk verzekeren, dat bij het behoud van trapsgewijze verkiezingen, zich bij het jeugdige, dat is het krachtigste deel der Natie, een tegenstand (oppositie) zal ontwikkelen, welke niet tijdig ingewilligd den grond zoude doen schudden.’2 Donker Curtius vond daarbij de macht van de aristocratie te groot en wenste deze te temperen door de democratie. Hij zag geen ruimte meer voor bijzondere politieke rechten van de aristocratie. Daar waar tegenstanders van de directe verkiezingen de burgers nogal eens als ‘de menigte’ bestempelde, noemde Donker Curtius hen ‘de eigenlijk gezegde natie’.

De hartstochtelijkheid waarmee Donker Curtius het publiek steeds weer deelgenoot maakte van zijn denkbeelden, doet vermoeden dat er een diepgewortelde overtuiging achter schuil ging. Iets waar hij in zijn Proeve eener nieuwe grondwet zelf ook melding van maakt, wanneer hij de verschillen met de proeve van Thorbecke uit de doeken heeft gedaan. Dat deed hij niet om de verschillen nog eens extra te benadrukken. ‘Ik heb er slechts iets van willen zeggen, om te toonen, dat niet de zucht, om iets anders te maken, maar overtuiging mijne pen heeft geleid!3

Het was uiteindelijk Donker Curtius die in 1848 de politieke verdediging van de herziene Grondwet op zich nam. Algemeen wordt aangenomen dat juist hij daarin slaagde vanwege het feit dat hij een handig debater was, die mensen voor zich kon winnen en zich op het juiste moment pragmatisch toonde. Heel anders dan Thorbecke die gold als rechtlijnig en compromisloos en die politieke huzarenstukje mogelijk niet zelf had kunnen volbrengen.4

Noten

1. Anomiem [Dirk Donker Curtius], Gemeenzame brieven over de gebeurtenissen van den dag. Eerste stuk (’s-Gravenhage, 1830), p. 70.
2. Anomiem [Dirk Donker Curtius], Gemeenzame brieven over de gebeurtenissen van den dag. Tweede stuk, pp. 18-19.
3. Dirk Donker Curtius, Proeve eener nieuwe grondwet (Arnhem, 1840), p. II.
4. Meer lezen: Fleur de Beaufort, ‘Dirk Donker Curtius. Radicaal liberaal van het eerste uur’ in: Fleur de Beaufort, Joop van den Berg en Patrick van Schie, Eigenzinnige liberalen. Onafhankelijk denkende politici in Nederland (Amsterdam, 2014), pp. 43-66 en Mathijs van de Waardt, De man van 1848 – Dirk Donker Curtius (Nijmegen, 2019).

Jean-Baptiste Say
Liberalen
10
Oct
2020
Oct 27, 2020
De Franse econoom Jean-Baptiste Say (1767 - 1832).

De carrière van Jean-Baptiste Say was haast even veelzijdig als de staatsvormen die Frankrijk in zijn tijd aannam. Op 5 januari 1767 werd Jean-Baptiste geboren als zoon van een handelaar in Lyon. Als tiener verhuisde hij met zijn gezin naar Parijs waar Say père zich als valutahandelaar vestigde. De jonge Say was voorbestemd om in de voetsporen van zijn vader te treden. Vandaar dat hij tezamen met zijn broer als achttienjarige vertrok naar Engeland om er ervaring op te doen in het zakenleven. In 1787 – aan de vooravond van de Franse Revolutie – arriveerde Say weer in Parijs, waar hij in dienst trad van een verzekeringsmaatschappij geleid door Étienne Clavière. Deze Clavière, die in 1792 kortstondig als minister van Financiën zou optreden, verleidde Say tot revolutionaire denkbeelden. Tevens was Clavière degene die Say in contact bracht met politieke economie door aan hem The Wealth of Nations van Adam Smith uit te lenen.

De nu politiek geëngageerde Say verwelkomde de Franse Revolutie met enthousiasme. De historische gebeurtenissen vormden een stimulans voor Say om zijn eerste pamflet over persvrijheid te publiceren. Dit pamflet trok de aandacht Mirabeau, één van de leidende figuren van de revolutie, en wiens levensverhaal als een roman leest. Mirabeau rekruteerde Say voor zijn tijdschrift Le Courrier de Provence, dat gold als een belangrijke bron voor het reilen en zeilen van revolutionair Frankrijk. Een sprekend voorbeeld van Says betrokkenheid bij de revolutie is zijn vrijwillige deelname aan de revolutionaire oorlogen. Eenmaal teruggekeerd van het slagveld halverwege 1793, toen Robespierre en de zijnen Parijs perverteerden, trok Say zich met zijn pasgehuwde vrouw terug in een dorpje nabij de hoofdstad.

Als gematigd republikein raakte hij nauw betrokken bij het liberale tijdschrift La Décade philosophique, littéraire et politique, dat positie innam tussen het conservatisme van de royalisten en het radicalisme van de jakobijnen. De invloed van het blad, alsook van de idéologues, zoals Say en zijn medestanders te boek stonden, groeide gezwind. Met name ten tijde van het Directoire (1795-1799) was de positie van de idéologues onomstotelijk geworden. Ook na de staatsgreep van 18 Brumaire, waarna Napoleon eerste consul werd, behielden zij aanvankelijk hun invloed. Velen van hen waren in de loop der tijd benoemd op politieke posten. Zo werd Say eind 1799 lid van het Tribunaat, een door Napoleon in het leven geroepen adviserend orgaan.

Maar des te meer Napoleon dictatoriale trekken begon te vertonen, des te heviger het verzet van de idéologues zich manifesteerde. De oppositiestemmen, waaronder die van Benjamin Constant, werden door de aanstaande keizer gesmoord. Onderwijl had Jean-Baptiste Say in 1803 Traité d'économie politique op de markt gebracht. Het werk ademde de notie van laissez-faire. Napoleon probeerde Say eerst nog voor zich te winnen door hem te verzoeken dit boek, dat in feite inging tegen het Napoleons economische beleid, te herzien. De Corsicaan stelde voor dat Say delen zou herschrijven ten faveure van de protectionistische oorlogseconomie die Napoleon voorstond. Maar zoals een wijs man betaamt, weigerde Say gedecideerd. Dit kostte hem vanzelfsprekend zijn zetel in het Tribunaat.

Zijn Traité werd weliswaar niet onder dwang van Napoleon herzien, maar zou desondanks nog vele edities kennen. Say publiceerde om de enkele jaren een vernieuwde uitgave teneinde het standaardwerk, want dat was het inmiddels geworden, niet zijn waarde te laten verliezen. In dit boek poneert Say een wetmatigheid die later bekend is geworden als de Wet van Say. Mede vanwege John Maynard Keynes’ afkeer er tegen, is deze wetmatigheid zo beroemd geworden. De Wet van Say behelst eenvoudigweg dat aanbod zijn eigen vraag schept. Overproductie vindt op macro-economisch niveau niet plaats, omdat de beloningen, uitgekeerd als gevolg van de productie, worden ingezet om de geproduceerde goederen en diensten af te nemen. Een aannemelijke gedachte, later is echter gebleken dat vraaguitval en de daarmee verbonden overproductie wel degelijk kunnen optreden. Wanneer consumenten immers besluiten hun inkomen op te potten, lekt er als het ware geld weg uit de geldkringloop, producenten blijven dan achter met hun voorraad.

Tevens benadrukte Say in dit werk de rol van de entrepreneur. Door de economen voor hem werd de entrepreneur niet onderscheiden van de investeerder. Maar, zo liet Say zien, de rol van de entrepreneur is rijker ten opzichte van die van de investeerder. De entrepreneur investeert namelijk niet slechts zijn vermogen maar organiseert ook de productie en geeft leiding aan zijn werknemers. Hij moet de markt kunnen lezen en inspelen op de vraag van de consument. Jean-Baptiste Say was de eerste die het belang van ondernemerschap voor de economie zonneklaar blootlegde.

Nu zijn politieke carrière tot het verleden behoorde, besloot Say om zelf ondernemer te worden. In Auchy-lès-Hedins, ten westen van de stad Arras (ofwel Atrecht), begon hij zijn eigen katoenspinnerij. Aanvankelijk verliepen de zaken zeer goed, maar wegens Napoleons protectionistische maatregelen zag Say zich in 1812 genoodzaakt zijn aandeel in het bedrijf te verkopen. Hij vertrok naar Parijs om actief te worden op de beurs. Toen de rol van Napoleon in 1814 uitgespeeld leek, achtte Say de kust veilig om een stevig herziene editie van zijn Traité uit te brengen. Deze uitgave vormde aanleiding voor een reis naar het Verenigd Koninkrijk in naam van de Franse regering. Naast het bestuderen van de Britse economie ontmoette Say daar prominenten als Thomas Malthus, James Mill, David Ricardo en Jeremy Bentham.

Wedergekeerd in zijn vaderland nestelde Say zich in het academische milieu. Hij publiceerde vele essays, polemieken en boeken. Zijn Cours complet d'economie politique pratique uit 1828 is de noemenswaardigste van deze serie geschriften. De politieke economie was in toenemende mate gefixeerd op de maximalisatie van welvaart, in dit werk benadert Say – in navolging van Adam Smith – de economische vraagstukken ook vanuit een moreel, politiek en sociologisch perspectief. In 1819 was Say benoemd tot hoogleraar aan Parijse universiteit Conservatoire national des arts et métiers. Later, iets langer dan een jaar voor zijn overlijden, zou hij nog een leerstoel krijgen in de politieke economie aan de prestigieuze Collège de France. Jean-Baptiste Say stierf op 15 november 1832 als liberaal econoom die vandaag de dag nog in de economieboeken te vinden is.

Niccolò Machiavelli
Liberalen
11
Nov
2020
Nov 9, 2020
Wilbert Jan Derksen

Geboren in het hart van de renaissance, de stadstaat Florence, heeft de diplomaat en filosoof Niccolò Machiavelli (1469-1527) een historische bijdrage geleverd aan de politieke theorie die tot op de dag van vandaag nog altijd veel wordt gelezen. Tijdens de renaissance werd Italië het epicentrum van een ware Westerse culturele revolutie. Naast kunst en architectuur ging men ook anders denken over zaken als religie en politiek.

Het leven van Machiavelli weerspiegelt de pragmatische visie die hij in zijn werken naar voren bracht. Nadat de machtige De’ Medici-familie uit Florence verdreven was, had Machiavelli een carrière als politicus en diplomaat in de herstelde republiek. Toen de De’ Medici-familie vervolgens de macht weer terug wist te veroveren, viel Machiavelli al snel in hun ongenade. Nadat de familie hem beschuldigde van samenzwering werd hij gevangengezet, gemarteld en uiteindelijk verbannen. In plaats van te blijven hangen in bitterheid en de stad zijn rug toe te keren, besloot Machiavelli juist zijn kennis van het politieke vak te tonen aan deze De’ Medici-familie in de vorm van een politiek traktaat. Hij schreef het werk tussen 1513-1515. Pas jaren na zijn dood zou het gepubliceerd worden onder de naam De vorst (1532).

In dit werk beschreef Machiavelli hoe een vorst dient te heersen, indien deze aan de macht wil blijven. Hij meende dat het cruciaal is om te erkennen dat een goede politicus iets anders is dan een goed (lees: moreel) mens, of specifieker, een goede christen. Een capabele heerser kan de christelijke waarden niet als uitgangspunt nemen van zijn handelen. In de politiek gaat het namelijk niet om de intenties, maar om de resultaten van daden. Effectiviteit weegt daarbij zwaarder dan barmhartigheid en andere christelijke deugden. Het doel heiligt dus de middelen, zo meende Machiavelli.  

Het is voor de vorst daarnaast veiliger om gevreesd te zijn dan geliefd, indien het zijn van beide niet mogelijk is. Angst is namelijk een effectiever en vooral stabieler machtsinstrument dan het appelleren aan sympathie. Dit was echter geen pleidooi voor tirannie. Integendeel, want de vorst moet wellicht gevreesd worden, maar nooit gehaat. Ook haat is namelijk een bedreiging voor de positie van de vorst. Een goede vorst is daarom streng, maar wel redelijk. Hard optreden is geen doel op zich, maar de vorst moet niet schromen meedogenloze maatregelen te treffen in situaties waar deze nodig zijn. Machiavelli meende tevens dat er in de politiek gehandeld moet worden aan de hand van hoe de wereld is, en niet hoe die zou moeten zijn. De harde realiteit en niet een levensbeschouwelijk ideaal geldt hierbij als leidraad. Hij verwierp het idealisme en wordt daarom als de grondlegger van de Realpolitik gezien.

In zijn wellicht minder bekende Verhandelingen over de eerste tien boeken van Titus Livius (1519) bouwde Machiavelli zijn ideeën over staatkunde verder uit. Hierin stond niet de vorst, maar juist de burger centraal. In overeenstemming met de tijdsgeest van de renaissance had hij een grote interesse in de klassieke geschiedenis. Hij bewonderde het model van de Romeinse Republiek en meende dat de republiek te verkiezen was boven de monarchie. In de republiek worden burgers namelijk actief betrokken bij de politiek en kunnen zij opkomen voor hun eigen individuele vrijheden. Hier is er sprake van een gezonde en duurzame balans tussen de belangen van de staat en het volk. Machiavelli onderstreepte daarbij het belang van burgerschap.

Waar De vorst eerder leest als een handboek voor het verkrijgen en behouden van macht, beschrijft Machiavelli in Verhandelingen waartoe deze macht hoort toe te dienen. Doordat hij echter vooral met het eerste werk geïdentificeerd wordt staat de term ‘Machiavellisme’ nog altijd voor manipulatief en immoreel handelen waarbij het verkrijgen van macht slechts een doel op zich is. Een onterechte karikatuur van zijn daadwerkelijke politieke gedachtegoed.

In verband met het liberalisme wordt Machiavelli vooral als een wegbereider gezien en niet als een liberaal pur sang. Zo rijmt zijn pleidooi voor een machtige staat met een sterke vorst niet met het nemen van het individu als uitgangspunt dat zo fundamenteel is binnen het liberale gedachtegoed. Desalniettemin vormen zijn ideeën over machtspolitiek en burgerschap belangrijke pijlers waar latere liberale denkers zich op zouden baseren. Zoals de renaissance de voorbode was van de Verlichting – toen het liberalisme pas echt tot ontwikkeling kwam – kan Machiavelli beschouwd worden als de voorloper van de liberalen die in de eeuwen later zouden volgen.

Frédéric Bastiat
Liberalen
10
Oct
2020
Oct 26, 2020
De liberaal van deze week is de Fransman Frédéric Bastiat. Zijn klassiek-liberale gedachtegoed vormt nog steeds een inspiratiebron voor vele liberalen over de wereld.

De Fransman Frédéric Bastiat leefde in een tijd die vele politieke omwentelingen kende. De Napoleontische tijd van zijn jeugd werd opgevolgd door een terugkeer van het ancien régime tijdens de Restauratie, de Julirevolutie van 1830 bracht de vooruitstrevende Lodewijk Filips I aan de macht, en uiteindelijke kwam er een definitief einde aan de Franse monarchie met de Februarirevolutie van 1848. Van deze politieke tumult zou Bastiat aanvankelijk niet veel meekrijgen. Hij bracht immers een groot deel van zijn leven door ver verwijderd van het politieke machtscentrum Parijs.

Op een warme zomerdag in 1801 werd Bastiat geboren te Bayonne gelegen nabij de Golf van Biskaje. Zijn vader Pierre genoot aanzien in de gemeenschap als succesvolle zakenman. Frédérics moeder stierf al op jonge leeftijd in 1808. Kort na de dood van zijn moeder verhuisde hij samen met zijn vader naar het familielandgoed in Mugron, een plaatsje verderop. De jonge Frédéric werd wees toen in 1810 ook zijn vader ter ziele ging. Door zijn tante werd hij naar een school gestuurd dicht bij Toulouse. Zijn opleiding hier maakte hij echter niet af omdat hij op zeventienjarige leeftijd ging werken in het familiebedrijf dat geleid werd door zijn oom.

Al gauw werd duidelijk dat de zakenwereld niet was weggelegd voor Bastiat. Hij kon zich hieruit terugtrekken toen hij met de dood van zijn grootvader het familielandgoed erfde. Nu zou Bastiat zich meer kunnen toeleggen op zijn intellectuele interesses. Met name de geschriften van economen Adam Smith en Jean-Baptiste Say maakten diepe indruk op de intellectueel in wording. Hij deelde deze interesses met zijn goede vriend Felix Coudroy. Samen bestudeerden ze boeken en ze daagden elkaar uit in scherpe discussies.

Nog steeds leefde Bastiat een vredig, teruggetrokken bestaan op het Franse platteland. In de tussentijd vond er een revolutie plaats in de hoofdstad. De conservatieve koning Karel X werd gedwongen om af te treden ten gunste van Lodewijk Filips I, die bekendstond als liberaalgezind. Deze wisseling van de macht had weinig effect op Frédérics persoonlijke leven. Er kwam wel een kleine verandering in zijn dagelijkse gang van zaken toen hij in 1831 werd benoemd tot vrederechter van Mugron. In deze functie sprak hij recht over kleine geschillen tussen burgers. Twee jaar daarna nam hij zitting in de raad van het departement Landes, vergelijkbaar met de Provinciale Staten in Nederland.

Na nog een aantal jaren in het zuidwesten van Frankrijk kwam er dan eindelijk een ommekeer in Bastiats leven. Via een Britse krant kreeg hij lucht van de vrijhandelbeweging die grote invloed had op het economisch denken in het Verenigd Koninkrijk. Geïnspireerd door deze beweging besloot Bastiat om essay te schrijven over de effecten van invoertarieven op de landen Frankrijk en Engeland. In 1844 stuurde hij zijn stuk op naar het toonaangevende tijdschrift Journal des economistes. Hoewel eerdere pogingen tot publicatie uitliepen op decepties, werd dit artikel een schot in de roos. In een klap werd de belezen provinciaal een bekende intellectueel in negentiende-eeuws Frankrijk. De artikelen die hij hierna op verzoek van verschillende tijdschriften schreef, werden algauw gebundeld in zijn werk Sophismes économiques.

In dit boek weerlegt Bastiat – vaak op spottende manier – protectionistische standpunten. Zo neemt hij de protectionisten op de hak met een verhaal over kaarsenmakers. De kaarsenmakers verzoeken de regering om een buitenlandse concurrent te blokkeren. Deze concurrent zou onder zulke voordelige omstandigheden licht kunnen produceren dat de kaarsenmakers volledig uit de markt worden geconcurreerd. De glimlach verschijnt op het gezicht van de lezer als diegene erachter komt dat deze ‘concurrent’ in feite de zon is. Met deze ironische schrijfstijl vergaarde Bastiat een groot lezerspubliek, terwijl hij tegelijkertijd werd gehekeld door de protectionisten.

Na Bastiats eerste succes als publicist leek het wel alsof al die jaren studeren zich in een keer uitbetaalden. In de navolgende jaren publiceerde hij een grote hoeveelheid aan geschriften. In de tussentijd voltrok zich de Februarirevolutie van 1848 die de Tweede Republiek van Frankrijk in het leven riep. Dit keer was Bastiat wel aanwezig in het hart van de politieke onrust. Nadat Parijs weer enigszins tot bedaren was gekomen, schreef hij aan zijn vriend Coudroy: “We hebben zoveel dingen uitgeprobeerd; wanneer zullen we het eenvoudigste proberen: vrijheid?”1 Zijn stellige overtuigingen deden Bastiat ertoe doen besluiten om zichzelf verkiesbaar te stellen als volksvertegenwoordiger. Nog in 1848 werd hij verkozen als afgevaardigde van het departement Landes. Op deze nieuwe positie bewees Bastiat zich als een onafhankelijk liberaal en bovenal als een fervent tegenstander van het opkomende socialisme.

Maar zowel de Tweede Franse Republiek als het leven van Frédéric Bastiat zouden niet lang meer voortbestaan. Bastiat leed al enkele jaren aan de ziekte tuberculose, in de herfst van 1850 vertrok hij naar Italië in een poging om te herstellen. Het mocht niet baten, hij overleed in december van datzelfde jaar in Rome. Zelfs in zijn laatste levensjaar schreef de Fransman nog meerdere werken waaronder zijn beroemdste werk La Loi. Het is een tirade tegen socialisme en een pleidooi voor vrijheid. Diep geïnspireerd door John Locke stelt Bastiat dat ieder mens het natuurlijke recht heeft – gegeven door God – om zijn persoon, vrijheid en eigendom te verdedigen. Deze rechten zouden op gespannen voet staan met socialisme. In klare taal beweert hij namelijk dat socialisme gelijk staat aan diefstal en dictatuur.

Het zal niemand verbazen dat Bastiat heden ten dage geldt als een inspirator voor liberalen over de gehele wereld. Al zijn geschriften – die hij in een relatief kort tijdbestek schreef – zijn doordesemd met één waarde: vrijheid. Pas toen deze waarde bedreigd werd, zag Bastiat een reden om zijn provinciaalse leven te verlaten. Vandaag de dag kan iedereen een voorbeeld nemen aan hoe deze Fransman vol overgave zijn idealen verdedigde.

Milton Friedman
Liberalen
09
Sep
2020
Sep 15, 2020
Wilbert Jan Derksen
De liberaal van deze week is Milton Friedman. Hij werd door The Economist beschreven als de meest invloedrijke econoom van de tweede helft van, en misschien zelfs wel de gehele 20e eeuw. Friedman was een sterk voorvechter van de vrije markt en zijn ideeën beïnvloedden het economisch beleid van landen wereldwijd.

Hij werd door The Economist beschreven als de meest invloedrijke econoom van de tweede helft van, en misschien zelfs wel de gehele 20e eeuw. Een statement dat veel zegt in een turbulente eeuw waarin een veelvoud aan zeer uiteenlopende economische theorieën door iconische economische denkers werden gepropageerd. De Amerikaanse econoom Milton Friedman was een sterk voorvechter van de vrije markt en zijn ideeën beïnvloedden het economisch beleid van landen wereldwijd.  

Friedman werd geboren in een Joods gezin te New York in 1912. Op de universiteit specialiseerde hij zich in wiskunde, en vervolgde later zijn studie in de economie. Hij werkte als academicus aan diverse universiteiten en kwam uiteindelijk terecht op de Universiteit van Chicago. In de naoorlogse periode domineerde de ideeën van het Keynesiaanse economische gedachtegoed. Friedman stelde deze aan de kaak en meende dat in plaats van correcties op de markt door middel van overheidsingrijpen, de markt zo veel mogelijk moest worden vrijgelaten. Hij pleitte voor een kleine overheid, deregulering van de markt en vrij zwevende wisselkoersen. In plaats van de vraagkant, moest juist de aanbodkant van de markt worden gestimuleerd.        

Friedman is de vader van het monetarisme. Hierin staat een focus op de vraag en het aanbod van geld centraal. De hoeveelheid geld in omloop is bepalend voor de economische activiteit in een land. Adequaat monetair beleid is essentieel voor het stimuleren van economische groei, en is dan ook een effectiever middel dan fiscaal beleid. Volgens Friedman is het bestrijden van inflatie op de lange termijn belangrijker dan het voorkomen van werkloosheid. Door de geldhoeveelheid te controleren kan inflatie beheerst worden. De centrale bank heeft daarmee een gewichtigere rol dan de overheid in het bevorderen van de economie.    

Het gedachtegoed dat werd onderwezen door Friedman en zijn collega’s op het economische departement van de Universiteit van Chicago stond bekend als de ‘Chicago-school’. Dergelijk vrijemarktdenken won aan populariteit vanaf midden jaren 70. Vooral vanaf de jaren 80 werd het een dominante stroming door het economisch beleid van de Amerikaanse president Ronald Reagan en Britse premier Margaret Thatcher. Voor beiden gold Friedman als adviseur. Ook in Chili werden de economische ideeën van Friedman door alumni van de Universiteit van Chicago, de zogeheten ‘Chicago boys’, in de praktijk gebracht. Een waar economisch wonder volgde in dat land, maar de associatie met de Pinochet-dictatuur zorgde voor controversie aan het adres van Friedman. Hij verdedigde zijn positie door te stellen dat dit economische succes ook de uiteindelijke democratische transitie in het land had gefaciliteerd. Friedman meende dan ook dat economische vrijheid een voorwaarde is voor politieke vrijheid, zoals hij ook beargumenteerde in zijn veelvuldig verkochte boek Capitalism and Freedom (1962).

In 1976 ontving hij de Nobelprijs voor Economie. Maar naast ideeën over economische theorie, had Friedman ook sterke overtuigingen over politieke kwesties. Een waardering van vrijheid als fundamentele waarde kan hier als leidraad in worden gezien. Zo pleitte hij voor legalisering van drugs en prostitutie, kwam hij op voor homorechten en was hij een voorstander van immigratie. Immigratie was echter niet verenigbaar met het moderne socialezekerheidsstelsel, stelde Friedman. In die zin meende hij dat de illegale immigratie van Mexicanen naar de Verenigde Staten een zegen was voor beide kanten, omdat de migranten geld konden verdienen, echter zonder aanspraak te kunnen maken op sociale zekerheid, en daarmee banen vervulden die Amerikanen zelf niet wilden uitoefenen.

Friedman verliet de Universiteit van Chicago in 1977, maar bleef daarna publiceren en verscheen regelmatig in televisieprogramma’s. Samen met zijn partner publiceerde hij in 1980 het boek Free to choose, waarop Friedman een gelijknamige 10-delige televisieserie over de vrije markt presenteerde. In de jaren 90 adviseerde hij onder meer het snel ontwikkelende China en verschillende landen in het postcommunistische Oost-Europa. In 2006 overleed Friedman op de respectabele leeftijd van 94 jaar.

Cornelis Willem Opzoomer
Liberalen
08
Aug
2020
Aug 20, 2020
De liberaal van deze week is de Nederlandse hoogleraar Cornelis WIllem Opzoomer. Opzoomer was een belangrijke pleitbezorger voor een overheid die zorgde voor vooruitgang in algemeen belang, zonder de vrijheid, veerkracht en ontwikkeling van het individu te belemmeren door vergaande staatsbemoeienis: een staat, in dienst van de vrijheid en ontwikkeling van het individu.

Cornelis Willem Opzoomer (1821-1892) heeft als hoogleraar, vrijdenker en auteur zijn stempel gedrukt op de 19e eeuw. Zijn nieuwsgierigheid bracht hem naar uiteenlopende disciplines: in zowel de filosofie, theologie, wetenschapskunde, als rechtsgeleerdheid publiceerde hij menig wetenschappelijk boek of artikel, vaak beïnvloed door het liberalisme. Daarnaast is hij onder hedendaagse juristen vooral bekend vanwege zijn toonaangevende, uitgebreide commentaren op de Nederlandse Burgerlijk Wetboeken. Opzoomer begon in 1839 aan zijn studie rechten, waar hij onder meer studeerde bij staatsman Johan Rudolph Thorbecke, die op dat moment aan Universiteit Leiden zetelde als hoogleraar diplomatie en moderne geschiedenis. In 1845 promoveerde Opzoomer aan de juridische faculteit met een proefschrift over natuurlijke verplichtingen.

Volgens Opzoomer was er een taak, of een zekere plicht, in het leven weggelegd voor ieder individu. Hij sprak zich daarom uit tegen ‘lichtzinnigheid’; men moest zich bewust zijn van zijn tijd en arbeid en dit ten goede toepassen. Wanneer iemand een stuk grond bewust onbenut liet, dan was dit een slechte daad. Het moreel handelen zou volgens hem niet volgen uit een zekere ‘plichtenleer’ zoals Immanuel Kant dit stelde. Juist omdat men samen leefde in de maatschappij, ofwel de samenleving, speelden de schoonheid, liefde en kunst ook een belangrijke rol in wat goed is om als individu na te streven. Ook hierom kende Opzoomer de rede, of wijsbegeerte, een belangrijke rol toe. Zij was het middel om het eindige en oneindige in het denken te benaderen.

Opzoomer over de maatschappij en de rol van de overheid

Waar hij dat kon, zette Opzoomer zich in voor maatschappelijke doelen. Zo werd hij voorzitter van de ‘Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’ en voorzitter van de Nederlandsche Protestantenbond, waar hij onder meer zondagsscholen opzette. Opzoomer was, net als Thorbecke, een aanhanger van het indertijd populaire ‘organische maatschappijdenken’. De organist gelooft dat de overheid onderdeel is van de ontwikkelende maatschappij als geheel, en publieke besluitvorming volgt uit maatschappelijke rijping. In Staatsregtelijk onderzoek stelde hij dat de essentie van de maatschappij ‘ligt in de veelheid, in de menigte der zamenlevende menschen, en tevens in de ongelijkheid, waardoor allen verschillende werkzaamheden waarnemen en zoo een organisme vormen'. Later zou hij ook een variant bieden op visie van de liberaal John Stuart Mill, wat betreft de rol van de overheid in de maatschappij.

Mill was, net als de liberale Jeremy Bentham, een utilitarist; de juiste keuze is datgene wat het grootste geluk voor de grootste hoeveelheid mensen oplevert. De overheid moest volgens Mill terughoudend zijn in haar inmenging en individuen vrijlaten om zich te kunnen ontplooien. Opzoomer zet zich in De Grenzen der Staatsmacht af tegen de (in de persoonlijke vrijheid belemmerende) voogdijstaat, Mills terughoudende rechtsstaat, en de organische staat die het natuurrecht verwezenlijkt. Hij pleitte hier voor zijn vierde positie, de positieve theorie. De Staat mag volgens Opzoomer ingrijpen in de maatschappij, maar slechts wanneer dit ten behoeve is van het algemeen belang, als ook om het geluk van individuen te dienen. Dit gaf de Staat dus iets meer macht dan Mill, maar slechts wanneer dit aan bepaalde, strikt liberale voorwaarden voldeed.

Om dit algemeen belang te kunnen dienen, moest iedereen zich bewust zijn van de geldende regels in het land. De primaire taak van de Staat was daarom om de wet te handhaven; hierdoor werd iedereen gehouden aan het algemeen belang, boven het eigenbelang. Pas secundair komen dan pas zaken als onderwijs en cultuur. Desondanks vond hij wel dat de Staat met name op het primair onderwijs een monopolie zou moeten hebben, juist om de onderwijsvrijheid te garanderen en te beschermen van de kerk. Hoewel dat hij voor zowel openbaar als bijzonder onderwijs was, moest algehele vooruitgang centraal staan in het onderwijs: geen catechisatie, althans niet centraal in het onderwijs. Verder onderwijs zou door burgers zelf ingericht dienen te worden, mits de wijsbegeerte in het hoger onderwijs een plek kreeg. Opzoomer werd daarmee een belangrijke pleitbezorger voor een overheid die zorgde voor vooruitgang in algemeen belang, zonder de vrijheid, veerkracht en ontwikkeling van het individu te belemmeren door vergaande staatsbemoeienis: een staat, in dienst van de vrijheid en ontwikkeling van het individu.

Thomas Paine
Liberalen
08
Aug
2020
Aug 6, 2020
Patrick van Schie
De liberaal van deze week is de in Engeland geboren activist Thomas Paine. Paine populariseerde met succes nieuwe ideeën uit de Verlichting en zette ze om in een activistisch programma. Voor alles was hij een pamflettist. Weinigen hebben met de publicatie van een pamflet zoveel invloed op de geschiedenis uitgeoefend.

Thomas Paine was noch filosoof noch politicus maar zorgde wel op beide vlakken voor een nalatenschap. Hij was een Engelsman maar het was in Amerika dat hij de meeste invloed uitoefende en in Frankrijk dat hij toch eventjes de actieve politiek betrad. Paine populariseerde met succes nieuwe ideeën uit de Verlichting en zette ze om in een activistisch programma. Voor alles was hij een pamflettist. Weinigen hebben met de publicatie van een pamflet zoveel invloed op de geschiedenis uitgeoefend.

Thomas Pain (nog zonder e; die voegde hij er later zelf in Amerika aan toe) werd in 1737 geboren in het Engelse Thetford, gelegen tussen Cambridge en Norwich. Veel scholing genoot hij niet. Van zijn vader leerde hij het vak van het maken van korsetten. Beroepsmatig had hij weinig succes en nadat zijn tweede huwelijk vrij snel strandde (eerder was zijn eerste vrouw na één jaar huwelijk gestorven) vertrok hij in 1774 naar Amerika.

Thomas kwam aan in koloniën waar het broeide. Groot-Brittannië legde het gebied zwaardere lasten op, in ruil waarvoor de kolonisten op zijn minst meer zeggenschap wilden. De Britse regering toonde zich onverzettelijk en was erop uit de lastige koloniën een lesje te leren. Juist op een moment waarop de kolonisten met elkaar overhoop lagen over de vraag of zij op verzoening moesten blijven koersen of op afscheiding van het moederland, wierp Thomas Paine – nog maar 14 maanden in Amerika vertoevend – in januari 1776 een pamflet in de strijd: Common sense.

Het pamflet, tientallen pagina’s lang, vond gretig aftrek: in een paar maanden tijd bereikte de oplage een half miljoen exemplaren (in een gebied met 2½ miljoen inwoners). Paine’s vlotte pen hielp hem daarbij geweldig. En Paine nam ferm stelling. De tijd van compromissen was voorbij. ‘But Britain is the parent country, say some. Then the more shame upon her conduct. Even brutes do not devour upon their young, nor savages make war upon their families’. Paine riep de kolonisten ertoe op het heft in eigen handen te nemen. Al was het maar omdat alleen dan op steun van andere landen, zoals Frankrijk of Spanje, kon worden gerekend. Die zouden niet bereid zijn om rebellen te steunen, maar wel een onafhankelijk land tegen hun aartsrivaal Groot-Brittannië.

Voor- en tegenstanders erkenden dat Paine met zijn pamflet de voorstanders van onafhankelijkheid de wind in de rug gaf. Maar het boekje bevat tevens tal van tijdlozere passages. Zelf schreef Paine al in de inleiding: ‘The cause of America is in a great measure the cause of all mankind.’ Zijn aanklacht tegen het bewind van de Britse koning George III was een aanklacht tegen elke monarchie. Paine was een republikein; hij verwierp en bespotte het bestuur van een land door middel van erfopvolging. Monarchie stond in de toenmalige debatten echter ook voor een stelsel dat alle macht in handen van één persoon concentreerde. Nergens anders behoorde het bestuur te berusten dan bij de burgers zelf. Of bij hun vertegenwoordigers, maar die hadden nooit het recht dit zelfbestuur weg te geven. Waar vorsten oorlog voerden en hun onderdanen daarvoor zware lasten oplegden, waren republieken op handel en dus op vrede gericht, beweerde Paine (hetgeen vele negentiende-eeuwse liberalen hem zouden nazeggen). Tot twee keer aan toe wees hij op de Nederlandse Republiek als voorbeeld van zo’n vreedzaam en welvarend land.

Met een serie pamfletten genaamd The Crisis bleef Paine de Amerikanen na hun Onafhankelijkheidsverklaring aanvuren. In 1787 keerde hij terug naar Europa. Hij verbleef onder meer een week lang vriendschappelijk op het landgoed van Edmund Burke, een Iers politiek denker die in het Britse parlement zat. Diens in 1790 gepubliceerde boek vol waarschuwingen tegen de Franse Revolutie, zette Paine aan tot zijn tweede beroemde werk: Rights of Man. Het verscheen in twee delen: het eerste in maart 1791, het tweede in februari 1792.

Rights of Man bevat níet, zoals veel verklaringen uit die tijd, een lijst vol mensen- en burgerrechten. Een beetje verstopt zit wel een drietal van zulke artikelen, maar het boekje begint met een tirade tegen Burke. Waar haalt hij om te beginnen het recht vandaan om als Engelsman de Fransen de les te lezen [de ironie dat Paine zélf als Engelsman zich intensief met de Amerikaanse zaken had bemoeid, die volgens zijn eigen betoog geen Engelse zaken waren, ontging hem]. Maar vooral viel Paine Burke aan op de gedachte dat tradities moesten worden vereerd en gekoesterd. De traditie van het koningschap berustte op geen enkele rechtsgrond, stelde Paine, doch uitsluitend op verovering. Om zijn macht vervolgens te behouden pleegde een vorst ‘roof’, die neutraal werden voorgesteld als ‘inkomsten’. In Rights of Man herhaalde Paine verder veel van zijn betoog uit Common sense, al voegde hij er ook enkele nieuwe elementen aan toe. Opnieuw stelde hij bijvoorbeeld dat volksvertegenwoordigers vrijheid en zelfbestuur van de burgers niet mochten weggeven. Nu voerde hij aan dat komende generaties daar evenveel recht op hadden, en dat de (dan inmiddels overleden mensen) niet over de levenden mochten regeren. ‘Holland’ komt overigens weer drie keer in Rights of man voor, zij het niet langer louter in positieve zin. Ja, de Republiek der Zeven Provinciën werd nog altijd als vreedzaam voorgesteld, al zat zij belabberd in elkaar en al was het erfelijk stadhouderschap een kwalijk element.

Paine moest na deze publicatie uitwijken naar het revolutionaire Frankrijk, waar hij zelfs afgevaardigde in de Nationale Vergadering werd. Hij sprak zich daar uit tegen de executie van Lodewijk XVI. In Rights of Man had hij al betoogd dat hij zich niet tegen diens goedaardige persoon maar tegen het instituut keerde, en hij herinnerde de Fransen er nu aan dat Lodewijk XVI het revolutionaire Amerika had gesteund. Zijn pleidooi was vergeefs en zelf belandde Paine onder Robespierre in de gevangenis. Zo werd hij pijnlijk geconfronteerd met zijn ongelijk uit Rights of Man waar hij had beweerd dat de Franse Revolutie zo weinig slachtoffers had gekost. Dat klopte in 1791 ook nog wel, maar Burke bleek toch vooruitziender. In de gevangenis schreef Paine een groot deel van The age of reason, een werk dat hem ten onrechte het stigma atheïst bezorgde (destijds een vreselijke beschuldiging, maar het was ook niet waar: Paine was deïst). De val van Robespierre redde Paine van een executie. In 1802 keerde hij terug naar de Verenigde Staten, waar hij zeven jaar later in betrekkelijke eenzaamheid stierf.

Paine geldt als een radicaal. Dat was hij ook zeker: republikein, deïst, fel in zijn bewoordingen, direct in zijn opvattingen. Maar zijn ideeën waren bij uitstek klassiek-liberaal. Hij wantrouwde de staat, die diende zo min mogelijk macht te hebben. Samenleving en staat dienden goed te worden onderscheiden: heel veel kon de samenleving zelf prima doen, zonder dat de staat daar in positieve zin iets aan kon bijdragen. Staatsinterventie werkte meestal juist negatief. En de staat eiste belastingen op. Burgers konden die gelden beter zelf besteden.

Anders dan in Common sense eindigde Paine’s Rights of man met een pleidooi om het geld dat kon worden bespaard door de monarchie met haar geldverslindende oorlogen af te schaffen, deels aan de armen te verstrekken. Enerzijds wilde hij zo de jeugd uit arme gezinnen goed onderwijs bieden, zodat zij zelfstandige personen zouden worden. Anderzijds bepleitte hij een ouderdomspensioen, van £ 6,- per jaar voor armlastige 50-plussers (als de lichaamskrachten al wat afnemen) en £ 10,- per jaar voor armlastige 60-plussers van wie arbeid niet langer mocht worden verwacht. Dit was voor die tijd erg vooruitstrevend, maar geen uiting van socialisme.

Paine achtte zowel eigendom als handel essentieel voor een gezonde samenleving. Geen betere armenzorg dan verlaging van hun belastingen, vond hij. Een regering is een noodzakelijk kwaad. Haar belangrijkste taak is de vrijheid, de eigendommen en de veiligheid van de burgers te waarborgen. Ongelijkheid tussen burgers was in het geheel niet onrechtvaardig maar, zo schreef hij in 1795, het gevolg van ‘industry, superiority of talents, dexterity of management, extreme frugality, and fortunate opportunities’.

David Ricardo
Liberalen
07
Jul
2020
Jul 9, 2020
De liberaal van deze week is de Britse econoom David Ricardo. In 1817 publiceerde Ricardo The Principles of Political Economy and Taxation. In dit werk ontwikkelt hij het idee van comparatieve voordelen dat gezien wordt als een pleidooi voor vrijhandel.

De Britse politiek-econoom David Ricardo werd in 1772 geboren in een gezin van Spaans-Joodse komaf. Zijn vader was als een handelaar actief op de Londense beurs. Al op zijn veertiende, na kort onderwijs te hebben gevolgd in Nederland, werd Ricardo opgenomen in zijn vaders bedrijf. In deze periode deed Ricardo ervaringen op die hem een vernuftig beurshandelaar zouden maken. Deze talenten kwamen hem goed van pas toen hij brak met zijn familie wegens zijn huwelijk met een niet-joodse vrouw. De op zichzelf aangewezen Ricardo wist een klein kapitaal om te toveren in een groot fortuin, waarmee hij zich als dertiger al tot de succesvolste financiers van Londen kon betitelen.

Zijn interesse in economische theorie en politiek werd pas op latere leeftijd aangewakkerd. Toen hij in 1799 The Wealth of Nations van Adam Smith las, begon hij zich meer en meer te ontwikkelen tot een politiek-econoom. Door deze nieuwe belangstelling kwam hij in contact met Britse intellectuelen. Hij raakte bevriend met James Mill (de vader van John Stuart Mill), Jeremy Bentham en later met de meest bejubelde econoom van zijn tijd: Thomas Malthus. Aangemoedigd door zijn nieuwe vrienden begon Ricardo essays en pamfletten te publiceren. Deze trokken de aandacht van figuren uit de politieke elite, waardoor Ricardo zich vestigde als een autoriteit op het gebied van politieke economie. In 1817 publiceerde Ricardo zijn eerste én laatste boek: The Principles of Political Economy and Taxation. In dit werk ontwikkelt hij het idee van comparatieve voordelen dat gezien wordt als een pleidooi voor vrijhandel.

Nadat Ricardo een fortuin had verworven en naam had gemaakt als intellectueel was het tijd voor een nieuwe carrièrestap: de politiek. In 1819 nam Ricardo zitting in het Britse Lagerhuis door een zetel te kopen, zoals dat ging in zijn tijd. Als politicus bewees hij zich als liberaal. Hij streed onder andere voor een uitbreiding van kiesrecht, grotere persvrijheid en gelijke rechten voor katholieken. Op economisch terrein onderscheidde Ricardo zich door zijn betogen voor lagere importtarieven op graan, een standpunt dat impopulair was bij landeigenaren. Verder was hij kritisch ten aanzien van de Bank of England en pleitte hij voor hogere vermogensbelastingen. Met deze standpunten liet hij duidelijk het algemeen belang prevaleren boven zijn eigen belang. Ricardo was namelijk een landeigenaar, aandeelhouder in de Bank of England en een vermogend man. Veel tijd kreeg de liberaal niet om het publiek belang te dienen, hij stierf in 1823 als 51-jarige.

Comparatieve voordelen

Het hoofdstuk uit The Principles over buitenlandse handel is het meest bekend geworden. Hierin werkt Ricardo het idee van comparatieve voordelen uit. Hij schetst een situatie waarin Portugal efficiënter is dan Engeland zowel in de productie van wijn als in de productie van kleding. Daarnaast is de wijnproductie van Portugal efficiënter dan zijn eigen kledingproductie. Als Portugal zich toelegt op de productie van wijn en Engeland op de productie van kleding, dan kunnen beide landen profiteren bij wederzijdse handel. De Portugezen en de Engelsen bereiken dan samen een hogere productie en welvaart dan wanneer vergeleken met de situatie zonder vrijhandel. Engeland zal echter niet geneigd zijn om zelf kleding te produceren als het goedkoper ingevoerd kan worden vanuit Portugal. Maar, zo laat Ricardo zien, dit probleem lost zich vanzelf op. De geldstroom die van Engeland naar Portugal vloeit, heeft tot gevolg dat de prijzen in het eerstgenoemde land zullen dalen en in het laatstgenoemde land zullen stijgen. De prijzen bereiken hierdoor een punt waarop het voor beide landen voordelig is om handel met elkaar te drijven.

Nalatenschap

Ricardo’s ideeën waren van grote invloed op het economisch denken van zijn tijd. Aanvankelijk was de Britse publieke opinie nog voor een protectionistische overheid, maar langzamerhand lieten steeds meer mensen dit standpunt los. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de Corn Laws van 1815 en de afschaffing van deze importtarieven op graan in 1846. Dit had tot gevolg dat voedsel en arbeid goedkoper werden, waardoor de Britten hun voortrekkersrol in de industriële revolutie nog vijf decennia konden volhouden.

Ricardo wordt herinnerd als een klassiek econoom. Hij behoort tot de pioniers op het gebied van kapitalisme. Zijn toewijding aan de democratie, de vrije markt en individuele vrijheid maakt hem tot een waar liberaal.

Jan Kappeyne van de Coppello
Liberalen
06
Jun
2020
Jun 25, 2020
Patrick van Schie
De liberaal van deze week is Jan Kappeyne van de Coppello. Zijn naam zal tegenwoordig weinig herkenning oproepen. Najaar 1874 diende Jan Kappeyne van de Coppello zich echter aan met een redevoering in de Tweede Kamer die indruk maakte. Zijn herijking van het liberalisme bevatte een pleidooi voor een grotere rol van de staat.

‘Zijn voordracht interesseert meer dan dat ze bekoort, ze is meer een politieke handigheid dan een oratorische kunstvaardigheid: het is verstandswerk zonder kunst.’1 Deze typering gegeven door parlementair journalist Frans Netscher kan gelden als kritiek maar ook als lof. Zonder effectbejag was de beschreven politicus, Jan Kappeyne van de Coppello, gewend om feitelijk doorwrochte toespraken te houden. Een man die niet om uiterlijkheden gaf. Maar wel een vooraanstaande Nederlandse liberaal.

Zijn naam zal tegenwoordig weinig herkenning oproepen. Iets oudere VVD’ers kennen waarschijnlijk wel de naam Kappeyne van de Coppello, maar zij zullen dan denken aan Annelien, een kleurrijk VVD-Tweede Kamerlid uit de jaren zeventig. ‘Rooie Lien’, naar haar haarkleur maar tevens vanwege haar binnen de VVD linksige positie, was familie van Jan, maar zij was geen directe nazaat. De negentiende-eeuwer Jan had (voor zover bekend) geen nageslacht; hij was vrijgezel. En hij was leider van een kabinet, wat wij nu zouden noemen premier.

Tussen 1848 en 1872 was de Nederlandse politiek gedomineerd door Thorbecke. Er waren zeker ook andere belangrijke liberalen maar die vielen (in de geschiedschrijving al helemaal) in diens schaduw. Toen de grote liberale leider in 1872 vrij plotseling overleed, kwam de vraag op wie in zijn schoenen zou kunnen staan. Samuel van Houten had inmiddels naam gemaakt als criticaster van Thorbecke, maar dit toen nog jonge Kamerlid gold (destijds) als veel te radicaal. Hij was bovendien te veel een Einzelgänger om de nieuwe liberale voorman te kunnen worden.

Pleidooi voor herijking van het liberalisme

Najaar 1874 diende Jan Kappeyne van de Coppello zich echter aan met een redevoering in de Tweede Kamer die indruk maakte. Zijn herijking van het liberalisme bevatte een pleidooi voor een grotere rol van de staat, die als meer dan ‘bloot justitiaris’ zou moeten optreden. Om bijvoorbeeld besmettelijke ziektes tegen te gaan (!), infrastructurele werken aan te leggen en ‘hoogere beschaving’ (onderwijs) te brengen diende de staat ‘op onbekrompene wijze’ in te springen. Overigens gold dit wat hem betreft evenzeer voor ’s-lands defensie. Kappeyne wilde een (toen nog niet bestaande) algemene dienstplicht (voor mannen) want: ‘Men heeft leeren inzien dat een volk, zal het aanspraak kunnen maken op de erkenning zijner nationale onafhankelijkheid, deze zelf moet weten te verdedigen, zijne eer moet kunnen handhaven, en zijn grenzen beschermen.’2

Na deze redevoering die hij afsloot met een oproep te strijden voor de eigen, maar wel bij de tijd gebrachte liberale beginselen werd Kappeyne van de Coppello alom gezien als de ‘liberale leader’ (de term laat zien hoezeer men daarbij naar het Britse voorbeeld keek). In 1877 kon hij zijn eigen kabinet vormen. Uit die periode komt zijn grootste historisch faam, die hij nu opmerkelijk genoeg meer onder confessionelen geniet dan onder liberalen. Maar de confessionelen schilderen de onderwijswet van Kappeyne van de Coppello niet af als iets fraais doch als een groot kwaad. Kappeyne verhoogde in zijn wet de kwaliteitseisen gesteld aan het lager onderwijs aanzienlijk. Hij stelde daarvoor ook beduidend meer geld beschikbaar, maar dat was wel alleen bestemd voor openbare scholen. Bijzondere scholen werden in die tijd nog niet uit de staatskas gefinancierd.

Confessionelen zagen de wet om die reden niet als een kwaliteitsimpuls, wat hij wel was, maar als een list om hun bijzondere scholen op religieuze grondslag een spaak in het wiel te steken. Dat het extra geld alleen naar de openbare school behoorde te gaan, had Kappeyne in zijn toespraak van 1874 al aangekondigd: ‘Men spreke niet van concurrentie want mijns inziens is deze evenmin denkbaar tusschen particulier en openbaar onderwijs, als tusschen regtspraak door scheidslieden en die tusschen regters van den Staat.’3

Aan Kappeyne’s leiderschap kwam kort hierop een einde, niet omdat er onder liberalen weerstand leefde tegen zijn schoolpolitiek maar het geschiedde nadat in maart 1879 een Kanalenwet van een collega-minister werd verworpen; het ging om een (voorloper van het) Amsterdam-Rijnkanaal. Kappeyne gaf onverwacht en zonder dat de andere ministers daar iets van wisten te kennen dat hij uitsluitend wilde aanblijven indien het kabinet zich aan een grondwetsherziening kon zetten. Dit leidde tot de val van zijn kabinet en tot een verdeeldheid die de liberalen pas twaalf jaar later te boven zouden komen.

Uiteindelijk bleek Kappeyne dus, net als Van Houten, te veel een Einzelgänger om de liberalen bijeen te kunnen houden. Als Tweede Kamerlid had hij, het is hierboven al kort aangestipt, reeds de neiging zich weinig van anderen aan te trekken. Zo ging over hem het verhaal dat hij een wetsvoorstel liefst bestudeerde direct na het opstaan wat was ‘als de zon al hoog aan den hemel staat’. Na een haastig ontbijt begaf hij zich ‘in een zeer wit en luchtig négligé naar zijn studeerkamer, waarvan de tafels leeg, maar de vloer met boeken en stukken bezaaid moet wezen. Dan strekt hij zich lang-uit op den grond neêr, steunt het hoofd met den arm, die met de elleboog op den grond staat, trekt de noodige papieren naar zich toe en verdiept zich in de studie van de hoogste belangen van den Staat – een positie, die heel sterk denken doet aan de bekende houding van de boetedoende Magdalena van Corregio, die op den grond ligt te lezen, of aan de geliefkoosde manier, waarop Diogenes in zijn ton de waereld en de menschen bestudeerde.’4

Eind jaren tachtig/begin jaren  negentig was Kappeyne nog 5½ jaar lid van de Eerste Kamer. Gevoegd bij zijn (slechts) tweejarig ministerschap en voordien tien jaren als lid van de Tweede Kamer, is hij al met al 17½ jaar in de nationale politiek actief geweest.

Zijn betekenis ontleent hij niet aan dit aantal jaren, in die tijd overigens niets bijzonders, maar aan zijn omlijning in 1874 van een nieuw soort liberalisme, hetgeen als ‘jong-liberalisme’ bekend is komen te staan. Zijn schoolwet bracht bovendien daadwerkelijk verbetering in het onderwijspeil. En hij hield in zijn onderwijspolitiek vast aan een zuivere scheiding tussen kerk en staat, welke na de Pacificatie van 1917 uit de Nederlandse politiek verdween. In zijn rede van 1874 had hij al voor de opkomst van de kerkelijke partijen met hun ‘geest van behoud, verzet en stilstand’ gewaarschuwd. Hij ging ervan uit dat de liberalen door pal te staan voor hun beginselen die strijd zouden winnen.

Sommigen hebben hem verweten dat hij de confessionelen met zijn onderwijspolitiek nodeloos tegen zich in het harnas heeft gejaagd en hen daardoor de wind in de zeilen heeft gegeven. Zelf zou hij eerder in het onvoldoende strijdbaar opkomen voor de eigen beginselen van zijn mede-liberalen de oorzaak hebben gezien van de confessionele heerschappij die de Nederlandse politiek een groot deel van de twintigste eeuw beheerste.

Ayn Rand
Liberalen
06
Jun
2020
Jun 16, 2020
Fleur de Beaufort
De liberaal van deze week is schrijver en filosoof Ayn Rand. De nadruk op het individualisme loopt als een rode draad door haar werk. De onderdrukking van het individu door het collectief, de staat of de heersende opinie was Rand een doorn in het oog.

Op 2 februari 1905 kwam Alissa Zinovievna Rosenbaum – bekend geworden onder het pseudonym Ayn Rand – in St. Petersburg ter wereld als oudste dochter van Zinovy Zaccharovich Rosenbaum en Anna Borisovna Rosenbaum. Het gezin Rosenbaum – de 2 zusjes Natasha en Nora maakten het gezin compleet – behoorde tot de gegoede middenklasse en was van oorsprong joods, al beschouwden Rand’s ouders zich als agnost. Vader kreeg als scheikundige en succesvol farmaceut het privilege zich met zijn gezin buiten de joodse wijk in St. Petersburg te vestigen.

Al op jonge leeftijd kreeg Rand een grote interesse in boeken en films en begon ook zelf te schrijven. Romantici als Sir Walter Scott, Alexandre Dumas en Victor Hugo behoorden tot haar jeugdhelden. Toen Rand 12 jaar was brak de Russische Revolutie uit en confisqueerden de Bolsjewieken de apotheek van klassenvijand Rosenbaum, die daarop met zijn gezin naar de Krim vluchtte, om in 1921, nadat het schiereiland ook in handen van de Bolsjewieken was gevallen, tegen beter weten in terug te keren naar St. Petersburg. Daar ging Rand filosofie en geschiedenis studeren en kwam zij onder andere in aanraking met de werken van de Fransman Edmond Rostand, de Rus Fyodor Dostojevki en de Duitsers Friedrich Schiller en Friedrich Nietzsche. De laatste bewonderde zij vanwege zijn verheerlijking van het heroïsche en onafhankelijke individu in Also sprach Zarathustra. In 1924 sloot Rand haar studie succesvol af, waarna zij aan het Staatsinstituut voor filmkunst begon aan een opleiding tot scriptschrijver.

In 1925 kreeg Rand een visum voor bezoek aan verwanten in de Verenigde Staten. Ze arriveerde februari van het jaar daarop in New York en besloot, na een verblijf bij haar verwanten in Chicago, niet terug te keren naar Rusland. In plaats daarvan vertrok zij richting Hollywood om haar geluk als scriptschrijver te beproeven. In die tijd begon Alissa Rosenbaum zich structureel van het pseudoniem Ayn Rand te bedienen.1 Het is een hardnekkig fabeltje dat dit pseudoniem afkomstig is van de Remington Rand-typemachines. De firma Remington Rand begon echter pas in 1927 met het maken van typemachines en tot 1930 bestond er zelfs geen machine met die naam. Volgens een andere verklaring lijken de cyrillische letters van Rosenbaum op de romaanse letters Randayn en zou dat voor Rand aanleiding geweest zijn het pseudoniem Ayn Rand te kiezen.2

In Hollywood accepteerde Rand allerlei baantjes om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Al snel leerde ze de jonge acteur Frank O’Connor kennen, met wie ze in 1929 trouwde. Twee jaar later werd Rand officieel Amerikaans staatsburger. In die tijd begon Rand – naast de diverse andere baantjes – met het schrijven van scripts. Even leek ze succes te hebben toen Universal Studios het script Red Pawn kocht in 1932 met de intentie Marlene Dietrich de hoofdrol te laten spelen. Het project strandde vanwege de toenmalige desinteresse in anti-Sovjet thematiek. Meer succes verwierf Rand met het toneelstuk Night of January 16th, dat zich afspeelt in een rechtszaal, waarbij het publiek de jury mag vormen en er dus verschillende eindes denkbaar zijn. Het stuk was in 1935-36 de hit op Broadway, maar zou tevens het enige succesvolle toneelstuk van Rand zijn.

Naast het schrijven van scripts begon Rand zich in de jaren ’30 op het schrijven van romans te richten. Haar eerste roman We the living verscheen in 1936 en was tot op zekere hoogte biografisch. In deze eerste roman komt Rand’s afkeer van het communistische juk waar zij in haar jeugd mee te maken kreeg duidelijk naar voren. Het was echter niet haar bedoeling een verhaal over Sovjet Rusland te schrijven, maar over het individu tegenover de staat. ‘We the living is not a story about Soviet Russia in 1925. It is a story about Dictatorship, any dictatorship, anywhere, at any time, whether it be Soviet Russia, Nazi Germany, or – which this novel might do its share in helping to prevent – a socialist America.’3

Individualisme

Deze nadruk op het individualisme loopt als een rode draad door het werk van Ayn Rand. De onderdrukking van het individu door het collectief, de staat of de heersende opinie is Rand een doorn in het oog. Als de studenten in We the living een uitgebreide vragenlijst moeten invullen om hun verblijf aan de universiteit van St. Petersburg veilig te stellen wordt pijnlijk duidelijk dat afkomst en aanpassingsvermogen aan het collectief belangrijker zijn dan het individuele intellectuele vermogen.

De mens als zodanig heeft eigenlijk helemaal geen individueel bestaansrecht, maar moet zich voortduren aanpassen aan het collectief en zijn individuele kwaliteiten volledig ten dienste stellen van het grotere geheel. Als ‘Comrade Kovalensky’ het ‘vriendelijke’ verzoek krijgt zijn talenkennis – ‘ as strictly voluntary gift to the state’ – in te zetten voor een gratis avondeducatie voor fabrieksarbeiders, weigert hij met de opmerking dat hij zich sinds de revolutie geen enkel cadeau voor zichzelf of zijn omgeving heeft kunnen veroorloven. ‘Comrade Kovalensky, did it ever occur to you to consider what we think of men who merely work for their pay and take no part in social activity in their spare time? – Did it ever occur to you that I have a life to live in my spare time? – […] The Soviet State recognizes no life but that of a social class.’4

In haar tweede roman – de novelle Anthem – creëerde Rand een fictieve wereld waar alle individualiteit is verbannen. Deze verbanning wordt pijnlijk duidelijk gemaakt in de volledige verdwijning van het woord ‘ik’. Baby’s krijgen standaard namen met een nummer – de hoofdpersoon heet Equality 7-2521 – worden in staatsscholen opgevoed en krijgen een taak in de samenleving toegewezen. Equality 7-2521 lijdt aan de afwijking dat hij graag kritisch denkt, dingen in twijfel trekt en zich niet zonder meer wil opofferen aan anderen of het collectief. Hoewel Equality 7-2321 uitblinkt in wis- en natuurkunde en dolgraag wetenschapper zou worden, is hij vanwege zijn ‘afwijking’ ingedeeld bij de straatvegers.5

De doorbraak van Rand bij het grote publiek kwam met het verschijnen van de roman The Fountainhead. Maar liefst 12 uitgevers hadden de roman afgewezen als te intellectueel en onvoldoende passend in de mainstream. Ironisch genoeg was dit nu net het conformisme waar Rand tegen vocht en waar haar roman voor een belangrijk deel over ging. De hoofdpersoon in de roman, Howard Roark, is een architect die weigert zijn artistieke en persoonlijke visie aan de heersende opinie en artistieke mode te onderwerpen. Hij blijft trouw aan zichzelf ook als dit betekent dat hij van de school van architectuur wordt gestuurd, weinig opdrachten binnenhaalt, bij tijd en wijle bijna aan de bedelstaf raakt en zich genoodzaakt ziet in een steengroeve te werken om in zijn levensonderhoud te voorzien en zelfs moet toezien hoe een bijna door hem voltooid bouwwerk te gronde wordt gericht door de opdrachtgever. Roark weigert zich aan te passen. Als de decaan van z’n opleiding hem tijdens een gesprek over zijn opleiding vraagt ‘Do you mean to tell me that you're thinking seriously of building that way, when and if you are an architect?’, beaamt Roark dat. Op de vraag ‘my dear fellow, who will let you?’, antwoordt Roark zelfverzekerd: ‘That's not the point. The point is, who will stop me?’6

In 1957 wist Rand het succes van The Fountainhead te evenaren met haar vuistdikke roman Atlas Shrugged. Het boek werd voor het eerst gepubliceerd in 1957 – de eerste druk bestond uit 100.000 exemplaren en sedertdien werden wereldwijd meer dan zeven miljoen exemplaren verkocht – en zou tevens haar laatste roman worden. Vandaag de dag wordt de roman meer dan eens gezien als de bijbel van de libertariërs. Opnieuw richt Rand zich in haar roman, die zowel een utopie als dystopie is, tegen collectivistisch overheidsbeleid. Het zijn de ondernemers die de economie draaiende houden en daarbij al te zeer worden gehinderd door de collectivistische neigingen van de overheid. Zodra ondernemers – de dragers van de economie – gaan staken, verdwijnt het fundament onder de economie en stort deze ineen. Collectivisme richt aldus de maatschappij te gronde. De rol van de overheid dient beperkt te blijven tot het garanderen van veiligheid.

Objectivisme

Met haar romans legde Rand de basis voor haar filosofie, een stroming die zij het objectivisme noemde. Het objectivisme beschouwt de mens als een heroïsch wezen. Het hoogste ethische doel ligt voor mensen in het nastreven van het eigen geluk, waarbij de rede als enige leidraad fungeert. De invulling van het eigen geluk laat Rand uiteindelijk toch niet helemaal aan het individu over, want productieve prestatie wordt binnen het objectivisme als de nobelste activiteit gezien, een activiteit die niet belemmerd mag worden door collectief ingrijpen.

Aan de basis van het objectivisme ligt de individuele vrijheid, die bij Rand welhaast absoluut is. Iedere vorm van dwang is uit den boze, tenzij deze dwang als vergelding wordt gebruikt tegen degenen die dwang initieerden, cq de individuele vrijheid van anderen belemmerden. Voor Rand zijn veiligheid – binnenlands (politie) en buitenlands (defensie) – en rechtspraak de enige taken die overheid toekomen. In feite pleit zij daarmee voor een nachtwakersstaat. Bovendien meent Rand dat een meerderheid nooit de vrijheden van een minderheid mag inperken, enkel en alleen op basis van die meerderheid. Het gaat immers om individuele rechten, waarbij daadwerkelijk ieder individu telt. ‘Do not make the mistake of the ignorant who think that an individualist is a man who ways: “I’ll do as I please at everybody else’s expense.” An individualist is a man who recognizes the inalienable individual rights of man – his own and those of others. An individualist is a man who says: “I will not run anyone’s life – nor let anyone run mine”.7

Benjamin Constant
Liberalen
05
May
2020
May 30, 2020
Wilbert Jan Derksen
De liberaal van de week is de Zwitsers-Franse politicus en schrijver Benjamin Constant (1767 - 1830). Constant verafschuwde als liberaal de uitwassen van de Franse Revolutie. De staat pleegde met een beroep op Rousseau’s volkswil grove inbreuken op het privéleven.

De Zwitsers-Franse politicus en schrijver Benjamin Constant leefde tijdens een van de meest turbulente periodes uit de Europese geschiedenis. Hij werd geboren in 1767 in Lausanne, gelegen in het Franstalige deel van Zwitserland. In zijn jongere jaren bereisde hij het Europese continent, waarna hij zich vestigde in Frankrijk. Niet lang daarvoor had zich de Franse Revolutie (1789) voltrokken. Constant zag hoe deze revolutie een einde bracht aan het ancien régime, maar vervolgens uitmondde in de Terreur en uiteindelijk een militaire dictatuur onder Napoleon.

Constant meende dat ondanks dat deze regimes verschillende doelstellingen hadden, zij alle drie met elkaar gemeen hadden dat zij individuele vrijheid vertrapten. Volgens hem ging het dan ook niet zozeer om de uiteindelijke bedoelingen van de staat, maar meer om hoe de staat deze doelstellingen probeerde te bereiken. Het centrale discussiepunt was dan ook de bevoegdheden van de staat. Hij werkte daarop de machtenscheidingstheorie van Montesquieu verder uit, en legde de basis voor het principe van ministeriële verantwoordelijkheid.

Klassieke versus moderne vrijheid

Constant maakte een onderscheid tussen de ‘antieke vrijheid’ en de ‘moderne vrijheid’. De antieke vrijheid zoals die ervaren werd tijdens de Oudheid ging om het meekunnen participeren in het publieke leven, waar de politiek bedreven werd. Vrijheid betekende het mee mogen doen met het collectief. Het privéleven was hier dan ook ondergeschikt aan. Maar deze directe vorm van publieke participatie zoals in de kleine stadsrepubliekjes van toen was in de moderne, grote natiestaat niet meer gewenst. In de moderne tijd stonden burgers anders in de politiek en betekende vrijheid juist het kunnen vermijden van het publieke leven. Constant meende dat het streven naar een onafhankelijk privédomein, ongemoeid door de politiek en het collectief, een van de onderscheidende karakteristieken was van de moderne maatschappij ten opzichte van de klassieke samenleving.

Van revolutie naar terreur

Het idee van de antieke vrijheid was echter nog altijd aanwezig, meende Constant. Zo meende hij het te herkennen in de filosofie van Jean-Jacques Rousseau. Zijn ideeën over het sociaal contract en de totale subjectie van het individu aan de staat, met een beroep op de volkswil, werden volgens Constant ter harte genomen door verschillende sleutelfiguren van de Franse Revolutie, waardoor deze revolutie uiteindelijk uitmondde in de Terreur.  

Hoewel Constant pleitte voor een onafhankelijk privédomein, waarschuwde hij voor het gevaar van totale afzondering en politieke desinteresse. Dit zou namelijk juist de deur openzetten voor de schending van vrijheden van het individu door de staat. Een zekere betrokkenheid bij de publieke zaak was dus nodig om het privédomein te kunnen waarborgen.

Een roerige levensloop

Constant had een turbulente carrière in een alsmaar verschuivend politiek landschap, waarbij hij zich meerdere malen genoodzaakt zag het land te ontvluchten. Tevens was hij een fervent gokker, deed hij aan duelleren en had hij een onstuimig liefdesleven die de inspiratiebron vormde voor de romans die hij schreef. Zo had hij een relatie met de beroemde schrijfster Madame de Staël. Na een veelbewogen leven op zowel politiek als persoonlijk vlak stierf Benjamin Constant in 1830 te Parijs. Zowel zijn politieke-filosofische werken als zijn romans worden tot op de dag van vandaag gelezen en geroemd.

Friedrich Hayek
Liberalen
05
May
2020
May 15, 2020
Patrick van Schie
Lees meer over deze liberale Oostenrijkse econoom en filosoof.

De coronacrisis laat een enorme toename van de staatsinvloed zien, zowel qua (al dan niet terechte) inperkingen van onze vrijheden als door steunverlening aan burgers en bedrijven en daarmee stijging van het aandeel van de overheid in onze economie. Ook tijdens de beide Wereldoorlogen zagen we dit verschijnsel. Die staatsexpansie bleek nadien hardnekkig.

Precies dit was het hoofdthema van The Road to Serfdom, het boek dat Friedrich Hayek (1899-1992; een Oostenrijker, sinds 1931 woonachtig in Engeland) in 1944 uitbracht. Hij waarschuwde voor de verderfelijke en vrijheids-ondermijnende invloed van planning, die wel noodzakelijk kon zijn tijdens een oorlog maar in vredestijd diende te worden afgebouwd. Hayek had naam gemaakt als econoom. Hij noemde The Road to Serfdom een ‘politiek pamflet’. Hierna zou hij zijn aandacht naar de politieke filosofie verleggen.

De hoogste waarden stonden op het spel, bovenal ‘de vrijheid om ons leven overeenkomstig onze eigen denkbeelden te vormen’. Dit liberale denkbeeld dat Engeland maar óók (meer dan eens uitdrukkelijk genoemd) kleine landen als Nederland en Zwitserland zoveel had gebracht, stond onder druk door de populariteit van socialistische denkbeelden. Zulk socialisme uitte zich zowel in het nationaal-socialisme als het communisme, maar ook in gematigder varianten die met alle goede bedoelingen de samenleving evenzeer op de weg naar de slavernij zetten.

Onder het mom van zekerheid of meer gelijkheid, van het ‘algemeen welzijn’ of het ‘algemeen belang’ matigen ordenaars zich aan te weten aan welke waarde(n) het meest moet worden gehecht. Zij verheffen aldus hun eigen waarden tot algemene waarden. Het recht zelf te kiezen wordt daarmee aan individuele burgers ontnomen; het zijn de machthebbers die voortaan bepalen wat ‘goed’ is. Terwijl, zo stelde Hayek, slechts de individuele burger kan bepalen wat voor zijn leven het beste is.

Het liberalisme, zo maakte Hayek duidelijk, staat geen laisser faire voor. De wet is wel degelijk belangrijk, essentieel zelfs. Maar de wetgever dient zich te beperken tot het aangeven en handhaven van de spelregels en zich verre te houden van sturing naar een bepaald doel. De staat moet de wegwijzers aanbrengen maar mag de burgers niet voorschrijven welke weg zij moeten inslaan. De staat mag overigens wel degelijk bepaalde sociale voorzieningen treffen, alsook bijvoorbeeld hygiënische maatregelen nemen of giftige stoffen verbieden, mits een en ander de fundamentele individuele vrijheid intact laat.

Hayek kwam op voor de vrije markteconomie. Critici stelden dat het concurrentiebeginsel ‘blind’ is. Hayek antwoordde dat dit juist een deugd is van de vrije markt. Ordenaars stellen er de besluiten van politici en ambtenaren voor in de plaats. Dan beslist een willekeurig iemand over ons lot in plaats van dat wij dit zelf doen. Het leidt bovendien tot machtsmisbruik, partijdigheid en corruptie. Gematigde socialisten stellen dat economische ordening gepaard kan gaan met politieke vrijheid. Hayek wierp tegen dat die scheiding niet valt aan te brengen. Veruit de meeste mensen stellen zich geen ‘economische’ doelen. Maar economische factoren maken hun doeleinden wel mogelijk.

‘Spontane ordening’ is het parool van Hayek, oftewel: gedecentraliseerde besluitvorming. Niet alleen omdat dit beter werkt maar belangrijker: omdat het moreel hoogstaander is. Voor een echte liberaal vormt macht een ‘aartskwaad’. Voor zover macht bestaat dient deze zoveel mogelijk gesplitst en gespreid te worden. In oorlog en bij andere uitzonderlijke rampen mag aan een staat tijdelijk meer macht worden toegekend. Maar men dient beducht te zijn: wat als ‘tijdelijk’ wordt geïntroduceerd heeft de neiging permanent te worden.

Hayek veroordeelde nationalisme voor zover het gepaard gaat met gevoelens van superioriteit, maar hij bepleitte allesbehalve een einde aan de natie-staat. Na de oorlog zou een supranationale ordening nuttig kunnen zijn bij het voorkomen van een botsing tussen de staten – zij moest daartoe een ‘negatieve macht’ uitoefenen – maar zodra zo’n nieuwe constructie zélf politiek ging bedrijven zou zij de kans op botsingen slechts vergroten en dreigde zij ‘de meest tirannieke en onverantwoordelijke macht’ te gaan vormen. ‘Ordening op internationale schaal, meer nog dan het geval is op nationale schaal kan niet anders dan louter machtspolitiek zijn.’ Die macht zal worden gemaskeerd als ‘internationaal’ maar, waarschuwde Hayek, bedenk dat dit ‘voor alle kleinere staten een veel vollediger onderwerping aan een buitenlandse mogendheid zou betekenen, waartegen geen werkelijke weerstand meer mogelijk zou zijn’.

The Road to Serfdom werd meteen een razend populair boek. Het tijdschrift The Readers Digestnam zelfs een verkorte versie op. Voorts verscheen een korte cartoon-versie. Maar het zou ongeveer dertig jaar duren voordat het dankzij Margaret Thatcher en anderen de politiek ging beïnvloeden. Hopelijk worden Hayeks hoogst actuele inzichten ditmaal eerder ter harte genomen.

Jeremy Bentham
Liberalen
05
May
2020
May 8, 2020
De Britse jurist en filosoof Jeremy Bentham was één van de belangrijkste pleitbezorgers van het utilitarisme: de filosofische stroming die het meeste geluk voor zoveel mogelijk mensen nastreeft. Dat is een benadering die nu soms ook wordt gekozen in het publieke debat over de te nemen maatregelen in de coronacrisis. Bentham wordt soms ook wel in de liberale traditie geplaatst. In hoeverre past hij daarin?

Het gedachtegoed van de Britse jurist en filosoof Jeremy Bentham wordt, bewust dan wel onbewust, toegepast in het denken over de te nemen maatregelen in de coronacrisis. Bentham is aanhanger van het utilitarisme: een stroming die het meeste geluk voor zoveel mogelijk mensen nastreeft. Vanuit dit uitgangspunt kan ook worden nagedacht over de omgang met de coronacrisis: welke maatregelen hebben het meeste geluk voor de meeste mensen tot gevolg?

Bentham wordt ook weleens onder de liberale denkers geschaard. Maar hoewel Bentham een rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het liberalisme, is het sterk de vraag of hijzelf als liberaal kan worden getypeerd. Bentham was vooral een utilitarist en dat verenigt zich niet altijd goed met het liberalisme.

Utilitarisme

`De natuur heeft de mensheid onder de heerschappij gesteld van twee soevereine heersers: pijn (‘pain’) en genot (‘pleasure’).' Pijn (zowel geestelijk als fysiek; een negatieve ervaring) en genot (in de betekenis van een positieve, aangename ervaring) bepalen ons doen en laten en niets anders. Dit is het uitgangspunt voor het oeuvre van Jeremy Bentham. Zijn ideeën over recht, moraal en politiek zijn erdoor be­paald. In al zijn gedetail­leerde stu­dies van maat­schappelijke instellingen vormt het de spil. Ook de waarde van vrijheid is eraan opgehangen.

Wanneer Bentham constateert dat het menselijk gedrag wordt bepaald door pijn en genot vindt hij tevens het algemene principe voor de toetsing van dit gedrag. Ervan uitgaan­de dat de mens zoveel mogelijk pijn vermijdt en zoveel moge­lijk genot zoekt, wordt de kwaliteit van een hande­ling ­bepaald door de vraag of deze hieraan bijdraagt. Wordt door de handeling het menselijk geluk vergroot? Zo ja, dan is het een goede handeling. Het beginsel dat aan deze vraag ten grond­slag ligt duidt Bentham aan als het nutsbegin­sel. Het nut van een hande­ling bestaat in het effect daarvan op het menselijke geluk.

Dit nutsbeginsel is niet alleen van belang voor een begrip van individuele keuzes, maar kan volgens Bentham tevens dienst doen als lei­draad voor maatschappelijke beslissingen. Dergelijke beslis­singen betreffen niet het individuele belang van een partij, maar het maatschappelijke belang. Het is echter een misvatting om een dergelijk belang te beschouwen los van individuele belangen. Bevordering van het maatschappelijke belang is niets anders dan bevordering van het geluk van de leden die deze maatschappij vormen. De toets voor maat­schappe­lijke beslissingen is derhalve of deze beslissingen de optel­som van het geluk van deze leden vermeerderen, dan wel hun leed verminderen. Daarbij werd in zijn calculus niet alleen meegewogen hoeveel mensen genot dan wel pijn zullen ondervinden van een handeling, maar werd onder meer ook de intensiteit en de duur daarvan meegewogen. Zo stuiten we op het fundamentele uitgangspunt van Benthams analyse van politie­ke en juridische beslissingen: `het grootste geluk van het grootste aantal, dat is de maat van goed en kwaad'.

Bentham en het liberalisme

Maar, in hoeverre past Bentham dan in een liberale traditie? Ten eerste had Bentham invloed op latere liberale denkers. Zo was hij leermeester van de invloedrijke liberale denker John Stuart Mill. Daarnaast was Bentham pleitbezorger van allerlei liberale idealen. Zo was hij voorstander van vrijhandel, scheiding van kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting, gelijke rechten voor vrouwen, dierenrechten en de afschaffing van slavernij.

Wel moet zijn inzet voor bepaalde vrijheden worden gezien in het kader van zijn denken in maatschappelijk nut. Vrijheid was voor Bentham niet het centrale uitgangspunt van denken. Vrijheid had voor hem geen zelfstandige waarde, maar kan soms bijdragen aan het vergroten van het maatschappelijk geluk. Vrijheid is daarmee dus hooguit een instrument, in zoverre het bijdraagt aan het netto geluk van de bevolking.

Bepaalde vrijheden zijn noodzakelijke bronnen van geluk, volgens Bentham. Hij rekende tot deze vrijheden onder andere het eigendom en de persoonlijke integriteit. Het is volgens Bentham de taak van de overheid om het recht zo in te richten dat deze bronnen van geluk worden gewaarborgd. Bovendien weten burgers vaak zelf beter wat hen geluk brengt dan de wetgever, denkt Bentham. Uit oogpunt van het bevorderen van het totale maatschappelijke geluk, is het dan ook nuttig als burgers in zekere mate zelf gestalte kunnen geven aan hun leven. Daarnaast moeten burgers de mogelijkheid hebben kritiek te uiten over regels, om te kunnen laten weten wat voor hen van belang is in termen van geluk. Zonder de mogelijkheid van kritiek is het niet uitgesloten dat de wetgeving aan haar doel voorbij gaat. Dit is dus een utilitaristisch argument voor de persvrijheid en de vrijheid van vereniging.

Zijn utilitaristische denken in maatschappelijk nut kan dus leiden tot de realisatie van bepaalde vrijheden. Maar vrijheid is zogezegd nooit het uitgangspunt van zijn denken geweest; dat is het bevorderen van maatschappelijk geluk. En met een beroep op het algemene nut, kunnen vrijheden ook terzijde worden geschoven. Als staatsingrijpen het grootste geluk kan vergroten, dan mag dat volgens Bentham best ten koste gaan van individuele vrijheden. Denk voor een toepassing van het utilitarisme aan een kwestie als orgaandonatie: met een beroep op het maatschappelijke rendement van orgaandonatie kan het (liberale) recht op zelfbeschikking over je eigen lichaam het onderspit delven.

In die zin is het lastig om Bentham als liberaal te typeren. Bovendien keerde hij zich fel tegen het liberale idee dat aan een individu van nature rechten toekomen. Ook kende hij de hoogste gelukswaarde toe aan veiligheid en zekerheid, en om dat doel te bevorderen vond hij het van belang dat er in een maatschappij een hoge mate van sociale sturing en controle werd ingericht, wat ten koste gaat van vrijheid.

Gustav Stresemann
Liberalen
04
Apr
2020
Apr 20, 2020
Patrick van Schie
De liberaal van deze week is de Duitse staatsman Gustav Stresemann, het gezicht van de Weimar-republiek. In roerige tijden, bracht hij stabiliteit.

Een van de maatregelen in de coronacrisis die betrekkelijk weinig aandacht trok, terwijl de gevolgen ervan toch zeer ingrijpend kunnen zijn, is de beslissing van de Europese Centrale Bank (ECB) om onbeperkt (nog meer) schulden op te kopen. Hiermee voert de ECB niet alleen een beleid dat in strijd is met het EU-verdrag maar neemt het ook het risico op termijn hyperinflatie op te roepen, precies hetgeen de ECB juist zou moeten voorkomen.

Hyperinflatie

Als één Europees land – terecht – doordrongen is van het belang van het voorkomen van hyperinflatie, dan is het Duitsland. Dit land heeft het in 1923 namelijk meegemaakt. Had je in juni 1922 reeds 300 mark nodig om 1 dollar te kopen, een jaar later waren daar al 100.000 marken voor nodig. Daarna ging het razendsnel. Op 17 september 1923 kostte 1 dollar al 200 miljoen marken, in november moesten voor die ene dollar 12 biljoen marken worden neergelegd. Het leidde tot absurde prijzen. Op 26 september 1923 kostte bijvoorbeeld 1 brood 10,37 miljoen mark. Sommige mensen stookten hun kachel met bankbiljetten omdat dit goedkoper was dan met diezelfde bankbiljetten hout te kopen.

De gevolgen waren ingrijpend. De spaargelden van Duitse middenklasse werden in korte tijd waardeloos. Dit leidde tot miljoenen persoonlijke en economische tragedies. Maar het holde daardoor ook het vertrouwen van die middenklasse in de jonge democratische Weimar-republiek uit. Weliswaar groeiden de nationaal-socialisten op dat moment nog niet, maar veel kiezers weken uit van de traditionele ‘middenpartijen’ naar kleine deelbelangenpartijen en konden er niet toe komen ooit nog hun vertrouwen te schenken aan de partijen die zij voor deze monetaire ramp verantwoordelijk hielden.

Stresemann als rijkskanselier

Precies in de tijd van de ergste inflatie was de liberaal Gustav Stresemann rijkskanselier. Hij moest de (tot 1929/1930) ergste crisis van de Weimar-republiek het hoofd zien te bieden; en hij deed dat ook. Zijn regering wist op 16 november 1923 met een valutahervorming de hyperinflatie te bedwingen. Maar toen was er natuurlijk al veel kwaad geschied.

Gustav Stresemann was in 1878 in Berlijn geboren in een links-liberaal milieu, waar de idealen uit 1848 – zeg maar het Duitse equivalent van de hervormingen van Thorbecke, die toen echter bij onze oosterburen mislukten – werden hooggehouden. Als twintiger sloot hij zich aan bij de National-Liberale Partei in Saksen, de regionale afdeling van de rechts-liberalen. Als regionale partijsecretaris wist hij in luttele jaren het ledental te verviervoudigen. Dit talent bracht hem in 1907, nog net geen 29 jaar oud, in de Rijksdag, als op dat moment jongste nationale parlementariër. In de Rijksdag kwam hij op tegen het door Duitsland veelvuldig gepraktiseerde protectionisme en streed hij voor het ook doen uitstrekken van sociale wetgeving tot de middenklasse (en niet alleen voor arbeiders). Hij droeg ertoe bij dat er voor de Duitse middenklasse een ouderdomsverzekering kwam.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog steunde Stresemann de Duitse oorlogsinspanningen, met inbegrip van de oostwaartse expansie. Dit maakte dat toen direct na het oorlogseinde de over verschillende partijen verspreide liberalen besprekingen voerden over de vorming van één nieuwe partij, de links-liberalen Stresemann niet wilden accepteren. Stresemann richtte daarom op 15 december 1918 zijn eigen partij op, de Deutsche Volkspartei (DVP). In 1919 bleef deze partij kleiner dan de links-liberale DDP, maar in 1920 streefde de DVP met 13,9% van de stemmen de DDP voorbij, om daarna de hele jaren twintig de grootste van beide liberale partijen te blijven.

Aanvankelijk moest de ‘kaisertreue’ Stresemann niet veel van de Weimar-republiek hebben, maar al snel telde hij zijn knopen en besloot hij dat Duitsland het met het nieuwe stelsel moest doen. Hij werd, zoals dat heette, ‘Vernunftrepublikaner’. Zijn grote moment kwam toen hij tijdens de hyperinflatie op 13 augustus een kabinet kon vormen dat steunde op de beide liberale partijen, de katholieken en de sociaal-democraten. Zijn kanselierschap duurde slechts 103 dagen, maar in die periode bracht hij binnenlands de geldontwaarding onder controle en zocht hij in het buitenland steun om een einde aan het Duitse isolement te maken zonder – zoals zijn voorgangers in 1922 hadden gedaan – het land afhankelijk van de Sovjet-Unie te maken.

The Stresemann policy

De sociaal-democraten misgunden Stresemann zijn succes en brachten zijn kabinet op 23 november 1923 ten val. Maar hij kwam terug als minister van Buitenlande Zaken in het kabinet van Wilhelm Marx (een katholiek; géén familie van Karl), een functie die hij in opeenvolgende kabinetten tot zijn vroegtijdige dood in 1929 bleef vervullen. In die periode wist hij Duitsland in te bedden in het (fragiele) internationaal systeem, wat onder meer gesymboliseerd werd door de toetreding van het land in 1926 tot de Volkenbond (een voorloper van de VN). Zozeer werd hij vereenzelvigd met de periode van meer stabiliteit dat de Amerikanen dit aanduidden als ‘The Stresemann policy’.
Stresemann heeft altijd te kampen gehad met een zwakke gezondheid. Al op 39-jarige leeftijd werd hij getroffen door een hartaanval. In 1929 ging zijn gezondheid flink achteruit, en op 3 oktober van dat jaar kreeg hij een fatale beroerte. Een paar weken later brak in New York de beurskrach uit, die als een schokgolf door de financiële wereld ging en overal tot massa-werkloosheid leidde. Uiteindelijk zou dit de Weimar-republiek de doodsklap toebrengen.

Of Stresemann, had hij nog geleefd, in staat zou zijn geweest de Duitse democratie te redden, hoort tot de niet te beantwoorden ‘wat als’-vragen. Maar als íemand het gezag had, dan was hij het. De befaamde historicus-journalist Sebastian Haffner noemt hem de grootste Duitse kanselier tussen Bismarck en Adenauer, wat des te meer zegt als men bedenkt hoe kort Stresemann aan het roer heeft gestaan. In zijn politiek was Stresemann wendbaar, opportunistisch zouden sommigen zeggen. Toch bleven twee kernpunten uit het liberalisme hem drijven: de waarde van het individu en de noodzaak verzoening tussen de klassen te bewerkstelligen. Tragisch genoeg legden beide doelstellingen mét zijn dood in Duitsland algauw het loodje. Het maakt Stresemann tot hét symbool voor de veel te korte tijd van Duitse democratie in het interbellum.

José Ortega Y Gasset
Liberalen
04
Apr
2020
Apr 10, 2020
Wilbert Jan Derksen
De liberaal van deze week is de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset. Zijn ideeën over onder meer 'de massamens' zijn ook in deze tijd nog relevant.

José Ortega y Gasset wordt door velen gezien als de belangrijkste Spaanse filosoof van de 20e eeuw. Hij werd geboren in 1883 te Madrid en groeide op in een intellectueel nest. Zijn vader was directeur van een prominente krant, waardoor Ortega y Gasset al vanaf jonge leeftijd in aanraking kwam met de wereld van journalistiek en politiek. In 1904 behaalde hij zijn doctoraat in de filosofie aan de Complutense Universiteit van Madrid. Hierna vervolgde hij zijn studie op verschillende plekken in Duitsland, waar hij onder meer geïnspireerd raakte door het neokantianisme. In zijn jeugd was hij tevens fervent lezer van het werk van Friedrich Nietzsche. Ortega y Gasset was dan ook gefascineerd door de Duitse filosofie.

Ik ben ik en mijn omstandigheden

Hij schreef over verschillende filosofische thema’s in een opvallend toegankelijke stijl. “Duidelijkheid is de gunst van de filosofie” vond Ortega y Gasset. Hij sprak over belangrijke filosofische problemen zonder toevlucht te zoeken in specialistisch, pedant en te ingewikkeld taalgebruik. Dit maakte zijn werk dan ook erg populair bij het grote publiek.

Als middenweg tussen idealisme en materialisme benadrukte Ortega y Gasset dat zowel het bewustzijn als de omstandigheden het individu bepalen. De geest staat niet op zichzelf, maar is altijd in wisselwerking met de omgeving waarin die zich bevindt. “Ik ben ik en mijn omstandigheden (als ik deze niet red, red ik mezelf niet)” schreef hij in zijn Meditaciones del Quijote (1914). Het leven is wat ons overkomt, maar tegelijkertijd ook wat wij zelf doen. Wij moeten ons lot accepteren, en daarbinnen zelf onze bestemming kiezen. Een ‘project des levens’ vereist een actieve houding ten opzichte van deze vrijheid, en niet een van conformisme vanuit gemakzucht of angst.    

De massamens

Ortega y Gasset keerde terug naar Spanje in 1908, wat destijds getergd werd door spanningen en politieke desintegratie. Het Spaanse Rijk was tien jaar eerder definitief gebroken nadat het de laatste Amerikaanse koloniën had verloren, en binnen Spanje zelf ontstonden begin 20e eeuw veel interne stribbelingen. Socialisme won aan invloed, waarop een fascistische tegenreactie werd aangewakkerd. In de jaren 20 vestigde generaal Miguel Prima de Rivera een militaire dictatuur in het land, geïnspireerd door het fascisme van Benito Mussolini in Italië.

In de context van deze oprukkende collectivistische ideologieën in Spanje en de rest van Europa publiceerde Ortega y Gasset zijn belangrijkste werk: La rebelión de las masas (1930). In dit boek betoogde Ortega y Gasset dat binnen de samenleving de ‘massamens’ het individu dreigde te verdrukken. Geïnspireerd door het werk van John Stuart Mill meende hij dat de tirannie van de meerderheid en de collectieve middelmatigheid in de weg zaten van individuele vrijheid en zelfontplooiing.

De massacultuur was één waarin de kuddegeest heerste en de wil ontbrak om de beschaving verder te brengen. De señorito satisfecho (de tevreden jongeman) dacht alleen nog maar in rechten en niet meer in plichten, met cultureel verval tot gevolg. Hij zag zichzelf zoals de anderen, en niet meer dan dat. Alleen hij en zijn soortgenoten telden, wat een zucht naar de macht met zich meebracht. Wanneer de democratie zichzelf tot massademocratie getransformeerd had, zou deze dan ook ophouden te bestaan en vervallen in despotisme en uiteindelijk totalitarisme.

Ortega y Gasset stelde dat sommige individuen zich onderscheiden van de massamens, in dat zij wel een hogere norm wisten te stellen. Maar, zo zei Ortega y Gasset: “De horde loopt al het afwijkende, het verhevene, het persoonlijke, het verdienstelijke, en uitgelezene onder de voet. Wie niet is als ‘iedereen’ loopt gevaar terzijde geworpen te worden”. Ortega y Gasset was dan ook een uitgesproken tegenstander van het nationalisme dat Europa destijds in zijn greep hield. Hij pleitte voor een liberale staat gebaseerd op meritocratie, waarin de vrije geest het fundament vormt van de open samenleving.

Republiek en dictatuur

Als overtuigd republikein liet Ortega y Gasset geen traan toen zowel dictator Primo de Rivera als koning Alfonso XIII het veld moesten ruimen en de Tweede Spaanse Repbliek werd uitgeroepen in 1931. Omdat Ortega y Gasset een publieke functie vervulde in deze republiek als afgevaardigde van de provincie León en als hoofd van een parlementaire groep van intellectuelen zag hij zich genoodzaakt het land te ontvluchten toen de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) uitbrak. In 1948 keerde hij terug naar een Spanje dat wederom gebukt ging onder het juk van een militaire dictatuur in de vorm van het Franco-regime. Hij richtte datzelfde jaar het Instituto de Humanidades (Instituut der Geesteswetenschappen) op in Madrid, maar sprak in de jaren erna vooral in het buitenland, met name in Duitsland, waar hij meer mogelijkheid zag om vrijuit te spreken. Hij stierf uiteindelijk in 1955 in Madrid.      

Ortega y Gasset liet een veelvoud aan teksten achter die, mede door het klare taalgebruik, tot op de dag van vandaag gelezen worden. Zijn waarschuwingen voor de mentaliteit van de massamens moeten dan ook breder getrokken worden dan slechts het gevaar van het communisme en fascisme in de 20e eeuw. Want ook in de huidige tijd zien wij dat zelfingenomenheid, kuddegeest, en onverschilligheid nog altijd aanwezig zijn binnen de samenleving.

Pieter Cort van der Linden
Liberalen
04
Apr
2020
Apr 3, 2020
Fleur de Beaufort
Net zoals Mark Rutte nu met het coronavirus een premier in crisistijd is, was Pieter Cort van der Linden ook een liberaal premier in crisistijd. Om deze reden is Cort van der Linden de liberaal van de week. Lees hier meer over zijn leven en gedachtegoed.

Op 16 maart sprak premier Mark Rutte in het kader van de coronacrisis de Nederlandse bevolking toe tijdens een als historisch bestempelde persconferentie vanuit zijn werkkamer in het torentje. Op de achtergrond was voor de oplettende kijker onder meer zijn laatste liberale voorganger in de rol van premier – Pieter Cort van der Linden – te zien op een pentekening. Rutte maakte er bij zijn aantreden geen geheim van zich verwant te voelen met zijn liberale voorganger. Wat onze premier toen nog niet kon vermoeden was dat hij net als Cort van der Linden nog eens premier in crisistijd zou worden. Nu we ons met de coronacrisis in de ‘grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog’ bevinden, belichten we met een kort portret de voorlaatste liberale premier in crisistijd.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog mislukten pogingen van de vrijzinnig-democraat Dirk Bos om een kabinet te vormen van vrijzinnig-democraten, liberalen en sociaal-democraten. SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra steunde weliswaar de hervormingsagenda die Bos had opgesteld, waarin onder meer de realisatie van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen was opgenomen, alsmede een vorm van staatspensioen, maar wenste deze steun niet te vertalen in regeringsverantwoordelijkheid. Voor Bos was een dergelijke ‘gedoogconstructie’ met steun vanuit de oppositie – ‘wel macht, maar geen verantwoording hoeven afleggen’ – onbespreekbaar. Hij gaf de formatieopdracht terug aan de koningin, waarna Pieter Cort van der Linden de opdracht kreeg een kabinet te formeren. Twee keer eerder was hij gevraagd als formateur c.q. beoogd premier, maar beide keren in 1905 en 1907 leidde het niet tot een kabinet onder zijn leiding. In 1913 slaagde Cort van der Linden binnen korte tijd in het vormen van een extraparlementair kabinet, ook wel een zakenkabinet bestaande uit vakministers in plaats van partijpolitici. Zoals Cort van der Linden het zelf noemde bij de presentatie in de Tweede Kamer, een regering die ‘wellicht zwak stond in het parlement, maar sterk in het land’.1

Vernieuwer

Pieter Cort van der Linden gold zowel in de rol van theoreticus als in die van actief politicus als vernieuwer. De (liberale) politiek werd hem met de paplepel ingegeven, komend uit een politiek actieve familie met een vader die als huisvriend van Thorbecke op de achtergrond een rol zou hebben gespeeld bij de grondwetsherziening van 1848. Na zijn studie rechten in Leiden, gevolgd door een promotie in 1869, was Cort van der Linden tien jaar werkzaam als advocaat. In 1879 maakte hij als commies-griffier van de Tweede Kamer kennis met het parlementaire metier. Alvorens zelf een actieve politieke rol op zich te nemen ontwikkelde Cort van der Linden zich als wetenschapper en politiek theoreticus. In 1881 aanvaardde hij de leerstoel voor staathuishoudkunde aan de Universiteit van Groningen. In 1886 publiceerde hij Richting en beleid der Liberale Partij, waarmee hij zijn naam binnen liberale kring vestigde.

Het werk is nog steeds een kerndocument binnen het liberale gedachtengoed, vooral vanwege de onderbouwing die Cort van der Linden gaf aan de nieuwe richting die het liberalisme geleidelijk was ingeslagen sinds de jaren zeventig van de negentiende eeuw. Een groeiende groep liberale theoretici en politici meende dat het liberalisme een nieuwe wending nodig had om ook in de toekomst tegemoet te kunnen blijven komen aan de ‘vragen des tijds’. Het waren de erbarmelijke omstandigheden waarin arbeiders leefden in de sloppenwijken en waaronder zij in de fabrieken moesten werken, zonder enig vangnet bij ziekte of noodlottig ongeval, die maakten dat men inzag dat verandering nodig was. ‘De hervorming van de sociale toestand der arbeiders is het vraagstuk bij uitnemendheid dat onze tijd heeft op te lossen. De drang naar meerdere staatsbemoeiing spruit voort uit het besef, dat de regeling van maatschappelijke betrekkingen in den levenskring van werklieden, reeds al te lang op zich liet wachten.’2

Sociaal-liberaal

Cort van de Linden stond met zijn ideeën in de traditie van wat we inmiddels het sociaal-liberalisme zijn gaan noemen. Voor sociaal-liberalen was het klassieke liberale devies van individualisme en staatsonthouding niet langer uitsluitend leidend. Er waren omstandigheden waarin de hulp van de staat moest worden ingeroepen, juist om individuele vrijheid te realiseren. Individuen konden, aldus de sociaal-liberalen, niet volledig los worden gezien van de invloed van hun omgeving. Dat wilde niet zeggen dat sociaal-liberalen overgingen tot het collectivisme, het individu bleef het uitgangspunt en overheidsingrijpen diende altijd gericht te zijn op het realiseren van individuele vrijheid.3 Uitbreiding van staatszorg was voor Cort van der Linden geen teken van zwakheid, doch kwam voort uit een ‘levendig ‘plichtsgevoel’. Als minister van Justitie in het kabinet-Pierson/Goeman Borgesius (1897-1901) – het kabinet dat vanwege de vele initiatieven op het gebied van sociale wetgeving de geschiedenis in zou gaan als het kabinet der sociale rechtvaardigheid – kon Cort van der Linden zijn ideeën ook politiek vormgeven.

Na zijn afscheid als minister in 1901 werd hij lid van de Raad van State en, zoals hierboven reeds geschetst, pas in 1913 raakte Cort van de Linden weer actief betrokken bij de politiek als leider van een extra-parlementair kabinet. Als premier hoopte Cort van der Linden het algemeen kiesrecht te realiseren en een vorm van staatspensioen. Dat laatste lukte niet, maar het eerste wel, waarbij de steun van de confessionelen onontbeerlijk was, zodat uiteindelijk de bekende uitruil ontstond met de schoolstrijd. De noodzaak tot uitbreiding van het kiesrecht stond voor Cort van der Linden reeds in 1886 vast, juist in relatie tot de roep om verdergaand overheidsingrijpen. ‘De democratie heeft beperkingen tengevolge van het Laissez Faire en de uitbreiding der staatsbemoeiing vordert de controle van het volk zelf.’4 Wel meende Cort van der Linden dat voor het kiesrecht een zekere mate van ontwikkeling was vereist, zodat de kiezer ook tot een weloverwogen politiek oordeel kon komen.

Eerste Wereldoorlog

Eenmaal premier kreeg Cort van der Linden al snel te maken met een Wereldoorlog. De premier wordt nogal eens geroemd als degene die Nederlands neutraliteit wist te bewaken. Hij wist zonder meer bekwaam te balanceren tussen alle meningsverschillen rondom het al dan niet handhaven van deze neutraliteit. Zelf bleef Cort van der Linden bescheiden over zijn rol, wanneer hij in een brief aan Cornelis Lely (minister van Waterstaat in zijn kabinet) in 1926 terugkijkt op die periode:  ‘als ik eenige verdiensten heb in het behoud van de vrede dan is het denk ik dat ik steeds het hoofd koel heb gehouden en steeds aan niets anders gedacht heb dan aan het belang van het land.’5

Mary Wollstonecraft
Liberalen
03
Mar
2020
Mar 6, 2020
Fleur de Beaufort
Elke week presenteren we u een liberaal. De liberaal van deze week is de Britse publiciste Mary Wollstonecraft. Zij was één van de vroege voorvechters voor meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

‘Consider […] whether, when men contend for their freedom, and to be allowed to judge for themselves respecting their own happiness, it be not inconsistent and unjust to subjugate women, even though you firmly believe that you are acting in the manner best calculated to promote their happiness? Who made man the exclusive judge, if woman partake with him the gift of reason?’

De Britse publiciste Mary Wollstonecraft was één van de vroege voorvechters voor meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Zij streed onder andere voor beter onderwijs voor meisjes en politieke rechten voor vrouwen, in een tijd dat dergelijke zaken nog geen gemeengoed waren. Een belangrijke verklaring voor de strijdbaarheid van Wollstonecraft, juist op deze thematiek, kan worden gevonden in haar eigen jeugd.

Moeilijke thuissituatie als meisje

Wollstonecraft kwam op 27 april 1759 in Londen ter wereld als tweede kind in een gezin van uiteindelijk zeven kinderen. Haar moeder was niet opgewassen tegen haar tirannieke echtgenoot en kon zichzelf noch haar kinderen beschermen voor zijn geweldsuitbarstingen. Wollstonecraft haatte haar vader vanwege zijn wreedheid en verachtte haar moeder vanwege haar onderdanige en weinig weerbare houding. Zelf probeerde Wollstonecraft zowel haar moeder als haar zusjes te beschermen waar ze kon. Ze nam het beide ouders kwalijk dat deze haar oudere broer Ned – als jongen – een voorkeursbehandeling gaven. Hij was de enige in het gezin die een volledige opleiding kreeg (hij zou advocaat worden).

Ze ontvluchtte het gezinsleven door een positie als gezelschapsdame voor een welgestelde weduwe te accepteren, maar kwam na ruim twee jaar terug om de zorg voor haar stervende moeder op zich te nemen. Samen met goede vriendin Fanny Blood en met twee van haar zusters maakte ze, na de dood van hun moeder in 1872, plannen om een school te beginnen in Newington Green (in het noorden van Londen). Via de voorganger van de plaatselijke dissenterse gemeenschap raakte ze bevriend met Joseph Johnson, die later haar boeken zou uitgeven. Het schoolproject bracht Wollstonecraft al snel in financiële moeilijkheden, zeker nadat ze goede vriendin Fanny was gevolgd naar Portugal om haar bij te staan in de kraamtijd van haar eerste kind. Vanwege een tuberculosebesmetting overleefde zowel moeder als kind reeds enkele dagen na de bevalling, waarna Wollstonecraft terugkeerde naar Londen.

Gedreven door geldzorgen trof Wollstonecraft voorbereidingen voor haar eerste boek Thoughts on the Education of Daughters. With Reflections on Female Conduct in the More Important Duties of Life. Het werk, dat bestond uit korte passages van enkele pagina’s over uiteenlopende onderwerpen, werd in 1787 gepubliceerd door Johnson. Wollstonecraft was duidelijk beïnvloed door het werk Some Thoughts Concerning Education een kleine eeuw eerder (1693) geschreven door de liberale denker John Locke. Met name de rol die beide auteurs aan de rede toekenden om individuele passies te sturen vertoont overeenkomsten. Nadat het mislukken van het schoolproject zocht Wollstonecraft emplooi als gouvernante.

De politieke omwentelingen in Frankrijk aan het einde van de achttiende eeuw zouden voor Wollstonecraft aanleiding zijn zich op papier nadrukkelijk uit te spreken voor de rechten van vrouwen. Op 26 augustus 1789 werd door de Franse Nationale Vergadering de eerste universele Verklaring voor de rechten van de mens en burger (Declaration des droits de l’homme et du citoyen) aangenomen. Twee jaar later zou dit de preambule voor de Franse grondwet worden. Met ‘l’homme’ werd door de opstellers en de leden van de Nationale Vergadering nadrukkelijk ‘man’ bedoeld, daarmee de tweede betekenis van het woord - ‘mens’ - negerend. De Française Olympe de Gouges is bekend geworden met haar Verklaring van de rechten van de vrouw en burgeres in reactie op de louter masculien geïnterpreteerde eerste versie.

A Vindication of the Rights of Woman

In 1790 reflecteerde de Ierse politicus en denker Edmund Burke met zijn werk Relfections on the revolution in France op de ontwikkelingen op het Europese vasteland. Hij stelde met name de fundamentele individuele rechten ter discussie die de revolutionairen claimden in navolging van de Verlichtingsdenkers. Bovendien veroordeelde hij de rol die vrouwen in de Franse Revolutie speelden. Het werk van Burke was voor Wollstonecraft aanleiding in de pen te klimmen en A Vindication of the Rights of Men te publiceren.

Het vormde slechts de opmaat tot wat wij tegenwoordig als het hoofdwerk van Wollstonecraft zien, A Vindication of the Rights of Woman. Opnieuw reageerde zij met haar werk – dat zij overigens in vliegensvlug tempo schreef en publiceerde – op een tijdgenoot. De Franse politicus Charles Maurice de Talleyrand-Périgord  had in 1791 een rapport opgesteld over onderwijs ten behoeve van de wetgevende vergadering van Frankrijk. Het feit dat in dit rapport geen enkele aandacht werd besteed aan onderwijs voor meisjes of vrouwen, maakte Wollstonecraft natuurlijk furieus.

Natuurlijk zag Wollstonecraft dat er fysieke verschillen waren tussen mannen en vrouwen, maar dat deed in haar ogen niets af aan haar pleidooi voor gelijke rechten. ‘I will allow that bodily strength seems to give man a natural superiority over woman; and this is the only solid basis on which the superiority of the sex can be built. But I still insist, that not only the virtue, but the knowledge of the two sexes should be the same in nature, if not in degree, and that women, considered not only as moral, but rational creatures, ought to endeavour to acquire human virtues (or perfections) by the same means as men, instead of being educated like a fanciful kind of half being.’

Voorvechters voor vrouwenrechten werden geridiculiseerd

Veel van de vroege voorvechters voor (gelijke) vrouwenrechten en zeker degenen die ook politieke rechten voor vrouwen claimden zoals actief en passief kiesrecht waren zich zeer bewust van het feit dat hun claims door tegenstanders als lachwekkend geridiculiseerd zouden worden. Zo ook Wollstonecraft: ‘I may excite laughter, by dropping an hint, which I mean to pursue, some future time, for I really think that women ought to have representatives, instead of being arbitrarily governed without having any direct share allowed them in the deliberations of government’.

Vrijwel direct na de publicatie van haar hoofdwerk vertrok Wollstonecraft zelf naar Parijs om de ontwikkelingen aldaar van nabij mee te maken. Ze werd er verliefd op de Amerikaanse gezant Gilbert Imlay, maar voelde toen ze eenmaal zwanger van hem was niets voor een huwelijk. Haar dochter vernoemde ze naar haar overleden jeugdvriendin Fanny. De liefde was geen lang leven beschoren en leidde bij Wollstonecraft zelfs tot een mentale crisis en een mislukte zelfmoordpoging. Ze keerde met haar dochter terug naar Engeland waar ze via de kring van uitgever Johnson in contact raakte met William Godwin, een radicale filosoof die net als Wollstonecraft principieel tegen het huwelijk was. Desalniettemin besloten de twee te trouwen toen Wollstonecraft zwanger bleek, met name in het belang van het kind. Beiden verzekerden dat hun huwelijk geen concessie aan de heersende moraal was en dat van de gangbare ondergeschiktheid van de echtgenote aan haar echtgenoot geen sprake was. Ze stonden als gelijken naast elkaar.

Op 30 augustus 1797 kwam Mary Wollstonecraft Godwin ter wereld (zij trad in de voetsporen van haar moeder als auteur en zou – inmiddels Mary Shelley genaamd – bekendheid generen met haar roman Frankenstein). Elf dagen na wat aanvankelijk een goed verlopen bevalling leek, bezweek Wollstonecraft op 38-jarige leeftijd aan kraamvrouwenkoorts.

Lizzy van Dorp
Liberalen
02
Feb
2020
Feb 28, 2020
Patrick van Schie
De liberaal van deze week is de eigenzinnige juriste, econome en politica Lizzy van Dorp. Van Dorp was in veel opzichten de eerste vrouw. Zo kan zij de eerste vrouwelijke fractievoorzitter in Nederland worden genoemd. Ook was zij de eerste Nederlandse vrouw die afstudeerde in de rechten.

In 2019 is herdacht dat een eeuw geleden de wet werd aangenomen om vrouwen in Nederland het actief kiesrecht – dat is het recht om zelf naar de stembus te gaan – toe te kennen. Van de vrouwelijke voorvechters van het actief kiesrecht krijgt Aletta Jacobs steevast de meeste aandacht. Naast haar Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht was er echter ook een Bond voor Vrouwenkiesrecht actief. Een van de twee oprichters van deze Bond zou het, anders dan Aletta Jacobs, zélf tot Tweede Kamerlid brengen: Lizzy van Dorp werd in 1922 voor de kleine Liberale Partij in de Kamer gekozen.

Eerste vrouwelijke fractievoorzitter

Van Dorp kan de eerste vrouwelijke fractievoorzitter in Nederland worden genoemd, indien althans eenpersoonsfracties meetellen. Zij zat namelijk niet in de Kamer voor de belangrijkste liberale partij, de Vrijheidsbond, maar voor de splinterpartij die was opgericht door Samuel van Houten. Hij wilde vooral dat het zijns inziens verfoeilijke kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging met partijlijsten, zoals in 1917 was ingevoerd, werd gewijzigd zodat de band tussen kiezers en gekozenen werd hersteld. Dit heeft Van Dorp in de Kamer niet voor elkaar weten te krijgen. Wel wist zij in de Kamer scherp klassiek-liberale geluiden inzake sociaal-economische vraagstukken te verwoorden.

Lizzy van Dorp, geboren in 1872 in Arnhem, was een self-made econome; haar academische opleiding had zij aan de Leidse rechtenfaculteit genoten. Ze was de eerste Nederlandse vrouw die het kandidaatsexamen rechten behaalde. Hoewel zij geen economie had gestudeerd, werd haar economisch werk wetenschappelijk wel degelijk serieus genomen. Zij werd begin jaren twintig voorgedragen voor een leerstoel aan de landbouwhogeschool (tegenwoordig universiteit) Wageningen. Destijds moest de minister (in het geval van Wageningen die van Landbouw, Nijverheid en Handel) een benoeming echter bekrachtigen en deze man van CHU-huize (een voorloper van het CDA) wilde geen vrouw als hoogleraar. Daardoor liep Van Dorp het hoogleraarschap mis. Dat zij ook internationaal meetelde blijkt uit haar correspondentie met grote economen als Keynes, Von Mises en Hayek.

Vrijhandel

In verschillende van haar geschriften maakte zij haar economische denkbeelden op vlotte wijze voor een groter publiek toegankelijk. Maar juist politiek en maatschappelijk gezien had zij het tij tegen. Haar overtuiging dat vrijhandel en een zo vrij gelaten economie in het algemeen het beste waren, moesten in de jaren twintig en dertig internationaal en in ons eigen land wijken voor de politieke praktijken van toenemend protectionisme en inmenging van de overheid. Die werden door de heersende confessionele partijen gezien als oplossingen voor de economische tegenwind. Van Dorp zag het protectionisme en de staatsinmenging juist als oorzaken van de groeiende economische ellende.

Vooral in de jaren dertig ging ook de Kamerfractie van de Vrijheidsbond steeds vaker mee met dit staatsingrijpen, in het bijzonder ook om de noodlijdende landbouw te hulp te schieten. Van Dorp, die na haar ‘uitstapje’ naar de Liberale Partij weer was teruggekeerd in de boezem van de Vrijheidsbond, bestreed die nieuwe koers. Maar al kreeg het rond haar persoon georganiseerde verzet in de partij tegen het verzaken van de liberale beginselen in maart 1935 gehoor van de partijraad, toch strandde het later datzelfde jaar op onwil van de meeste partijleden om de Kamerfractie al te openlijk af te vallen. Van Dorp werd door haar tegenstanders afgeschilderd als te dogmatisch. Hoewel zij er inderdaad principieel in zat, is dat verwijt niet terecht. Eerder had zij er blijk van gegeven de omstandigheden wel degelijk te willen meewegen en een tijdelijk afwijken van de gezonde liberale beginselen te gedogen. Maar zij kon zich niet vinden in het telkens weer oprekken van het begrip ‘tijdelijk’.

Feminisme

Hoewel Van Dorp mede-oprichtster was van de Bond voor Vrouwenkiesrecht week zij in sommige opzichten af van het toenmalige feminisme. Zo kwalificeerde zij de verlangens van veel feministen naar een meer gelijke positie op de arbeidsmarkt als ‘opgeschroefde eischen’. Vrouwen uit de hogere kringen hoopten in werk buitenshuis ‘zielsbevrediging’ te vinden maar dit zou duiden op een psychisch probleem; deze vrouwen konden zich maar beter wijden aan de zorg voor hun kinderen en echtgenoot. Slechts voor vrouwen van bijzondere begaafdheid – hierbij dacht zij zeker ook aan zichzelf – diende een carrière in de maatschappij echt open te staan. Het werk van arbeidersvrouwen diende men volgens Van Dorp niet te idealiseren. Die vrouwen werkten niet om zich geestelijk te ontwikkelen maar om te kunnen voorzien ‘in het dagelijksch brood […] als een lastdier’. Kortom: dat vrouwen gelijke politieke rechten dienden te krijgen betekende niet dat zij in economisch opzicht op dezelfde manier als mannen dienden op te (kunnen) treden.

Ralf Dahrendorf
Liberalen
02
Feb
2020
Feb 20, 2020
Fleur de Beaufort
Elke week presenteren we u een liberaal. De liberaal van deze week is de socioloog, filosoof, journalist en politicus Ralf Dahrendorf (1929 - 2009). Dahrendorf beschouwt denkers die alleen de negatieve vrijheid (afwezigheid van inmenging) als uitgangspunt nemen – zoals de econoom Friedrich Hayek – niet als ware liberalen. Er is ook positieve vrijheid nodig, die tot stand komt door het waarborgen van levenskansen.

Ralf Gustav Dahrendorf kwam op 1 mei 1929 in Hamburg ter wereld. In 1944 doorbracht de toen 15-jarige Duitse scholier Ralf Dahrendorf 10 dagen in eenzame opsluiting in een politiecel in Frankfurt an der Oder, alvorens de nazi’s hem naar een concentratiekamp in Polen stuurden. Dahrendorf had als lid van de jeugdorganisatie Freiheitsverband Höherer Schüler Deutschlandspamfletten tegen de SS-staat verspreid. Dat kostte hem onder de heersende nationaal-socialistische dictatuur zijn vrijheid. Later zou Dahrendorf aangeven dat die 10 dagen eenzame opsluiting in hem een ‘fast klaustrophobischen Drang zur Freiheit’ hadden opgewekt, die hij de rest van zijn hele leven met zich zou meedragen.

Na de Tweede Wereldoorlog begon Ralf Dahrendorf aan de studies filologie en filosofie. In 1952 promoveerde hij aan de universiteit van Hamburg op een onderzoek naar Karl Marx’ begrip van gerechtigheid. Aansluitend was Dahrendorf als postgraduate student verbonden aan de London School of Economics and Political Science (LSE). Dahrendorf bleef actief aan de universiteit als wetenschapper, maar verruilde deze carrière eind jaren zestig voor een loopbaan in de politiek. In 1974 keerde hij echter weer terug naar de academische wereld. Hij werd uiteindelijk directeur van de London School of Economics en liet zich in 1988 naturaliseren tot Brit. Na zijn pensioen woonde hij in zowel Engeland als Duitsland. Dahrendorf stierf uiteindelijk in 2009 op 80-jarige leeftijd in Keulen.  

Bij vrijheid hoort het waarborgen van levenskansen

Voor Dahrendorf is de term geluk zinloos als algemeen uitgangspunt van een samenleving, omdat het ongrijpbaar is. Wat voor het ene individu geluk is, kan het andere individu juist als zijn grootste ongeluk ervaren. Zo zal het ene individu bijvoorbeeld dolgelukkig zijn bij de geboorte van een kind, terwijl een ander individu in dit kind de beperking van zijn eigen vrijheid ziet. Bovendien waarschuwt Dahrendorf nadrukkelijk voor de gevaren van een staat die het geluk van de burgers gaat bevorderen. Het kan in zijn ogen geen toeval zijn dat in de communistische Sovjet-Unie door de machthebbers werd betoogd dat ieder mens een ontegenzeglijk recht op geluk heeft, en dat de samenleving dit geluk met alle mogelijke middelen moet garanderen. Dahrendorf vreest dat een dergelijke samenleving over een heleboel middelen beschikt, maar over weinig geluk.

De term ‘geluk’ is in de ogen Dahrendorf dus niet functioneel, ja zelfs gevaarlijk, als uitgangspunt voor een politiek-filosofische theorie. In de liberale visie gaat het volgens hem om twee zaken. In de eerste plaats de bescherming van het individu tegen allerlei mogelijke beperkingen die hem van staatswege – vaak zeer willekeurig – worden opgelegd. In de tweede plaats acht Dahrendorf het van groot belang dat individuen zoveel mogelijk levenskansen krijgen. In navolging van Isaiah Berlin – de denker die beroemd is geworden met zijn Two concepts of liberty – verdedigt Dahrendorf dus zowel de negatieve als de positieve vrijheid. Het waarborgen van de negatieve vrijheid alleen is onvoldoende. Sterker nog allerlei denkers die alleen de negatieve vrijheid als uitgangspunt nemen – zoals de econoom Friedrich Hayek – beschouwt Dahrendorf niet als ware liberalen.

De positieve vrijheid komt, aldus Dahrendorf, tot stand door het waarborgen van levenskansen. De levenskansen – mogelijkheden voor individuele groei en realisering van talent – van individuen worden bepaald door sociale omstandigheden die ontstaan in het krachtenveld tussen enerzijds keuzemogelijkheden en anderzijds gegevenheden als familierelaties. De individuele vrijheid groeit naarmate het aantal levenskansen toeneemt. Dahrendorf stelde de samenleving voor als een huis waarin iedere burger minimaal op de begane grond moest kunnen staan. Levenskansen worden gecreëerd door aan iedere burger een gelijk aantal politieke en sociale burgerrechten toe te kennen. Alle burgers moeten een gelijke startpositie hebben en daarna een zo groot mogelijke vrijheid hebben om keuzes te maken en zich te ontplooien. Vrijheid kan, aldus Dahrendorf, alleen worden bereikt wanneer álle burgers toegang hebben tot het veelzijdige palet aan levenskansen in de samenleving.

Gelijkheid moet geen doel op zichzelf worden

Daarbij fungeert gelijkheid als middel om de vrijheid – het doel – te bereiken. Zodra gelijkheid een doel op zichzelf wordt, leidt dat onherroepelijk tot een ontoelaatbare beperking van vrijheid. Het recht op scholing mag bijvoorbeeld nooit betekenen dat ieder kind ‘gelijke’ scholing ontvangt. Excellente leerlingen moeten andere scholing krijgen dan hun minder intelligente leeftijdsgenoten. Als bovengemiddeld intelligente kinderen dezelfde scholing krijgen als iedereen leidt dat voor hen tot onvrijheid.

Het moge duidelijk zijn dat Dahrendorf voor de verwezenlijking van zijn levenskansen niet genoeg heeft aan een nachtwakersstaat. In het werk Fragmenten eines neuen Liberalismus plaatst de denker twee extremen tegenover elkaar. Enerzijds benoemt Dahrendorf de minimale staat – ook wel nachtwakersstaat – met als belangrijkste pleitbezorger Robert Nozick. Aan de andere zijde plaatste de denker John Rawls als aanhanger van een maximale – ook wel sterke – staat. Tussen deze twee extremen in positioneert Dahrendorf de ‘optimale staat’ – ofwel ‘weniger Staat’. Deze staat stelt zich zeer actief op in het waarborgen van de sociale burgerschapsrechten; in het voorzien van een gemeenschappelijke bodem voor alle burgers.

Maar ten aanzien van de keuzes die burgers maken met de hun geboden levenskansen stelt deze staat zich uiterst terughoudend op. Zodra de burgerschapsrechten zijn gerealiseerd kan de staat zich weer wat meer op de achtergrond begeven. De staat mag zich dus in geen geval bemoeien met de uitkomsten van de levenskansen en gelijkheid als doel stellen. Het feit dat ieder individu met bepaalde eigenschappen en aanleg ter wereld komt, betekent dat er binnen een samenleving altijd statusverschillen zullen zijn. Dit is voor Dahrendorf geen enkel probleem, hij beoordeelt dit zelfs als positief. Juist door de ongelijkheid in uitkomst worden individuen geprikkeld om het beste in zichzelf naar boven te halen. Alleen doordat mensen steeds streven naar meer, anders en beter kan er progressie zijn in een samenleving. Gelijkheid als doel zou deze progressie volledig teniet doen.

Hugo de Groot
Liberalen
02
Feb
2020
Feb 14, 2020
Elke week presenteren we u een liberaal. De liberaal van de week is de Nederlandse rechtsgeleerde Hugo de Groot (1583– 1645). De Groot, ook bekend onder zijn Latijnse naam Hugo Grotius, is één van de grondleggers van het internationaal recht. Mare Liberum en De iure belli ac pacis zijn bekende werken van zijn hand.

Hugo de Groot, ook bekend onder zijn Latijnse naam Hugo Grotius, is één van de grondleggers van het internationaal recht. Met zijn werken Mare Liberum en De iure belli ac pacis stond hij aan de basis van het internationaal publiekrecht, ook wel het volkenrecht genoemd, dat zich van oorsprong bezighield met het regelen van de rechtsverhoudingen tussen staten.

Hugo de Groot is geboren in Delft als zoon van de invloedrijke en geleerde patriciër Jan de Groot. Zodoende groeide Hugo op in een uitzonderlijk netwerk van juristen, politici en schrijvers, waar onder andere ook Johan van Oldenbarnevelt en Joost van den Vondel deel van uitmaakten. Op elfjarige leeftijd begon de jonge Hugo al te studeren aan Universiteit Leiden. Hier leerde hij de (latere stadhouder) prins Frederik Hendrik kennen. Op zestienjarige leeftijd werd hij beëdigd als advocaat. Hij bleef echter een bijzondere liefde houden voor de academische wereld en weet via zijn invloedrijke kennis, de hofprediker Johannes Wtenbogaert, de positie van geschiedschrijver van de Staten-Generaal te bemachtigen. Dit bleek een opstapje naar meerdere hoge magistraatsfuncties, zoals advocaat-fiscalist aan het Hof, lid van de Staten van Holland, en de facto rechterhand van Van Oldenbarnevelt.

De vrije zee

In 1609 publiceerde hij in deze hoedanigheid Mare Liberum (De vrije zee). Hierin stelde De Groot dat de zee van iedereen was: geen land mag de zee aan zichzelf toe-eigenen. Uit de natuur volgt volgens De Groot dat de zee vrij is en gemeenschappelijk gebruikt moet kunnen worden. Dit werk werd nog tot 1994, toen het VN-zeerechtverdrag in werking trad, aangehaald om het recht op zee, zoals de vrije toegang tot de zeeën, te bepleiten.

Na de machtsstrijd tussen Van Oldenbarnevelt en prins Maurits van Nassau werd het De Groot verweten dat hij de verkeerde kant had gekozen. Op bevel van de rechtbank en prins Maurits werd hij in 1618 veroordeeld tot levenslange opsluiting. Zijn ontsnapping uit slot Loevestein, drie jaar later, is vele Nederlanders welbekend: De Groot wist zich te verstoppen in een boekenkist en zodoende via Gorinchem en Antwerpen te vluchten naar Frankrijk. Daar schreef hij zijn beroemde werk De iure belli ac pacis (1625), ofwel ‘Over het recht van oorlog en vrede’.

Over het recht van oorlog en vrede

In De iure belli ac pacis is een juridisch meesterwerk dat tevens breekt met de heersende rechtsopvatting van die tijd, namelijk van een godsdienstige grondslag naar natuurrecht: recht dat altijd en overal geldt en (via de menselijke rede) afgeleid kan worden uit de natuur. Het recht op zelfbehoud kwam volgens De Groot bijvoorbeeld voort uit de natuur. Hij seculariseerde hiermee de opvatting over het recht, daar hij stelde dat natuurrecht ook zou bestaan zonder een God. Deze herziening van het recht was ook de kiem voor latere grote denkers zoals onder andere de liberaal John Locke, die in natuurlijke, onvervreemdbare rechten van mensen dacht.

De Groot maakt in De iure belli ac pacis, zoals ook de titel duidelijk maakt, onderscheid tussen het recht dat geldt ten tijde van vrede en het recht dat geldt ten tijde van oorlog. Voornamelijk hield hij zich bezig met vraagstukken rondom oorlog, zoals de vraag wanneer het gerechtvaardigd is om oorlog te voeren en de vraag wat voor handelingen er in zo’n oorlog voor de strijdende partijen gerechtvaardigd zijn. Zo is volgens De Groot oorlog slechts in een beperkt aantal gevallen legitiem, daar het een basis had in het natuurrecht. Zo was in zijn ogen bijvoorbeeld oorlog uit zelfverdediging of als het tot doel had eigendommen te herstellen, gerechtvaardigd.

De Groot probeerde bovendien een middenweg te vinden tussen het denken dat alle militaire methoden geoorloofd zijn in een oorlog en het denken dat niets is geoorloofd. In een oorlog die een legitieme reden had mocht veel, maar verkrachting mocht in zijn ogen bijvoorbeeld niet. Ook maakte De Groot duidelijk dat zelfs als oorlogshandelingen gerechtvaardigd zijn, het niet altijd moreel juist of prudent is deze in te zetten. Hij pleitte voor gematigdheid en keerde zich bijvoorbeeld tegen onnodig bloedvergieten. Met dit werk heeft De Groot een belangrijke bijdrage geleverd aan het juridische en ethische denken over internationale oorlogsvoering.

John Rawls
Liberalen
02
Feb
2020
Feb 18, 2020
Elke week presenteren we u een liberaal. De liberaal van deze week is John Rawls (1921– 2002). De Amerikaanse Harvard-professor onderzoekt in zijn werk A Theory of Justice (1971) de principes voor een rechtvaardige samenleving.

John Rawls is één van de invloedrijkste moderne politiek filosofen. Rawls, geboren in Baltimore, studeerde aan diverse Amerikaanse universiteiten (Princeton, Cornell University) en schopte het in 1962 tot hoogleraar filosofie aan Harvard, waar hij meer dan dertig jaar lesgaf. Het is nu een kleine 18 jaar geleden dat Rawls overleed. Zijn meest bekende nalatenschap is zijn werk A Theory of Justice (1971), waar hij zijn theorie schetst over een rechtvaardige samenleving.

A Theory of Justice

In A Theory of Justice komt Rawls met een basisstructuur voor een rechtvaardige samenleving. Hij keert zich in dit werk uitdrukkelijk tegen de utilisten, die het grootste geluk voor de grootste hoeveelheid mensen nastreven. Volgens Rawls kan het utilisme leiden tot de onwenselijke situatie dat fundamentele rechten en vrijheden van individuen kunnen worden ingeperkt ten gunste van een groter geheel.

Rawls komt op bijzondere wijze tot zijn theorie van rechtvaardigheid, die hij justice as fairness(rechtvaardigheid als eerlijkheid) noemt. Namelijk door een gedachte-experiment uit te voeren. Daarbij moet men zich in gedachten verplaatsen naar wat Rawls the original position (de uitgangssituatie) noemt. Niemand weet in deze hypothetische situatie wie zij zijn, wat hun natuurlijke talenten zijn of hun sociale positie is in de maatschappij. Je weet dus bijvoorbeeld niet hoe intelligent je bent, of je in een rijk of arm gezin bent geboren. Je weet ook niet welke politieke of religieze opvattingen je hebt, of je optimistisch bent ingesteld of juist zeer pessimistisch. Iedereen bevindt zich, zoals Rawls dat noemt, achter een sluier van onwetendheid (''veil of ignorance'').

Dit is een eerlijke uitgangspositie volgens Rawls, omdat individuele talenten door de natuur willekeurig zijn verdeeld. Ook het feit in welk gezin je wordt geboren, is een kwestie van toeval. Omdat deze ongelijke verdeling in talenten en sociale klasse een kwestie van toeval is, en dus niet is verdiend, mag dit geen morele gevolgen hebben van Rawls. En dus moeten ze in het gedachte-experiment worden weggedacht.

Achter deze sluier van onwetendheid, zou er dan onderhandeld worden over de basisprincipes van de samenleving. Deze principes zouden dan, gezien het eerlijke vertrekpunt van iedereen, rechtvaardig zijn. Uiteindelijk, zo voor­spelt Rawls, zullen de rationele personen in het gedachte-experiment kiezen voor twee hoofdprincipes:

De rechtvaardigheidsprincipes van Rawls

Principe 1. Iedereen heeft evenveel recht op een zo uitgebreid mogelijk stelsel van basisvrijheden. Dit zijn de belangrijkste klassieke vrijheidsrechten die moeten worden gegaran­deerd, zoals het recht op vrije meningsuiting.

Principe 2. Sociale en economische ongelijkheid is alleen te rechtvaardigen als:

A)      er een systeem bestaat van gelijke kansen voor iedereen

B)      die ongelijkheid mede uitpakt in het voordeel van de minstbedeelden in de samenleving.

De twee principes staan nadrukkelijk in deze volgorde. De mensen in Rawls' uitgangssituatie zullen niet bereid zijn hun basale vrijheidsrechten op te offeren voor een vergroting van de materiële welvaart.

Met zijn theorie, die veel ruimte laat voor herverdeling van inkomsten en goederen en een actief beleid voor kansengelijkheid nastreeft, bevindt John Rawls zich aan de linkerkant van het liberale spectrum. Aan de uiterste rechterkant van dit liberale spectrum bevindt zich zijn intellectuele opponent Robert Nozick, die het weliswaar met Rawls eens is dat talenten geen persoonlijke verdienste zijn, maar stelt dat dit gegeven talenten nog niet tot collectief bezit maakt waarvan de samenleving de opbrengsten mag afromen. De meeste liberalen zullen zich ergens tussen de posities van Rawls en Nozick bevinden.

Wilhelm von Humboldt
Liberalen
02
Feb
2020
Feb 18, 2020
Fleur de Beaufort
Elke week presenteren we u een liberaal. De liberaal van de week is Wilhelm von Humboldt (1767 – 1835). Deze Pruisische denker en diplomaat is de bedenker van het Bildungsideaal, het ideaal van de optimale ontplooiing van individuen. Zijn werk heeft bijgedragen aan het denken over vrijheid, onderwijs, en de rol van de staat. Hij inspireerde onder meer de filosoof John Stuart Mill, bekend van het werk On Liberty.

Wie de naam Von Humboldt hoort denkt veelal direct aan de natuuronderzoeker Alexander von Humboldt, die vele reizen maakte en in onder meer Latijns-Amerika en Centraal-Azië veldwerk verrichtte op het gebied van vulkanologie, geologie en mineralogie. Minder bekend is Wilhelm von Humboldt, de twee jaar oudere broer van Alexander, die zich meer op de terreinen onderwijs, cultuur en politiek bewoog. Friedrich Wilhelm Christian Carl Ferdinand von Humboldt, werd op 22 juni 1767 geboren in Potsdam. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Frankfurt an der Oder, maar verruilde deze stad al snel voor Göttingen, alwaar hij ook meer zijn eigen interesses begon te volgen. Zo wijdde hij zich aan filosofie, geschiedenis en de klassieke talen. Ook Alexander richtte zich naast zijn verplichte studie staathuishoudkunde op zijn eigen interesses, zoals oudheidkunde en natuurkunde.

Levensloop

Beide broers zouden in hun carrière heel verschillende wegen inslaan. In 1796 stierf hun moeder Elisabeth. Dankzij de erfenis waren beide broers nu financieel volledig onafhankelijk. Terwijl Alexander daardoor de kans kreeg zijn verre reizen te starten, verschafte het Wilhelm de mogelijkheid met zijn gezin binnen Europa te reizen. In 1802 wist Humboldt de post van Pruisische gezant bij het Vaticaan te bemachtigen. Dankzij dit gezantschap kon Humboldt zijn teruggetrokken studieuze leven voortzetten in Rome. Hij startte vele projecten, doch had grote moeite tot een heldere afbakening te komen. Bovendien konden de essays die hij publiceerde vrijwel zonder uitzondering op onbegrip van de lezers rekenen.

Toch twijfelde Humboldt enige tijd toen hem in 1809 het verzoek uit Pruisen bereikte de leiding op zich te nemen over de ‘Sektion des Kultus und des öffentlichen Unterrichts’ bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Pruisen was vernietigend verslagen door Napoleon en in een poging een volksopstand te voorkomen was er dringende behoefte aan hervorming van bovenaf (Reform von oben). In regeringskringen was men eenstemmig over de noodzaak tot liberale hervormingen en zeker ten aanzien van het onderwijs was Wilhelm von Humboldt de meest aangewezen persoon. Aanvankelijk weigerde hij de functie en hij verzocht de koning tevergeefs om verlenging van zijn diplomatieke post in Rome. Uiteindelijk legde Wilhelm zich erbij neer en aanvaarde de nieuwe functie in Pruisen. Van de aanvankelijke twijfel en weigering was niets meer te merken toen hij eenmaal aan zijn taak begon. Met een enorm arbeidsethos en grote dynamiek zette Humboldt zich aan het werk. In nog geen 16 maanden wist hij vele hervormingen aan de hand van zijn reeds eerder op schrift gestelde ideeën over scholing door te voeren.

De basis voor zijn ideeën over opvoeding en scholing had Humboldt al vroeg gelegd. In 1791 voltooide hij de schets Über die Gesetze der Entwicklung der menschlichen Kräfte, waarin hij het belang van scholing uiteenzet. Fundamenteel was daarbij dat het individu centraal stond. Reeds in 1792 voltooide Humboldt wat tegenwoordig als zijn hoofdwerk gezien kan worden: Ideeen zu einem Versuch, die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen. Destijds werden slechts delen gepubliceerd. De eerste volledige publicatie zou pas volgen in 1851, toen Alexander zich met de (her)uitgave van de werken van zijn broer bezighield. Anders dan eind achttiende eeuw, toen de tijd nog onvoldoende rijp leek voor de ideeën van Humboldt, was de impact van het werk halverwege de negentiende eeuw enorm. Het werk inspireerde talloze andere auteurs, zoals Edouard Laboulaye (L’Etat et ses limites), John Stuart Mill (On Liberty) en Herbert Spencer (The Man versus the State). In 1854 volgde bovendien een Engelse vertaling van het werk.

Bedenker van het Bildungsideaal

Voor Humboldt was de ware bestemming van mensen erin gelegen zichzelf te vormen als een kunstwerk, waarbij alle individuele talenten zoveel mogelijk tot ontplooiing dienden te komen en uiteindelijk tot een harmonieus geheel moesten leiden. De ‘moderne’ staat had in de ogen van Humboldt slechts machtsuitbreiding en bevordering van de algemene welvaart tot doel. Iets wat vergaande regulering en bureaucratie vereiste, waardoor de staat als het ware van bovenaf heil brengt en de eigen kracht en individuele ontplooiing van burgers in de weg zit. Hiertegenover plaatst Humboldt de door hem zo bewonderde Oudheid. Destijds was politieke macht slechts een middel dat uiteindelijk tot een hoger doel zou moeten leiden, te weten ‘het goede leven’. Verlichting van bovenaf (Aufklärung von oben) is voor Humboldt een contradictio in terminis, daar ware Aufklärung in feite geestelijke vorming (Bildung) is en Bildung uiteindelijk per definitie Selbstbildung is. Staatspaternalisme en -inmenging zijn schadelijk, daar een staat slechts naar uniforme regels kan handelen en geen rekening kan houden met de individuele uniciteit. Hoewel de staat als hinderpaal wordt gezien op de individuele weg naar de eigen bestemming, gaat Humboldt niet zover dat hij de staat volledig wil afschaffen.

De staat mag dan wel als een kwaad worden gezien, het zal altijd een noodzakelijk kwaad blijven. De binnenlandse rechtsorde en de (inter)nationale veiligheid kunnen niet zonder een staat. Wel dient de staat zo terughoudend mogelijk te zijn bij het eventuele ingrijpen in het leven van burgers. Zaken als opvoeding, geloof, zedelijkheid of het materiële welzijn van burgers zijn geen staatsaangelegenheden. Een samenleving van vrije burgers is, volgens Humboldt, vreedzaam en welvarend. Mochten bepaalde sociale voorzieningen nodig zijn, dan moeten deze door private initiatieven tot stand worden gebracht. Indien de staat zich met dergelijke zaken gaat bemoeien, verkillen de onderlinge relaties tussen burgers. De aanname dat een dergelijke samenleving daadwerkelijk gaat functioneren is in het geheel terug te voeren op het concept Bildung. Humboldt is ervan overtuigd dat de mens goed is en wanneer ieder individu tot volledige ontplooiing kan komen, zal de aldus stijgende welvaart ook eenvoudiger en vrijwilliger worden verdeeld. Het Bildungsideaal van Humboldt is universeel.

In zijn leidende functie bij de ‘Sektion des Kultus und des öffentlichen Unterrichts’ kreeg Humboldt de kans zijn ideeën daadwerkelijk vorm te geven. Daarbij was enige centralisering – in feite in strijd met Humboldts opvattingen over de staat – aanvankelijk noodzakelijk om de conservatieve krachten die het bestaande systeem wilden handhaven te doorbreken. Humboldt wilde een onderwijssysteem waarbij ieder kind dezelfde mogelijkheden en kansen tot ontplooiing geboden zou krijgen, los van zijn afkomst. Ieder kind moest de gelegenheid krijgen zijn aanleg te ontwikkelen, zonder daarin gestuurd te worden door bijvoorbeeld ouders.

Het onderwijs zou, aldus Humboldt, in drie stadia uiteen moeten vallen. Aan de start staat het Elementarunterricht, waarin het fundament voor leren wordt gelegd. Kinderen leren gedachtes te uiten, verwoorden en begrijpen. Hier wordt het fundament gelegd om überhaupt verder te kunnen leren. Daarna volgt het Schulunterricht. Hierbij gaat het hoofdzakelijk om het leren van talen en het verwerven van wiskundige en historische kennis. Uiteindelijk doel van dit onderwijs is het ‘overbodig’ maken van de docent. Het kind leert in deze tweede fase zelfstandig te werken. De derde en laatste fase betreft het Universitätsunterricht, de kroon op het individuele Bildungsprozess, waarbij de mens voor wie dat is weggelegd zijn daadwerkelijke bestemming kan vinden. Het devies is hier zelfstandig leren, de professor begeleidt slechts nog op de achtergrond.

Humboldt-Universität

De rol van de staat in het onderwijs beperkt zich in de ogen van Humboldt slechts tot het scheppen van de juiste wettelijke en financiële voorwaarden. Overheidsbemoeienis met de inhoud van het onderwijs is uit den boze, daar de staat dan onderwijs zou kunnen misbruiken als middel tot sociale controle. De oprichting van de universiteit in Berlijn in 1810 – ruim een jaar na zijn aantreden – kan wel gezien worden als de kroon op Humboldts hervormingswerkzaamheden. Met veel elan wist hij de benodigde middelen voor de universiteit – oorspronkelijk een idee van de reeds overleden filosoof Johann Jakob Engel – te regelen, alsmede een locatie. Het paleis van de overleden jongere broer van Frederik de Grote in Berlijn. In 1949 werd de universiteit omgedoopt tot de Humboldt-Universität ter nagedachtenis aan de enorme nalatenschap van beide broers. De laatste 16 jaar van zijn leven trok Humboldt zich met zijn gezin terug op Schloss Tegel. Hij overleed in 1835.

Hoewel de ideeën van Humboldt na zijn overlijden zeker in het buitenland – meer dan in Pruisen zelf – veel erkenning kregen en anderen hebben aangezet tot grote werken, geniet zijn hoofdwerk tegenwoordig relatief weinig bekendheid onder een breder publiek. John Stuart Mill, die het werk van Humboldt gebruikte als startpunt voor de beroemde tekst On Liberty, kan zich wat dat betreft op meer eeuwige roem verheugen. Toch was Humboldt voor zijn tijdgenoten een groot denker, en geldt dat zijn ideeën over de vergaande staatsinmenging die nu al te vaak vanzelfsprekend lijkt, ook vandaag de dag nog relevant zijn.

Robert Nozick
Liberalen
01
Jan
2020
Jan 24, 2020
Elke week presenteren we u een liberaal. De liberaal (of eigenlijk: libertariër) van de week is Robert Nozick (1938-2002). Gisteren, 23 januari, was het precies 18 jaar geleden dat hij overleed. Nozick gaat uit van het principe dat de mens eigenaar van zichzelf is en van wat daaruit voortkomt. Dat heeft verregaande gevolgen. Zo zag hij belasting op arbeid als een vorm van dwangarbeid.

Hoogleraar filosofie Robert Nozick beschikte in Harvard over een kamer aan dezelfde gang als John Rawls en werd met de publicatie van Anarchy, State and Utopia in 1974 de belangrijkste filosofische opponent van Rawls. Rawls vond een zekere herverdeling van middelen in een maatschappij gerechtvaardigd, aangezien talenten, zoals een hoge intelligentie, niet verdiend zijn. Ongelijkheid in welvaart was volgens Rawls enkel te rechtvaardigen wannneer startkansen gelijk zijn en wanneer ongelijkheid mede in het voordeel van de minstbedeelden uitvalt. Alle ruimte dus voor de overheid om via sociale wetgeving fors te corrigeren wanneer niet aan deze criteria wordt voldaan.

Nozick neemt afstand van dit soort herverdelingsdenken. Hervedeling wordt volgens hem door velen gezien als iets dat vanzelfsprekend nagestreefd moet worden, waarbij de enige vraag nog rest hoe en op welke gronden die rechtvaardige herverdeling er dan uitziet. Maar herverdeling is volgens Nozick helemaal geen ‘neutrale term’. Moeten we middelen überhaupt opnieuw verdelen, vraagt de libertariër Nozick zich af. Is enige vorm van herverdeling gerechtvaardigd?

Nee, is de stellige conclusie van Nozick. Althans, niet in de zin van een staat die de macht claimt over iemands eigendommen en ze vervolgens via een bepaald moreel principe herverdeelt. In een vrije maatschappij is de enige manier waarop middelen aan een ander kunnen worden overgedragen via een gift of vrijwillige transactie, vindt Nozick. Daarbij is het van belang dat die transactie op eerlijke wijze, en bijvoorbeeld niet door fraude, geweld of diefstal, tot stand is gekomen. Is dat wel het geval, dan dient er rectificatie plaats te vinden.

Wilt Chamberlain

Met andere woorden: wat betreft het vraagstuk van een rechtvaardige verdeling moet er volgens Nozick niet worden gekeken naar wat en hoeveel mensen hebben, maar naar hoe iets is verkregen. Hij wijst theorieën die uitgaan van een bepaalde abstracte morele doelstelling (‘iedereen behoort evenveel inkomsten te hebben’) dan ook af. Zijn kritiek op deze theorieën illustreert hij met een verhaal over Wilt Chamberlain:

Stel u voor dat uw favoriete rechtvaardige verdeling, zeg inkomens­gelijkheid, gerealiseerd is. U bevindt zich dan in een naar uw idee rechtvaardige samenleving waarin alle burgers even­veel verdienen. Nu is de beroemde Amerikaanse basketbalspeler Wilt Chamberlain op zoek naar een nieuwe club. Hij sluit een contract met een sportclub, waarin is afgesproken dat mensen die hem willen zien spelen naast hun toegangs­kaartje 25 cent extra moeten betalen. Dit geld komt terecht in een aparte box voor Chamberlain. De toeschouwers hebben die 25 cent graag voor hem over. In een seizoen komen er een miljoen enthousiaste toeschouwers en Chamberlain verdient in een seizoen dus 250.000 dollar, en heeft dus opeens veel meer geld dan de bedoeling was gezien het ideaal van gelijkheid in inkomen.

Is dit dan onrechtvaardig? Deze mensen hebben toch simpelweg vanuit een ‘rechtvaardige’ verdeling – iedereen heeft gelijke inkomsten – een vrijwillige handeling verricht met hun geld? Zij waren immers blij het geld aan Chamberlain af te staan om hem te kunnen zien. Ook de club en Wilt Chamberlain waren tevreden met de afspraak. Kennelijk, concludeert Nozick, kunnen dit soort morele doelstellingen (gelijke inkomsten voor iedereen) dus enkel worden gehandhaafd door een voortdurend ingrijpen van bovenaf in de vrije keuzes van mensen.

Dit staat haaks op het ideaal van Nozick van autonome individuen die in vrijheid kunnen beschikken over zichzelf en hun middelen. Het idee dat fundamenteel is voor Nozick is dat van self-ownership. In navolging van John Locke kent Nozick natuurlijke, onvervreemdbare rechten toe aan individuen, waarbij Nozick de radicale conclusie trekt dat mensen eigenaar van zichzelf zijn. Anders dan bij Rawls, vindt Nozick dan ook dat niemand, dus ook geen staat, aanspraak kan maken op de opbrengst van iemands inzet en talenten. Ook al zijn jouw talenten helemaal geen verdienste, dat maakt de vruchten van jouw talent nog niet tot collectief bezit, vindt Nozick. Je talenten zijn immers van jou en alles wat je daarmee bereikt, is dan ook van jezelf. Daarmee zet Nozick de deur open voor grote inkomensverschillen, die in zijn ogen dan ook niet problematisch zijn.

De minimale staat

Is er dan überhaupt wel plaats voor een overheid in Nozicks theorie, kun je je afvragen. Ja die is er, maar slechts minimaal. Nozick werkt in zijn Anarchy, State and Utopia het idee uit van een minimale staat die, anders dan via een ‘sociaal contract’ tussen burgers en staat, vanzelf stapsgewijs ontstaat, en daarmee zonder schending van individuele rechten tot stand komt. Deze minimale staat beperkt zich tot de bescherming van burgers tegen geweld, diefstal, fraude, en doet contracten naleven. Een staat die meer doet dan dat en middelen van individuen gaat herverdelen om allerlei collectieve doelen te bereiken, maakt volgens Nozick inbreuk op de individuele rechten van mensen. Belastingheffing is in de ogen van Nozick dan ook net zoiets als diefstal of dwangarbeid.

Hoewel voor de meeste liberalen de libertariër Nozick te ver gaat met zijn minimale staat die niet mag zorgen voor bijvoorbeeld de aanleg van dijken, onderwijs, armoedebestrijding of gezondheidszorg, is zijn grondhouding – de mens is eigenaar van zichzelf en geen collectief bezit – een relevante invalshoek voor liberalen. Nozick hecht een sterke waarde aan het individu. Het dwingt tot nadenken waarom, en in welke gevallen, de overheid eigenlijk inbreuk mag maken op personen en hun eigendommen.

Juan Bautista Alberdi
Liberalen
01
Jan
2020
Jan 15, 2020
Wilbert Jan Derksen
Vandaag laten we jullie kennismaken met de Argentijnse denker Juan Bautista Alberdi: liberaal en architect van een economisch succesverhaal. Waar Argentinië nu gekenmerkt wordt door economische misère, stond het in 1913 in de top 10 van de meest welvarende landen ter wereld. Alberdi's nalatenschap is een reeks publicaties die tot op de dag van vandaag als relevant wordt gezien in Argentinië en waar door liberale Argentijnse politici en academici nog regelmatig naar wordt verwezen.

Wie aan Argentinië denkt, denkt al snel aan economische misère. Dit land kenmerkt zich door een continue economische instabiliteit, waarbij het land om de zoveel jaar in een diepe economische crisis stort. Hoe anders was dit zo’n 100 jaar geleden. In het jaar 1913 stond Argentinië nog in de top 10 van de meest welvarende landen ter wereld, met een BBP per capita groter dan Frankrijk en zelfs twee keer zo groot als dat van Italië. In de periode 1860-1930 was de economische groei in Argentinië zo sterk dat men zelfs verwachtte dat Argentinië de Verenigde Staten van Zuid-Amerika zou worden. Kortom, een waar economisch wonder. Vandaag laten we jullie kennismaken met Juan Bautista Alberdi: liberaal en architect van dit succesverhaal.

Generación del '37: beweging van liberale intellectuelen

Alberdi werd in 1810 geboren in een land dat zes jaar later zijn onafhankelijkheid van Spanje verkreeg. De Argentijnse onafhankelijkheid ging gepaard met een jarenlange burgeroorlog en politieke onrust. In deze roerige periode begon Alberdi aan zijn studie rechten en ontwikkelde hij zijn politiek-filosofische visie. In 1837 vormde hij samen met andere liberaalgezinde intellectuelen de ‘Generación del ‘37’ (Generatie van ’37). De leden van deze beweging zagen de onafhankelijkheid van Argentinië als een uitgelezen kans om nieuwe politieke ideeën te omarmen en implementeren. Zij lieten zich inspireren door filosofen als Jean-Jacques Rousseau en Charles de Montesquieu en streefden naar de vestiging van een democratische republiek. Hiermee verzetten zij zich tegen het absolutisme, dat ondanks de verdrijving van de Spanjaarden nog steeds grip had op het land in de vorm van dictator Juan Manuel de Rosas.

Toen De Rosas lucht kreeg van deze beweging zag Alberdi zich uiteindelijk genoodzaakt het land te ontvluchten. In Uruguay behaalde hij zijn diploma, maar nadat dit land in een burgeroorlog verstrikt raakte verhuisde Alberdi naar Europa. In Parijs ontmoette hij de Argentijnse vader des vaderlands José San Martin, de generaal die destijds de onafhankelijkheidsstrijd tegen de Spanjaarden aanvoerde. Alberdi wijdde in deze periode zijn tijd aan het bestuderen van de werken van onder anderen Alexis de Tocqueville, Jeremy Bentham en Adam Smith. Ook bestudeerde hij uitvoerig de Grondwet van de Verenigde Staten. In 1852 publiceerde Alberdi zijn magnum opus, nadat eerder dat jaar het De Rosas regime was gevallen in Argentinië. Bases y puntos para de partida para la organización de la República Argentina (Bases en uitgangspunten voor de organisatie van de Republiek Argentinië) werd het concept voor de Argentijnse Grondwet van 1853. Deze grondwet vormde het fundament op basis waarvan de liberale visie die Alberdi voor ogen had geïmplementeerd kon worden.  

Te grote overheid

Alberdi pleitte onder meer voor een vrije en open markt, een overheid die zich beperkt tot zijn kerntaken en voor religieuze tolerantie en individuele vrijheid. Ook stelde hij dat Argentinië een exploiterend en inefficiënt belastingstelsel had geërfd na zijn onafhankelijkheid; “Nadat we koloniën van Spanje waren, zijn we dit van onze nationale overheden geworden. Altijd een fiscale staat, altijd slaafse inkomensmachines”. Hij gaf aan dat Argentinië en veel andere Latijns-Amerikaanse landen gebukt gingen onder een te grote overheid, die buitenlandse leningen verspilde aan het financieren van ambtenarensalarissen in plaats van daadwerkelijk te investeren. Dit had een enorme en onbetaalbare staatsschuld tot gevolg.

Ook verzette Alberdi zich tegen het idee van importsubstitutie: “het protectionisme is niet levensvatbaar”. Het land zou zich meer open moeten stellen naar het buitenland om zo nieuwe industrieën te creëren, waarbij eigendomsrechten gegarandeerd moesten worden. Hij zag in dat voor dit geografisch afgelegen land – dichter bij de Zuidpool dan bij een belangrijke economische grootmacht – economische stabiliteit en openheid tegenover de internationale handel absoluut noodzakelijk waren, omdat het land anders letterlijk en figuurlijk afgesloten zou zijn van de wereldhandel.  

''Regeren is bevolken''

Als groot bewonderaar van het Amerikaanse succesverhaal wilde Alberdi Europese migranten aantrekken, zoals ook de Verenigde Staten dit had gedaan. Het enorme Argentinië was immers zwaar onderbevolkt en Alberdi stelde: “gobernar es poblar” (regeren is bevolken). Ook moest de overmaat aan regelgeving en bureaucratie voor het bedrijfsleven beteugeld worden. Hij zag de veelvoud aan overheidsbemoeienis als een strop voor de Argentijnse economie. Zo zei hij: “de welvaart van een land is het werk van de natie, niet van de overheid”.

Met de invoering van de Grondwet van 1853 en de liberale koers die vanaf dat moment werd gevaren begon de economie hard te groeien. Maar het was pas vanaf ongeveer 1880, toen Argentinië na een lange reeks burgeroorlogen ook politiek gezien in een rustiger vaarwater terecht kwam, dat de economie echt explosief begon te groeien. Als liberaal bakermat van Latijns-Amerika lukte het land zijn vee- en graanteelt te optimaliseren en massaal te exporteren en wist Argentinië veel Britse en Franse investeringen aan te trekken. Net zoals de VS, kreeg Argentinië al gauw de reputatie als een land of opportunity. Met een gemiddelde economische groei van acht procent per jaar trok het land enorme migratiestromen aan, met name vanuit Italië en Spanje.

Opvallend is dat Alberdi ondanks zijn grote invloed op de Argentijnse geschiedenis eigenlijk nooit definitief is teruggekeerd naar het land. Hij woonde voornamelijk in het buitenland om daar de Argentijnse belangen te behartigen. Zo ontmoette hij onder anderen de Amerikaanse president Franklin Pierce, de Britse koningin Victoria en de Franse keizer Napoleon III. Alberdi heeft alleen de beginfase van het economische wonder van Argentinië mee mogen maken. Hij overleed in 1884 in Parijs. Zijn nalatenschap is een reeks publicaties die tot op de dag van vandaag als relevant wordt gezien in Argentinië en waar door liberale Argentijnse politici en academici nog regelmatig naar wordt verwezen.

Economisch succes kwam ten einde

Helaas voor Argentinië kwam het economische succesverhaal rond 1930 ten einde. De wereldwijde Grote Depressie raakte – net als in veel andere landen – de economie hard, en het land viel ten prooi aan een reeks militaire coups. Door het stilvallen van de internationale handel werd de liberale koers vervangen door wederom een beleid van importsubstitutie en staatsinterventie. In de daarop volgende decennia werden veel van Alberdi’s ideeën tenietgedaan door middel van grondwetamendementen. Politiek en economisch gezien kwam het land in een wervelstorm van instabiliteit terecht waar het eigenlijk nooit meer is uitgekomen.

Bovendien kwam met de opkomst van Juan Péron het land onder de vloek van het populisme te staan. Dit, in combinatie met diep ingebedde corruptie ondermijnt tot op de dag van vandaag elke poging van het land om de gloriedagen van weleer te herbeleven. Dat is jammer voor de Argentijnen, want dankzij Alberdi weten we de enorme potentie die dit land in zich heeft.

John Locke
Liberalen
01
Jan
2020
Jan 10, 2020
Elke week presenteren we u een liberaal. De liberaal van deze week is John Locke. Deze zeventiende-eeuwse Engelse filosoof wordt als één van de grondleggers van het liberalisme beschouwd. Vooral zijn denken over staatsvorming, privé-eigendom en tolerantie is voor liberalen interessant.

De Engelse filosoof John Locke wordt als één van de grondleggers van het liberalisme beschouwd. Locke groeide op in het dorpje Somerset, was tien jaar oud toen de Engelse burgeroorlog uitbrak en ging later geneeskunde studeren in Oxford.

Hoewel Locke een belangrijke bijdrage leverde aan het empirisme – de stroming die meent dat aangeboren ideeën niet bestaan en kennis wordt opgedaan door zintuiglijke waarneming – is voor liberalen vooral zijn politieke filosofie van belang. Twee belangrijke uitingen daarvan zijn Two Treatises of Government en zijn brief over tolerantie.

Contractdenken

Hoe komen vrije individuen tot een maatschappij? Locke probeert in zijn werk Two Treatises of Governement (1690) op deze vraag een antwoord te formuleren en tot een legitimatie te komen voor staatsmacht. Locke doet dat door in zijn redenering uit te gaan van een natuurtoestand: een situatie van vrije individuen die nog niet onder een staatsmacht vallen. Pas als individuen zélf instemmen met het toetreden tot een politieke gemeenschap, en zo vanuit vrije wil een sociaal contract met een staatsmacht sluiten, vallen zij onder dit gezag. Dat betekent ook dat iemand ervoor kan kiezen niet bij een politieke gemeenschap te willen horen. Dan wordt hij gelaten in de situatie waarin hij zich bevond: de natuurtoestand.

Hoewel een andere contractdenker, de filosoof Thomas Hobbes (1588 - 1679), deze natuurtoestand schetst als wreed en onveilig, schetst Locke deze een stuk vreedzamer. Toch ziet Locke goede reden voor mensen om zich te verbinden aan een politieke gemeenschap. In de natuurtoestand geldt het recht op zelfbehoud met de plicht datzelfde recht van een ander te respecteren. Maar omdat ieder zelf de vrijheid heeft invulling te geven aan wat zelfbehoud is en anderen te straffen als zij dit principe niet respecteren, zet dit de deur open voor eigenrichting. En daarmee een spiraal van geweld en tegengeweld.

Een staat kan volgens Locke dan ook beter zorgdragen voor de natuurlijke rechten van de mens: bescherming van het leven, de vrijheid en het bezit van mensen. Een staat kent namelijk, anders dan de natuurtoestand, eenduidige wetten waar mensen zich aan moeten houden en een onpartijdige rechter die geschillen oplost. Ook is er het gezag om vonnissen daadwerkelijk af te dwingen en uit te voeren.

Toch is die staatsmacht niet onvoorwaardelijk. Als een machthebber de rechten van de burgers niet respecteert, niet meer voldoet aan de doelen waarvoor de staat is opgericht, het vertrouwen verliest van de burgers, dan wordt het sociale contract geschonden. Dan is het volgens Locke gerechtvaardigd de zittende macht te ontbinden. Hiermee kwam Locke met een theoretische fundering van het recht van opstand.

Eigendom

In zijn Two Treatises of Government zette Locke niet alleen uiteen dat de staat er was voor de burgers, en niet andersom, hij fundeerde ook het recht op particulier eigendom. Want waarom zou iemand een hek mogen zetten om een stuk land en dat als de zijne claimen, vroeg Locke zich af. De aarde is toch van ons allemaal?

Locke argumenteert als volgt. Hij stelt ten eerste dat ieder van nature eigendom heeft ‘in zijn eigen persoon’. De arbeid die voortkomt uit zijn lichaam, is daarom ook van hem. Volgens Locke mocht iemand een stuk grond met recht zijn eigendom noemen, als hij de aarde met zijn arbeid vermengt. Als grond wordt bewerkt om aardappelen te telen bijvoorbeeld. Iemand heeft er dan iets van zichzelf in gelegd en daarom kunnen de vruchten van zijn lichamelijke arbeid worden beschouwd als rechtmatig privé-eigendom.

Dat betekent overigens niet dat iemand volgens Locke onvoorwaardelijk grond mag accumuleren. Zo is het niet de bedoeling dat iemand zo veel grond accumuleert dat een deel braak blijft liggen. Wie zijn grond niet cultiveert heeft volgens Locke geen recht op die grond, want grond moet nuttig worden aangewend. De aarde is volgens Locke namelijk door God gegeven zodat de mens het voor zijn bestwil kan gebruiken – en is er niet voor bedoeld om ‘te laten bederven of kapot te maken’. Ook stelt Locke dat er bij privé-toe-eigening er nog ‘genoeg’, en ‘even goede’ natuurlijke goederen moet overblijven voor de rest.

Tolerantie

Een ander veelgenoemde bijdrage van Locke aan de filosofie is zijn brief over tolerantie: A Letter Concerning Toleration (1689). Hij schreef deze lange brief in de Nederlandse Republiek, aangezien hij Engeland om politieke redenen was ontvlucht.

In deze brief schrijft Locke over het belang van geloofsvrijheid en wijst hij dwang- en geweldsmiddelen van gezagsdragers om iemand tot het ‘juiste’ geloof te brengen, af. Kern van Locke’s betoog is dat mensen niet door dwang of geweld maar slechts door eigen innerlijke overtuiging tot het (juiste) geloof kunnen komen. De staat behoort volgens Locke bovendien niet over iemands geloofszaken te gaan. Die moet zich slechts bezighouden met het beschermen van leven, vrijheid en bezit. Ook stelt Locke dat een kerk een vrijwillige gemeenschap is. Tot welke kerk iemand behoort is een zaak van vrije toe- en uittreding.

Er zijn dus verschillende liberale elementen te vinden in deze brief. Toch is het liberale gehalte van deze brief beperkt: zo richtte Locke’s tolerantiebegrip zich uitsluitend op protestanten onderling en vond hij bijvoorbeeld niet dat eenzelfde mate van tolerantie atheïsten en katholieken toekwam.

Adam Smith
Liberalen
12
Dec
2019
Dec 19, 2019
Patrick van Schie
Elke week zullen we u een liberaal presenteren, meer of minder bekend. De tweede ‘liberaal van de week’ is de bekende achttiende-eeuwse Schotse econoom en filosoof Adam Smith. Adam Smith wordt beschouwd als dé verdediger van het kapitalisme. Maar hij heeft meer te bieden dan dat. Zelf zag hij niet zijn beroemde economische werk The Wealth of Nations, maar zijn moraal-filosofische The Theory of Moral Sentiments als zijn belangrijkste boek.

De Schot Adam Smith is samen met David Hume de bekendste vertegenwoordiger van wat nu de Schotse Verlichting wordt genoemd. Dit is de periode tussen ongeveer 1740 en 1790 waarin Schotland op wetenschappelijk en literair gebied een grote bloeitijd beleefde. De Schotse Verlichting is lange tijd  in de schaduw van de Franse en Duitse Verlichting gebleven, maar zij is enkele decennia geleden als het ware ‘herontdekt’.

Adam Smith werd in 1723 geboren in het dorpje Kircaldy en studeerde in Glasgow en Oxford. De laatste universiteit stond toen niet zo hoog stond aangeschreven als tegenwoordig, en het beviel Smith daar dan ook maar matig. Het academische leven in Schotland was uitdagender. De vrijgezel Smith zou gedurende dertien jaar hoogleraar filosofie aan de universiteit in Glasgow zijn. Later deed hij bovendien nuttige kennis op in het meer praktische leven, in het bijzonder als hoofd van de douane in Edinburgh.

The Wealth of Nations

Het was deze praktische kennis die hem van pas kwam bij het schrijven van het boek dat hem tegenwoordig het meest beroemd maakt: An Inquiry Into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, kortweg The Wealth of Nations. Door dit in 1776 gepubliceerde boek geldt Smith als de grondlegger van de economie. Hij betoont zich een warm aanhanger van een vrije markteconomie.

Omdat hij sindsdien als dé verdediger van het kapitalisme wordt beschouwd, heeft het misverstand postgevat dat Smith een pleitbezorger zou zijn geweest van de belangen van het grootkapitaal. Maar Smith verdedigde de vrije markt niet omdat deze gunstig zou zijn voor (grote) ondernemingen maar omdat een vrije markt het meest gunstig is voor alle burgers in hun economische rol als consumenten. Het is niet uit goedheid dat ondernemers de wensen van consumenten vervullen maar zij worden daartoe door concurrentie geprikkeld. Een producent die een te slecht product of een waardeloze dienst levert en/of daarvoor een hoge prijs vraagt, verliest klanten aan een concurrent die betere waar voor een lagere prijs biedt. Vrije toetreding van (nieuwe) ondernemers tot de markt is hiertoe essentieel.

Smith bezag het economische leven niet (zoals tot dan toe het geval was) vanuit de belangen van de vorst (die vooral meer belastingen wilde kunnen heffen) of van de ondernemers, maar vanuit die van individuele burgers en hun vrijwillige samenwerkingsverbanden. Een land bereikt niet de hoogste welvaart indien een overheid de economie van bovenaf dirigeert, maar wanneer burgers de vrijheid wordt gelaten hun eigenbelang te dienen. Smith noemde het door hem voorgestane economisch model een ‘system of natural liberty’. In zo’n toestand van natuurlijke vrijheid vinden vraag en aanbod elkaar vanzelf als ware het gedreven door een ‘onzichtbare hand’. Die onzichtbare hand staat niet, zoals tot de dag van vandaag door menigeen ter linkerzijde wel wordt gedacht, voor een sturende overheid maar voor het prijsmechanisme. Dat zorgt ervoor dat mensen die elkaar zelfs in het geheel niet kennen in een vrije marktstelsel toch in elkaars noden zullen gaan voorzien.

Smith beschreef in The Wealth of Nations tevens hoe door arbeidsdeling de productie spectaculair kon worden verhoogd. Waar één arbeider indien hij geheel op zichzelf spelden zou moeten maken er hooguit twintig per dag kan produceren, kunnen tien arbeiders door zich elk op een onderdeel van het productieproces toe te leggen wel 50.000 spelden per dag maken. Het is zo’n innovatie die tot economische groei leidt.

The Theory of Moral Sentiments

Hoewel Adam Smith beroemd is geworden als econoom was hij eigenlijk moraalfilosoof, een filosoof van goed en kwaad. Zelf zag hij niet The Wealth of Nations maar The Theory of Moral Sentiments als zijn belangrijkste boek. Hij publiceerde daarvan een eerste versie in 1759, maar bleef er zijn hele leven aan sleutelen tot en met de herziene zesde editie uit 1790.

Kort gezegd betoogt Smith in The Theory of Moral Sentiments dat ons besef van goed en kwaad niet van boven komt (of: bestaat uit wat kerken ons voorhouden en proberen op te leggen), maar dat het tot stand komt als gevolg van ons menselijk verkeer. Wij mensen bepalen door samen te leven en door daarop te reflecteren wat we als ‘goed’ beschouwen en wat als ‘slecht’. Dit berust op ons vermogen tot wat Smith ‘sympathy’ noemt, en niet zozeer als sympathie maar als empathie – inlevingsvermogen – moet worden vertaald. Door ons te verplaatsen in anderen stellen wij ons voor hoe wij in hun plaats zouden hebben gehandeld. Als iemand denkt: net zoals hij of zij, dan noemen we die handeling ‘goed’; denkt iemand zelf in een bepaalde situatie anders te zullen handelen, dan beoordeelt iemand zo’n handeling als ‘slecht’.

Omdat wij niet alleen anderen bekijken maar ons ook bewust zijn door onze medemensen te worden bekeken, passen mensen hun handelingen aan op wat zij verwachten dat lof dan wel afkeuring zal oogsten. De mens wil immers aardig worden gevonden en doet daarom liever iets dat door anderen zal worden toegejuicht dan iets dat door die anderen zal worden veroordeeld. Enerzijds wordt de mens dus zelfs bij de moraal gedreven door eigenbelang, anderzijds heeft dat eigenbelang een grote sociale component.

Overig

In The Wealth of Nations bepleit Smith een zeer terughoudende overheid. Die behelst echter wel degelijk meer dan wat vaak 'de nachtwakersstaat’ wordt genoemd: handhaven van het recht en defensie tegen vreemde agressie. Ook in infrastructuur (in zijn tijd: wegen, vaarwegen, dijken e.d.) en in het bieden van een zekere mate aan onderwijs, zag Smith belangrijke staatstaken.

De meer precieze inrichting van de overheid had aan de orde moeten komen in een boek waaraan Smith wel heeft gewerkt maar dat hij nooit heeft gepubliceerd. Hij was nogal perfectionistisch ingesteld en was niet tevreden met het manuscript, dat hij dan ook bij zijn dood liet vernietigen. Een indruk van wat dit boek zou hebben moeten opleveren, kunnen wij krijgen door aantekeningen die studenten van hem hebben gemaakt tijdens zijn colleges. Deze natuurlijk nog minder volmaakte college-aantekeningen zijn na zijn dood als Lectures on Jurisprudence uitgegeven.

Op talloze manieren wordt Adam Smith nog altijd geëerd. Op de universiteit van Glasgow, waar hij hoogleraar was, staat een standbeeld op een enigszins verstopte plek. In 2008 werd echter op de ‘Royal Mile’ in Edinburgh een prominent standbeeld onthuld. Ook buiten zijn eigen Schotland staan standbeelden van hem. Zijn gezicht prijkt bovendien op het Britse bankbiljet van £ 20,-.

John Stuart Mill
Liberalen
12
Dec
2019
Dec 12, 2019
Elke week zullen we u een liberaal presenteren, meer of minder bekend. De eerste ‘liberaal van de week’ is een bekende: de Britse filosoof John Stuart Mill. Deze tekst over Mill is hoofdzakelijk samengesteld op basis van twee eerdere publicaties van de TeldersStichting: Het Liberalenboek (2011) en het boek ‘Filosofen van het klassieke liberalisme’ (1993).

De negentiende-eeuwse Britse filosoof John Stuart Mill is één van de belangrijkste liberale filosofen. Hij werd geboren in Londen op 20 mei 1806. Door zijn vader, de Schotse historicus, politicus, econoom en filosoof James Mill, werd hij streng opgevoed. Van zijn vader en zijn peetoom Jeremy Bentham kreeg hij op peuterleeftijd al scholing. ‘Ik kan mij niet meer herinneren wanneer ik Grieks begon te leren’, schrijft hij in zijn autobiografie. Hem werd later verteld, dat hij toen drie jaar zou zijn geweest. Ook wiskunde, geschiedenis en logica waren al vroeg onderwerp van studie.

Dit soort exercities zouden hem voor de rest van zijn intellectuele leven hebben geholpen. Mill zag zichzelf niet als een man van uitzonderlijke gaven. ‘Wat ik toen kon had iedere gezonde jongen of meisje met een gemiddelde aanleg ook gekund. Als ik iets in mijn leven heb bereikt heb is dat, naast andere gunstige omstandigheden, te danken aan de opvoeding van mijn vader. Daardoor begon ik simpelweg met een kwart eeuw voorsprong op mijn leeftijdgenoten,’ schrijft hij in zijn autobiografie. Aan de andere kant is Mill door zijn kille, rationele opvoeding later in een depressie geraakt.

Als jongere werd Mill ook ondergedompeld in de denkbeelden van zijn vader en peetoom Jeremy Bentham, zogenoemde utilitaristen. Het utilitarisme stelt dat een goede keuze datgene is wat het grootste geluk voor de grootste hoeveelheid mensen oplevert. Hoewel Mill zijn oorsprong vond in dit utilitaristische denken en er zelfs een heel boek aan wijdde, met de toepasselijke titel ‘Utilitarianism’ (1863), was Mill een breder georiënteerde filosoof dan zijn vader en peetoom. Voor liberalen is Mills denken over vrijheid het meest van belang; specifiek zijn beroemde werk On Liberty.

On Liberty

In 1859 publiceerde Mill On Liberty, tot op de dag van vandaag één van de standaardwerken van de liberale filosofie. In dit werk staan de individuele vrijheid en het belang van ontplooiing centraal. Voor Mill is de vrijheid van het individu bijna absoluut, daar waar het uitingen betreft. Volgens hem heeft een meerderheid niet het recht om minderheidsmeningen tot zwijgen te brengen. Om een aantal redenen. Ten eerste omdat kan blijken dat een minderheid weleens gelijk zou kunnen hebben. In de tweede plaats kan de minderheid een beetje gelijk hebben, in welk geval een uitwisseling van gedachten alleen maar nuttig kan zijn. En in de laatste plaats, zelfs als de meerderheid evident gelijk heeft, kan het laten voortbestaan van afwijkende opinies vruchtbaar zijn, omdat een voortdurend ter discussie stellen van een heersende overtuiging die overtuiging behoedt voor verstarring.

De vrijheid van handelen daarentegen, kan volgens Mill nooit zo groot zijn als de vrijheid van denken en spreken. De handelingsvrijheid vindt namelijk haar begrenzing in andermans rechten. Dit is het bekende schadebeginsel: de vrijheid van de één kan slechts worden ingeperkt wanneer het schade toebrengt aan anderen. Niet elke onwelkome handeling kan worden betiteld als 'schade'. Zo valt het gegeven dat een ander zich beledigd voelt niet onder zijn begrip van schade.

Naast vrijheid en de begrenzing daarvan, benadrukte Mill in dit werk het belang van individuele ontplooiing. De menselijke natuur is volgens hem geen machine die naar een bepaald model kan worden gebouwd om zo bepaalde taken naar believen uit te voeren. Integendeel: de menselijke natuur is als een boom die ongehinderd naar alle kanten moet kunnen uitgroeien. Mill keert zich dan ook tegen paternalistische neigingen van staat en omgeving de individuele ontplooiing in te perken, zoals de ingebonden voeten van voorname Chinese vrouwen. Zodra een mens over gezond verstand en ervaring beschikt is de manier waarop hij zijn leven inricht de beste. Niet omdat dit op zichzelf beschouwd zo zou zijn, maar omdat het zijn eigen manier is.

Evengoed rechten voor vrouwen

Vrijheid en ontplooiing waren voor John Stuart Mill niet uitsluitend het voorrecht van mannen. Het kwam vrouwen net zo goed toe. In het werk The subjection of women (1869) pleit Mill, geïnspireerd door zijn zielsverwante en latere vrouw Harriët Taylor en stiefdochter Helen Taylor, voor de gelijkstelling van vrouwen op politiek en maatschappelijk gebied. Hoe iemand ooit op het idee zou kunnen komen anderen om biologische redenen het kiesrecht te ontzeggen was hem een raadsel. De onderwerping van vrouwen belemmert volgens Mill ook de vooruitgang van de mensheid. Als lid van het Britse Lagerhuis kwam Mill in 1867 met een voorstel voor algemeen kiesrecht en pleitte hij voor het vervangen van de term ‘man’ door de neutrale term ‘persoon’. Mill voegde zelf de daad bij het woord door de bijdrage van Harriët aan zijn filosofisch werk herhaaldelijk en nadrukkelijk te benoemen.

Considerations on representative government

Een ander belangrijk werk van Mill is Considerations on representative government (1861), dat slechts twee jaar na On Liberty uitkwam. Hoewel Mill in On Liberty stelde dat democratieën naar collectieve middelmatigheid neigen, betoonde hij zich in Considerations on representative government een voorstander van algemeen kiesrecht: een samenleving mocht geen politieke ‘paria’s’ creëren. Weliswaar vond Mill dat alleen wie kon lezen, schrijven en rekenen mocht stemmen, maar in beginsel kon iedereen dat leren. Hij was tevens tegen ‘representation without taxation’; wie niet aan de staatskas meebetaalde mocht de uitgaven niet meebepalen. Wie slimmer was – blijkend uit bepaalde examens of uitgeoefende beroepen – zou juist extra stemmen mogen uitbrengen. Dit wordt meervoudig kiesrecht genoemd. Ten slotte stelde Mill dat het bestaan van nationale saamhorigheidsgevoelens en een publieke opinie op basis van een gemeenschappelijke taal noodzakelijk zijn, wil een democratie goed functioneren.

Roderick Timmer - Hogedrukgebied
Reflectie
Technologie
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Jan Keunen - Een landelijk vuurwerkverbod is een liberaal besluit: legaal vuurwerk langs de liberale meetlat
Reflectie
Binnenland
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Peter de Groot en Bianca van Dijk - Sociale huur
Reflectie
Binnenland
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Lex Hoogduin - Een liberaal pleidooi tegen de uitdijende rol van de overheid
Reflectie
Economie
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Caroline Nagtegaal-van Doorn - Nieuwe begrotingsregels op de weegschaal: hoe zwaar weegt de begrotingsdiscipline?
Reflectie
Economie
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Ton Appels - Ongelijkheid en (klassiek-)liberalisme
Reflectie
Economie
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Piet Emmer - Migratie en de welvaartsstaat
Reflectie
Migratie & Integratie
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Erik van Ree - Woke, raciale blikvernauwing en onze gezamenlijke menselijkheid
Reflectie
Filosofie, Religie & Ethiek
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Roald van der Linde - Een rondreis in de 20e-eeuwse economie en daarna: de memoires van Edmund Phelps
Reflectie
Economie
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Patrick van Schie - Een klassiek-liberale kijk op de wereld
Reflectie
Internationaal
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
Patrick van Schie
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Marcel Wissenburg - De belofte van het ecomodernisme
Reflectie
Leefomgeving & Klimaat
01
Jan
2024
Jan 10, 2024
In het decembernummer van Liberale Reflecties onder meer aandacht voor energiepolitiek, het vuurwerkverbod en de uitdijende rol van de overheid.
Marcel Wissenburg - Vrijheid voor of van godsdienst?
Reflectie
Filosofie, Religie & Ethiek
10
Oct
2023
Oct 23, 2023
Paul Zoontjens - Voorbij openbaar en bijzonder onderwijs
Reflectie
Filosofie, Religie & Ethiek
10
Oct
2023
Oct 23, 2023
Wilbert Jan Derksen - China en Rusland: de 'speciale relatie' onder de loep genomen
Reflectie
Internationaal
10
Oct
2023
Oct 23, 2023
Wilbert Jan Derksen
Patrick van Schie - Hayeks hobbelige levensweg
Reflectie
Filosofie, Religie & Ethiek
10
Oct
2023
Oct 23, 2023
Patrick van Schie
Fleur de Beaufort - Vrijzinnig-democraat Hendrik Lodewijk Drucker
Reflectie
Binnenland
10
Oct
2023
Oct 23, 2023
Fleur de Beaufort
Wilbert Jan Derksen - Waarom liberalen bekend zouden moeten zijn met het cyberpunk-genre
Reflectie
Technologie
05
May
2023
May 15, 2023
Wilbert Jan Derksen
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Armanda Govers - In gesprek met ChatGPT - Kan ChatGPT de TeldersStichting vervangen?
Reflectie
Technologie
05
May
2023
May 15, 2023
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Allard Knook - Verleen niet meer, maar slimmere staatssteun
Reflectie
Economie
05
May
2023
May 15, 2023
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Patrick van Schie - De mogelijkheid tot partijverbod is een glibberig pad
Reflectie
Democratie & Rechtsstaat
05
May
2023
May 15, 2023
Patrick van Schie
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Job van den Broek - Het 'partijverbod' in de Wet op politieke partijen: een noodzakelijk juridisch kwaad
Reflectie
Democratie & Rechtsstaat
05
May
2023
May 15, 2023
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Jacques Sluysmans - Onteigening en liberalisme
Reflectie
Democratie & Rechtsstaat
05
May
2023
May 15, 2023
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Jan Kees Wiebenga - De politisering van de Eerste Kamer
Reflectie
Democratie & Rechtsstaat
05
May
2023
May 15, 2023
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Uri Rosenthal - Liberale prudentie: over problemen ernstige problemen en crises
Reflectie
Binnenland
05
May
2023
May 15, 2023
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Hessel Nieuwelink - Burgerschapsvorming door politiek en onderwijs
Reflectie
Binnenland
05
May
2023
May 15, 2023
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Bram van Bon - Pleidooi van Sybe Schaap broodnodige spiegel voor de eilandpeinzers binnen het Nederlandse liberalisme
Reflectie
Filosofie, Religie & Ethiek
05
May
2023
May 15, 2023
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Fleur de Beaufort - Eigen initiatief onder de brug
Reflectie
Economie
05
May
2023
May 15, 2023
Fleur de Beaufort
In gesprek met ChatGPT. De politisering van de Eerste Kamer. Onteigening en liberalisme.
Bas Steunenberg - Complotartsen
Reflectie
Filosofie, Religie & Ethiek
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Wilbert Jan Derksen - Verkenning van het Nederlandse complotlandschap
Reflectie
Binnenland
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Wilbert Jan Derksen
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Jelle van Buuren - De lokroep van complottheorieën
Reflectie
Filosofie, Religie & Ethiek
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Herre Kingma - Gezondheidszorg in Nederland: kiezen én delen
Reflectie
Economie
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Lex van Eijndhoven e.a. - Zorgcultuur in beweging
Reflectie
Binnenland
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Gerrit Dijkstra en Frits van der Meer - Beperk de toegang van ideële organisaties tot de rechter
Reflectie
Democratie & Rechtsstaat
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Koen Petersen - Amerikaanse kiezers stellen radicale veranderingen uit
Reflectie
Internationaal
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Fleur de Beaufort - Duitse liberalen, op zoek naar meer of juist minder profiel?
Reflectie
Internationaal
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Reinout Woittiez en Bas Groenendijk - Liberalisme en dramatiek
Reflectie
Filosofie, Religie & Ethiek
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Maartje Schulz - Het liberalisme verdient meer hartstocht en vernieuwingsdrift
Reflectie
Geschiedenis
01
Jan
2023
Jan 9, 2023
Complottheorieën. Amerikaanse verkiezingen. Liberalisme en dramatiek.
Hans Mojet - Een geschiedenis van het liberalisme in België in vogelvlucht
Reflectie
Internationaal
10
Oct
2022
Oct 10, 2022
Zorg en gezondheid. Stikstof: witdaging en perspectief. Het belang van academische vrijheid.
Erik Verweij - Sociale rechtvaardigheid als noodzakelijke liberale kernwaarde
Reflectie
Filosofie, Religie & Ethiek
10
Oct
2022
Oct 10, 2022
Zorg en gezondheid. Stikstof: witdaging en perspectief. Het belang van academische vrijheid.
Marc Jansen - Rusland versus Oekraïne
Reflectie
Veiligheid
10
Oct
2022
Oct 10, 2022
Zorg en gezondheid. Stikstof: witdaging en perspectief. Het belang van academische vrijheid.
Ricus van der Kwast - Laveren tussen de ijsschotsen. Anatomie van een doorgaand debat
Reflectie
Internationaal
10
Oct
2022
Oct 10, 2022
Zorg en gezondheid. Stikstof: witdaging en perspectief. Het belang van academische vrijheid.