1851
1919

Theodoor Herman de Meester

Liberaal 'premier'
Liberaal

De naam De Meester als een van de Nederlandse minister-presidenten uit de twintigste eeuw, zal op een enkele specialist in de parlementaire geschiedenis na bijna niemand iets zeggen. Van alle minister-presidenten uit de vorige eeuw is hij samen met KVP’er Marijnen uit de jaren zestig ook de enige aan wie nog geen biografie is gewijd. Niet alleen nu is hij grotendeels in de vergetelheid geraakt, ook toen hij in 1905 aantrad was hij op het Binnenhof een onbekende.

 

De kop van de sneeuwpop

Theodoor Herman de Meester werd op 16 december 1851 geboren als burgemeesterszoon. Na het doorlopen van het gymnasium en een studie in de rechten, werkte hij als ambtenaar, eerst voor de provincie Overijssel, daarna voor de stad Groningen. In 1892 volgde een benoeming tot thesaurier-generaal op het departement van Financiën. Zes jaar later werd hij verrassend genoeg benoemd tot vice-president van de Raad voor Nederlandsch-Indië; verrassend omdat hij wel een erkend financieel specialist was maar geen koloniaal deskundige. Met de politiek liet hij zich al die tijd niet in.

           In de landelijke politiek verloor het confessionele kabinet-Kuyper intussen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1905 de ruime meerderheid waarop het had gestoeld. Er was echter geen duidelijke winnaar: de gezamenlijke ‘vrijzinnige’ partijen – Liberale Unie (LU), de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) plus de vrij-liberalen (die al wel samen optrokken maar pas een jaar later een partij zouden oprichten) – kwamen op 45 van de 100 zetels in de Tweede Kamer. Telde men daar de 7 socialisten bij op dan was dat een krappe niet-confessionele meerderheid, maar de socialisten wilden destijds nog geen verantwoordelijkheid dragen voor een ‘burgerlijk’ kabinet (andersom waren de vrijzinnigen evenmin happig op afhankelijk te worden van de socialisten).

           Goeman Borgesius werd als leider van de grootste vrijzinnige partij – de Liberale Unie – met een formatie-opdracht belast. Zijn LU en de VDB vormden de basis voor het nieuwe kabinet; beide partijen waren meteen stembusakkoord en een gemeenschappelijk program de verkiezingen in gegaan. De vrij-liberalen maakten daar geen deel van uit, maar de meeste van hun 10 Kamerleden waren bereid een door Borgesius te vormen kabinet welwillend tegemoet te treden. Zo’n kabinet zou dan een meerderheid in de Tweede Kamer moeten krijgen óf door steun te krijgen van de CHU (zeg maar de hervormde voorloper van het CDA), die van de confessionelen het meest gouvernementeel was ingesteld, of toch van de socialisten die net als de vrijzinnigen een hekel hadden aan Kuyper en hem niet als minister-president wilden terugzien.

           Het program van het nieuwe kabinet lag er dus als eerste. Borgesius probeerde een bredere basis aan het nieuwe kabinet te geven door eerst de partijloze liberaal van groot gezag Cort van der Linden te benaderen voor het premierschap (Cort van der Linden was lid van de Raad van State en weigerde; hij zou 8 jaar later alsnog premier worden), waarna hij het probeerde bij achtereenvolgens drie vooraanstaande vrij-liberalen.[1] De formateur hoopte zo de vrij-liberalen meer aan het kabinet te kunnen binden. Maar telkens ving hij bot. Uiteindelijk besloot hij het maar te wagen met een kabinet van uitsluitend unie-liberalen en vrijzinnig-democraten. De partijgenoot die hij als premier had aangezocht, trok zich echter op het laatste moment wegens een zwakke gezondheid terug.

           Vlak daarvoor had Borgesius de toevallig in Nederland op verlof zijnde De Meester als minister van Financiën gestrikt. Als gezegd was De Meester financieel expert maar politiek een onbeschreven blad. De ministers van het nieuwe kabinet in oprichting besloten De Meester te vragen het voorzitterschap van de ministersploeg op zich te nemen. De Meester was daarmee als premier in feite zesde keus. Oud-premier Pierson (1897-1901), ook een liberaal, noteerde in zijn dagboek: ‘Het had iets weg van het maken van een sneeuwpop. De kop het laatst! Of neen, wat aanvankelijk als been was bestemd, werd nu de kop.’[2]

 

Het kabinet gesneuveld

Als minister van Financiën – indertijd stond een premier ook aan het hoofd van een eigen vakdepartement - wenste De Meester een grote belastinghervorming door te voeren. Twee andere onderwerpen zouden echter alle aandacht van zijn kabinet opeisen. Ten eerste de plannen voor een nieuwe uitbreiding van het kiesrecht, waarmee LU en VDB de verkiezingen waren ingegaan. Dit was een hete aardappel, omdat de vrijzinnig-democraten en de socialisten niets minder dan algemeen (mannen)kiesrecht verlangden, terwijl de vrij-liberalen dat toen nog te ver vonden gaan. Om het gecompliceerder te maken: de LU was intern verdeeld. Ten tweede wilde het kabinet de krijgsmacht hervormen in de richting van een volksleger; een leger waarin elke niet ongeschikt bevonden volwassen man een korte eerste oefening diende te ondergaan. Veel Kamerleden uit de partijen waarop het kabinet steunde dachten dit echter te kunnen combineren met bezuinigingen op de militaire uitgaven. De socialisten weigerden bovendien sowieso voor de begroting van de militaire departementen (Oorlog en Marine) te stemmen.

           Al met al was het kabinet van wal gestoken met de bijna onmogelijke opdracht tussen Scylla en Charybdis door te varen. Het probleem van het kiesrecht was eerst bij een staatscommissie geparkeerd (ook toen al een vaak bewandelde weg). Maar het kabinet nam twee jaar later de belangrijkste aanbeveling van deze commissie niet over, waarmee het wrevel wekte in de Kamer, met name bij de vrij-liberalen. Voordat echter duidelijk werd of het kabinet deze kiesrechtklip toch zou weten te vermijden, strandde het op de begroting van het departement van Oorlog. Niet de vrij-liberalen of de christelijk-historischen vormden het probleem, maar een misrekening van enkele vrijzinnig-democraten in de Kamer die meenden principieel tegen de begroting te kunnen stemmen zonder zich er eerst van te hebben vergewist of het kabinet op voldoende steun vanuit andere Kamerclubs kon rekenen.

           Het vrijzinnig-democratische Kamerlid Marchant oordeelde over het kabinet-De Meester: ‘zwak zaakje… ministers hielden zich zelfstandig alsof er geen president was. Een rommeltje… De Meester had geen politieke ervaring en gaf geen leiding.’[3] Maar deze latere VDB-leider had natuurlijk een eigen straatje schoon te vegen. Opvallend was juist dat De Meester steeds bij de belangrijkste debatten in het parlement zijn vakministers had bijgestaan. ‘De voorzitter van de ministerraad was er altijd’ wanneer het in een van beide Kamers erom spande, schreef Elout, een meer onafhankelijk oordelende journalist van het Algemeen Handelsblad. Hij noemde De Meester ‘ernstig, zorgzaam, degelijk; dringend en warm, maar zacht en vaderlijk-vermanend; met iets huiselijks en gezelligs en patriarchaals in heel zijn doen en zeggen; bedachtzaam in zijn bewegingen, in zijn gebaren, in zijn uitingen’. Maar tevens ‘emotioneel en heftig’ wanneer zijn kabinet op onredelijke wijze onder vuur werd genomen.[4] Dat mocht uiteindelijk niet baten, maar zoals de vrij-liberaal gezinde journalist Plemp van Duiveland analyseerde opereerde het kabinet onder een geboortefout: het ontberen van een meerderheid in het parlement en onder de kiezers. Daardoor kon het kabinet weinig uitrichten, hoe voortreffelijk de ministers ook waren.[5]

           Van de drie belangrijke voorgenomen hervormingen – belastingen, kiesrecht, leger – had het kabinet er zodoende geen enkele tot een goed einde weten te brengen. De enige belangrijke nieuwe wet was die op het arbeidscontract. Niet onbelangrijk overigens, alleen al omdat onder deze wetvrouwen voor het eerst de kans kregen zelfstandig (dat wil zeggen: zonder goedkeuring van hun echtgenoot of vader) een arbeidscontract aan te gaan.

 

Leider van de Liberale Unie

De Meester zou niet even geruisloos uit de politiek verdwijnen als waarop hij ten tonele was verschenen. In die tijd was het niet ongebruikelijk dat een premier na zijn ambtsperiode (weer) Kamerlid werd. Soms was iemand zelfs éérst premier, om pas daarna aan een parlementaire loopbaan te beginnen. Pierson vormde een voorbeeld, De Meester werd het ook. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1909 werd hij als unie-liberaal gekozen. Vier jaar lang was hij een gewoon Kamerlid – in oppositie tegen een confessioneel kabinet. Nadat LU-leider Goeman Borgesius in 1913 tot voorzitter van de Tweede Kamer werd gekozen, nam De Meester de leiding van de unie-liberalen in de Kamer over. Gedurende twee jaar combineerde hij het Kamerlidmaatschap met het hoofdredacteurschap van Het Vaderland, een unie-liberaal gezind dagblad (dat vele decennia later opging in de NRC).

           Het was zeker geen onbelangrijke en gemakkelijke periode waarin De Meester leiding gaf aan de unie-liberale Kamerclub. Na een jaar brak om ons land heen de Eerste Wereldoorlog uit, met alle problemen van dien (zoals een langdurige mobilisatie, rantsoenering, snel stijgende overheidsuitgaven). In het najaar van 1916 vonden voorts in de Tweede Kamer de belangrijke debatten plaats over de grondwetsherziening van 1917, waarbij het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd en de hindernis in de Grondwet tot invoering van vrouwenkiesrecht werd verwijderd, in ruil voor de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs aan het openbare. Vooral dit laatste lag in de LU gevoelig. Hoewel De Meester zelf geneigd was aan de wens van de confessionelen tot financiële gelijkstelling tegemoet te komen, al was het maar om het algemeen kiesrecht naderbij te brengen, moest hij rekening houden met partijgenoten die vreesden dat het openbaar onderwijs na die gelijkstelling zou worden weggedrukt.

           Al geruime tijd sukkelde De Meester ondertussen met zijn gezondheid. Daarom greep hij in 1917 de kans zich terug te trekken in de betrekkelijke rust van de Raad van State. Lang zou zijn lidmaatschap van dit adviesorgaan niet duren. Eind 1919 stierf hij, nog maar net 68 jaar oud geworden.

           Zijn eigen oude krant Het Vaderland typeerde hem als een ‘man van eerlijke bedoelingen, altijd bereid om precies te zeggen, waarop het stond.’[6] Maar ook De Telegraaf, een krant die indertijd sympathiseerde met de VDB, de partij die – al dan niet per ongeluk – verantwoordelijk was voor de val van De Meesters kabinet na nog geen 2½ jaar, uitte zich nu vol lof over het optreden van de overledene als premier. De krant noemde De Meester een man van ‘nobele eerlijkheid’. ‘De Meesters optreden heeft anti-septisch gewerkt. Er ging van deze groote figuur rust en vertrouwen uit […] De Meester won vele harten.’[7]

 


[1] Zelf wilde Goeman Borgesius geen premier worden omdat hij het district Enkhuizen met een krappe meerderheid op de anti-revolutionair en had veroverd (Nederland kende tot 1918 een districtenstelsel) en niet wilde riskeren dat dit district weer voor de liberalen verloren ging nadat hij naar het kabinet was overgestapt.

[2] Citaat van Pierson aangehaald in; Patrick van Schie, Vrijheidsstreven in verdrukking. Liberale partijpolitiek in Nederland 1901-1940 (Amsterdam, 2005) p. 96 (zie pp. 91-96 voor de hele formatie).

[3] Archief-Marchant, inventarisnummer 482.

[4] C.K. Elout, De Heeren in Den Haag (Amsterdam, 1907) pp. 11 en 13.

[5] L.J. Plemp van Duiveland, ‘Crisis-bespiegeling’,  Onze Eeuw,1908, band I, pp. 380-398.

[6] Het Vaderland, 28 december 1919 ochtendblad.

[7] De Telegraaf, 28 december 1919.

De naam De Meester als een van de Nederlandse minister-presidenten uit de twintigste eeuw, zal op een enkele specialist in de parlementaire geschiedenis na bijna niemand iets zeggen. Van alle minister-presidenten uit de vorige eeuw is hij samen met KVP’er Marijnen uit de jaren zestig ook de enige aan wie nog geen biografie is gewijd. Niet alleen nu is hij grotendeels in de vergetelheid geraakt, ook toen hij in 1905 aantrad was hij op het Binnenhof een onbekende.

 

De kop van de sneeuwpop

Theodoor Herman de Meester werd op 16 december 1851 geboren als burgemeesterszoon. Na het doorlopen van het gymnasium en een studie in de rechten, werkte hij als ambtenaar, eerst voor de provincie Overijssel, daarna voor de stad Groningen. In 1892 volgde een benoeming tot thesaurier-generaal op het departement van Financiën. Zes jaar later werd hij verrassend genoeg benoemd tot vice-president van de Raad voor Nederlandsch-Indië; verrassend omdat hij wel een erkend financieel specialist was maar geen koloniaal deskundige. Met de politiek liet hij zich al die tijd niet in.

           In de landelijke politiek verloor het confessionele kabinet-Kuyper intussen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1905 de ruime meerderheid waarop het had gestoeld. Er was echter geen duidelijke winnaar: de gezamenlijke ‘vrijzinnige’ partijen – Liberale Unie (LU), de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) plus de vrij-liberalen (die al wel samen optrokken maar pas een jaar later een partij zouden oprichten) – kwamen op 45 van de 100 zetels in de Tweede Kamer. Telde men daar de 7 socialisten bij op dan was dat een krappe niet-confessionele meerderheid, maar de socialisten wilden destijds nog geen verantwoordelijkheid dragen voor een ‘burgerlijk’ kabinet (andersom waren de vrijzinnigen evenmin happig op afhankelijk te worden van de socialisten).

           Goeman Borgesius werd als leider van de grootste vrijzinnige partij – de Liberale Unie – met een formatie-opdracht belast. Zijn LU en de VDB vormden de basis voor het nieuwe kabinet; beide partijen waren meteen stembusakkoord en een gemeenschappelijk program de verkiezingen in gegaan. De vrij-liberalen maakten daar geen deel van uit, maar de meeste van hun 10 Kamerleden waren bereid een door Borgesius te vormen kabinet welwillend tegemoet te treden. Zo’n kabinet zou dan een meerderheid in de Tweede Kamer moeten krijgen óf door steun te krijgen van de CHU (zeg maar de hervormde voorloper van het CDA), die van de confessionelen het meest gouvernementeel was ingesteld, of toch van de socialisten die net als de vrijzinnigen een hekel hadden aan Kuyper en hem niet als minister-president wilden terugzien.

           Het program van het nieuwe kabinet lag er dus als eerste. Borgesius probeerde een bredere basis aan het nieuwe kabinet te geven door eerst de partijloze liberaal van groot gezag Cort van der Linden te benaderen voor het premierschap (Cort van der Linden was lid van de Raad van State en weigerde; hij zou 8 jaar later alsnog premier worden), waarna hij het probeerde bij achtereenvolgens drie vooraanstaande vrij-liberalen.[1] De formateur hoopte zo de vrij-liberalen meer aan het kabinet te kunnen binden. Maar telkens ving hij bot. Uiteindelijk besloot hij het maar te wagen met een kabinet van uitsluitend unie-liberalen en vrijzinnig-democraten. De partijgenoot die hij als premier had aangezocht, trok zich echter op het laatste moment wegens een zwakke gezondheid terug.

           Vlak daarvoor had Borgesius de toevallig in Nederland op verlof zijnde De Meester als minister van Financiën gestrikt. Als gezegd was De Meester financieel expert maar politiek een onbeschreven blad. De ministers van het nieuwe kabinet in oprichting besloten De Meester te vragen het voorzitterschap van de ministersploeg op zich te nemen. De Meester was daarmee als premier in feite zesde keus. Oud-premier Pierson (1897-1901), ook een liberaal, noteerde in zijn dagboek: ‘Het had iets weg van het maken van een sneeuwpop. De kop het laatst! Of neen, wat aanvankelijk als been was bestemd, werd nu de kop.’[2]

 

Het kabinet gesneuveld

Als minister van Financiën – indertijd stond een premier ook aan het hoofd van een eigen vakdepartement - wenste De Meester een grote belastinghervorming door te voeren. Twee andere onderwerpen zouden echter alle aandacht van zijn kabinet opeisen. Ten eerste de plannen voor een nieuwe uitbreiding van het kiesrecht, waarmee LU en VDB de verkiezingen waren ingegaan. Dit was een hete aardappel, omdat de vrijzinnig-democraten en de socialisten niets minder dan algemeen (mannen)kiesrecht verlangden, terwijl de vrij-liberalen dat toen nog te ver vonden gaan. Om het gecompliceerder te maken: de LU was intern verdeeld. Ten tweede wilde het kabinet de krijgsmacht hervormen in de richting van een volksleger; een leger waarin elke niet ongeschikt bevonden volwassen man een korte eerste oefening diende te ondergaan. Veel Kamerleden uit de partijen waarop het kabinet steunde dachten dit echter te kunnen combineren met bezuinigingen op de militaire uitgaven. De socialisten weigerden bovendien sowieso voor de begroting van de militaire departementen (Oorlog en Marine) te stemmen.

           Al met al was het kabinet van wal gestoken met de bijna onmogelijke opdracht tussen Scylla en Charybdis door te varen. Het probleem van het kiesrecht was eerst bij een staatscommissie geparkeerd (ook toen al een vaak bewandelde weg). Maar het kabinet nam twee jaar later de belangrijkste aanbeveling van deze commissie niet over, waarmee het wrevel wekte in de Kamer, met name bij de vrij-liberalen. Voordat echter duidelijk werd of het kabinet deze kiesrechtklip toch zou weten te vermijden, strandde het op de begroting van het departement van Oorlog. Niet de vrij-liberalen of de christelijk-historischen vormden het probleem, maar een misrekening van enkele vrijzinnig-democraten in de Kamer die meenden principieel tegen de begroting te kunnen stemmen zonder zich er eerst van te hebben vergewist of het kabinet op voldoende steun vanuit andere Kamerclubs kon rekenen.

           Het vrijzinnig-democratische Kamerlid Marchant oordeelde over het kabinet-De Meester: ‘zwak zaakje… ministers hielden zich zelfstandig alsof er geen president was. Een rommeltje… De Meester had geen politieke ervaring en gaf geen leiding.’[3] Maar deze latere VDB-leider had natuurlijk een eigen straatje schoon te vegen. Opvallend was juist dat De Meester steeds bij de belangrijkste debatten in het parlement zijn vakministers had bijgestaan. ‘De voorzitter van de ministerraad was er altijd’ wanneer het in een van beide Kamers erom spande, schreef Elout, een meer onafhankelijk oordelende journalist van het Algemeen Handelsblad. Hij noemde De Meester ‘ernstig, zorgzaam, degelijk; dringend en warm, maar zacht en vaderlijk-vermanend; met iets huiselijks en gezelligs en patriarchaals in heel zijn doen en zeggen; bedachtzaam in zijn bewegingen, in zijn gebaren, in zijn uitingen’. Maar tevens ‘emotioneel en heftig’ wanneer zijn kabinet op onredelijke wijze onder vuur werd genomen.[4] Dat mocht uiteindelijk niet baten, maar zoals de vrij-liberaal gezinde journalist Plemp van Duiveland analyseerde opereerde het kabinet onder een geboortefout: het ontberen van een meerderheid in het parlement en onder de kiezers. Daardoor kon het kabinet weinig uitrichten, hoe voortreffelijk de ministers ook waren.[5]

           Van de drie belangrijke voorgenomen hervormingen – belastingen, kiesrecht, leger – had het kabinet er zodoende geen enkele tot een goed einde weten te brengen. De enige belangrijke nieuwe wet was die op het arbeidscontract. Niet onbelangrijk overigens, alleen al omdat onder deze wetvrouwen voor het eerst de kans kregen zelfstandig (dat wil zeggen: zonder goedkeuring van hun echtgenoot of vader) een arbeidscontract aan te gaan.

 

Leider van de Liberale Unie

De Meester zou niet even geruisloos uit de politiek verdwijnen als waarop hij ten tonele was verschenen. In die tijd was het niet ongebruikelijk dat een premier na zijn ambtsperiode (weer) Kamerlid werd. Soms was iemand zelfs éérst premier, om pas daarna aan een parlementaire loopbaan te beginnen. Pierson vormde een voorbeeld, De Meester werd het ook. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1909 werd hij als unie-liberaal gekozen. Vier jaar lang was hij een gewoon Kamerlid – in oppositie tegen een confessioneel kabinet. Nadat LU-leider Goeman Borgesius in 1913 tot voorzitter van de Tweede Kamer werd gekozen, nam De Meester de leiding van de unie-liberalen in de Kamer over. Gedurende twee jaar combineerde hij het Kamerlidmaatschap met het hoofdredacteurschap van Het Vaderland, een unie-liberaal gezind dagblad (dat vele decennia later opging in de NRC).

           Het was zeker geen onbelangrijke en gemakkelijke periode waarin De Meester leiding gaf aan de unie-liberale Kamerclub. Na een jaar brak om ons land heen de Eerste Wereldoorlog uit, met alle problemen van dien (zoals een langdurige mobilisatie, rantsoenering, snel stijgende overheidsuitgaven). In het najaar van 1916 vonden voorts in de Tweede Kamer de belangrijke debatten plaats over de grondwetsherziening van 1917, waarbij het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd en de hindernis in de Grondwet tot invoering van vrouwenkiesrecht werd verwijderd, in ruil voor de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs aan het openbare. Vooral dit laatste lag in de LU gevoelig. Hoewel De Meester zelf geneigd was aan de wens van de confessionelen tot financiële gelijkstelling tegemoet te komen, al was het maar om het algemeen kiesrecht naderbij te brengen, moest hij rekening houden met partijgenoten die vreesden dat het openbaar onderwijs na die gelijkstelling zou worden weggedrukt.

           Al geruime tijd sukkelde De Meester ondertussen met zijn gezondheid. Daarom greep hij in 1917 de kans zich terug te trekken in de betrekkelijke rust van de Raad van State. Lang zou zijn lidmaatschap van dit adviesorgaan niet duren. Eind 1919 stierf hij, nog maar net 68 jaar oud geworden.

           Zijn eigen oude krant Het Vaderland typeerde hem als een ‘man van eerlijke bedoelingen, altijd bereid om precies te zeggen, waarop het stond.’[6] Maar ook De Telegraaf, een krant die indertijd sympathiseerde met de VDB, de partij die – al dan niet per ongeluk – verantwoordelijk was voor de val van De Meesters kabinet na nog geen 2½ jaar, uitte zich nu vol lof over het optreden van de overledene als premier. De krant noemde De Meester een man van ‘nobele eerlijkheid’. ‘De Meesters optreden heeft anti-septisch gewerkt. Er ging van deze groote figuur rust en vertrouwen uit […] De Meester won vele harten.’[7]

 


[1] Zelf wilde Goeman Borgesius geen premier worden omdat hij het district Enkhuizen met een krappe meerderheid op de anti-revolutionair en had veroverd (Nederland kende tot 1918 een districtenstelsel) en niet wilde riskeren dat dit district weer voor de liberalen verloren ging nadat hij naar het kabinet was overgestapt.

[2] Citaat van Pierson aangehaald in; Patrick van Schie, Vrijheidsstreven in verdrukking. Liberale partijpolitiek in Nederland 1901-1940 (Amsterdam, 2005) p. 96 (zie pp. 91-96 voor de hele formatie).

[3] Archief-Marchant, inventarisnummer 482.

[4] C.K. Elout, De Heeren in Den Haag (Amsterdam, 1907) pp. 11 en 13.

[5] L.J. Plemp van Duiveland, ‘Crisis-bespiegeling’,  Onze Eeuw,1908, band I, pp. 380-398.

[6] Het Vaderland, 28 december 1919 ochtendblad.

[7] De Telegraaf, 28 december 1919.

Lees verder

Zoals aan het begin aangegeven is er nog altijd geen biografie over De Meester verschenen. Zelfs kortere levensbeschrijvingen zijner niet, afgezien van een door Fasseur geschreven lemma in het Biografisch Woordenboek van Nederland. Het meest uitvoerig komt De Meester als liberaalpoliticus en premier aan bod in verschillende passages in: Patrick van Schie, Vrijheidsstreven in verdrukking. Liberale partijpolitiek in Nederland 1901-1940 (Amsterdam,2005).

Meer lezen?

Ook in liberalen