De ‘democratisering’ van de Nationale Dodenherdenking is niet zonder meer een positief proces. Het gevaar ligt namelijk op de loer dat de essentie van de Nationale Dodenherdenking steeds meer dreigt te verwateren. Die essentie is gelegen in stilstaan bij het belang van de vrijheidszin voor Nederland en stilstaan bij diegenen die voor dit hoogste belang zijn gestorven. De vrijheidszin die het Nederlandse wezen zo heeft gevormd, biedt ons de mogelijkheid om in die gezamenlijke herdenking onze eigen, persoonlijke herdenking erop na te houden. Die ‘eenheid-in-verscheidenheid’ is de kracht en de waarde van de verworven vrijheidszin, van onze open samenleving en van de Nationale Dodenherdenking. Een apart podium eisen doorbreekt juist die gedachte, waardoor het beroep op de persoonlijke vrijheid in dat verband slechts kan worden gekenmerkt als oppervlakkig, cynisch en egoïstisch. Om dit argument kracht bij te zetten, werp ik een blik op de bundel Den Vaderlant ghetrouwe, bestaande uit redevoeringen van Herman Wiardi Beckman, Paul Scholten en Ben Telders.
Op 14 september 1940, vijf maanden na de Duitse inval in Nederland, zou een driemanschap in Amsterdam bijeenkomen om te spreken over de kern, het belang en de waarde van het Nederlanderschap. Dit driemanschap bestond uit een politiek divers ensemble: de sociaal-democraat Herman Wiardi Beckman, de christen(-demcoraat) Paul Scholten en de liberaal Ben Telders.
De politieke verscheidenheid van dit gezelschap was niet onbewust. De redevoeringen die zij wilden voordragen, zouden zich namelijk richten op de particulier en politiek overstijgende vaderlandsliefde. Een dergelijk onderwerp, gedragen door gedachten van eendracht en hoop, was niet alleen welkom vanwege de verdeeldheid en angst die sinds de bezetting (en in de periode reeds ervoor) in Nederland was ontstaan. Deze redevoeringen waren bovenal van belang om de individuele en collectieve vervreemding enigszins het hoofd te bieden.
Vanwege op last van de Duitse bezetter geformuleerde bepalingen met betrekking tot het organiseren van openbare bijeenkomsten, kon de bijeenkomst op 14 september 1940 uiteindelijk geen doorgang vinden. Om de inspirerende gedachten van de drie heren toch bij het Nederlandse publiek te brengen, zijn deze direct op schrift gesteld en uitgebracht. De kleine bundel droeg de passende titel: Den Vaderlant ghetrouwe.
Hoewel Wiardi Beckman, Telders en Scholten op ideologische gronden van elkaar verschilden, kwamen zij allen tot dezelfde kern die Nederland zo zou kenmerken en die de Nederlanders altijd zou hebben verbonden, te weten: de vrijheidszin. De historische gronden hiervan zijn terug te voeren op de oorlog tegen de Spanjolen. Een oorlog die niet slechts ging om het verwerven van de uiterlijke, fysieke vrijheid, als wel om het verwerven van de innerlijke, geestelijke vrijheid: de vrijheid van geloof en geweten (liberteyt van religie ende conscientie).
Deze vrijheidszin, verworven in de loop der Nederlandse geschiedenis, zou volgens het driemanschap exact dátgene zijn wat Nederland kenmerkte en de Nederlanders met elkaar zou verbinden. Deze vrijheidszin zou om die reden niet alleen als een gegeven moeten worden aanvaard. De vrijheidszin zou voor Nederland en voor alle Nederlanders altijd het dienend voorbeeld moeten zijn, nu zij onverbrekelijk verbonden is aan onze volksaard.
De waardering van vrijheidszin vraagt zodoende om een existentiële vorm van waardering, opdat de waarde van vrijheid voor iedere Nederlander alomtegenwoordig is. Dit betekent dat de waardering van vrijheid niet alleen geldt op momenten dat het de betreffende persoon goed uitkomt. De waardering van vrijheid wordt pas wezenlijk, indien die waardering ook plaatsvindt op momenten dat het juist moeite kost.
In een democratie doen dergelijke momenten zich keer op keer voor, omdat juist vanwege die vrijheidszin en innerlijke vrijheid tegengestelde overtuigingen een plek kunnen hebben binnen dezelfde gemeenschap. Waardering van vrijheid betekent zodoende waardering voor verscheidenheid, aangezien die verscheidenheid in een democratie hét bindende element is.
Ook op andere, moeilijkere momenten dient de waardering van de vrijheidszin bij Nederlanders alles te overstijgen. Wiardi Beckman, Telders en Scholten verwijzen ten aanzien van dit punt vanzelfsprekend naar de oorlogstoestand waar zij en de rest van Nederland op dat moment in verkeerden. Vanwege de grondslag van de Nederlandse aard – de onvoorwaardelijke en onverzettelijke drang naar vrijheid – dienen Nederlanders juist in tijden van tegenspoed oog te hebben voor dat allesoverstijgende belang, aldus Paul Scholten:
“Alleen dán zijn wij goede Nederlanders, als wij ook in die onderwerping pal staan voor onze geestelijke vrijheid, als ook van ons gezegd kan worden:
Standvastig is gebleven
Mijn hart in tegenspoed.”
Wiardi Beckman, Telders en Scholten poogden met hun redevoeringen niet alleen een perspectief te bieden in tijden waarin de vervreemding van land en cultuur dreigde toe te nemen. Zij poogden met Den Vaderlant ghetrouwe te laten zien dat de verworven vrijheid de kern van de Nederlandse aard vormt. Daarmee trachtten zij een hoogste waardering uit te spreken voor eenieder die deze vrijheid niet voor lief neemt en hier ook voor durft te staan. De Nationale Dodenherdenking vat die essentie, door stil te staan bij het belang van de vrijheidszin voor Nederland en door stil te staan bij diegenen die voor dit hoogste belang zijn gestorven.
Met de toenemende ‘democratisering’ van de Nationale Dodenherdenking ligt echter het gevaar op de loer dat die essentie verwatert. Doordat steeds meer groepen, personen, gebeurtenissen een apart podium opeisen, kan er een vrijblijvende en ondermijnende houding ontstaan jegens de Nederlandse geschiedenis, de waarde van de gevoerde vrijheidsstrijd en het blijvende belang van het vrijheidsstreven. Het particuliere belang, dat dit democratiseringsproces typeert, gaat op dat moment voorbij aan de boodschap van ‘eenheid-in-verscheidenheid’ die de Nationale Dodenherdenking al in zich draagt.
Op 4 mei herdenken wij de vrijheid, de vrijheid van Nederland en de slachtoffers die zich voor onze vrijheid hebben opgeofferd. De geestes- en gewetensvrijheid die het Nederlandse wezen zo heeft gevormd, biedt ons de mogelijkheid om in die gezamenlijke herdenking onze eigen, persoonlijke herdenking erop na te houden. Die eenheid-in-verscheidenheid is de kracht en de waarde van de verworven vrijheidszin, van onze open samenleving en van de Nationale Dodenherdenking. Een apart podium eisen doorbreekt juist die gedachte, waardoor het beroep op de persoonlijke vrijheid in dat verband slechts kan worden gekenmerkt als oppervlakkig, cynisch en egoïstisch.
Een weerbare democratie vraagt om méér dan alleen een ‘recht hebben op’. Het vraagt om een werkelijk, waarachtig en existentieel besef van de waarde van de democratie, en daarmee van de waarde van de vrijheid die de open samenleving heeft gemaakt en nog altijd typeert. Een dergelijk besef dringt pas tot ons door, wanneer wij zicht hebben op onze verworvenheden en hun lange voorgeschiedenis:
“Ja, ons verdiepen in die geschiedenis! Dat houdt in, dat wij ons waar maken, wat de pioniers van ons zelfstandig volksbestaan hebben doorstaan; wat zij over hadden voor de zaak, waaraan zij hun leven hadden gewijd; wat zij hebben geleden en wat zij hebben volbracht. Ook in die dagen had ieder menschenkind zijn eigen belangen en zijn eigen zorgen. Toch kozen zij den zoo gevaarlijken weg van den vrijheidsstrijd, jaar na jaar…”, aldus Wiardi Beckman.
Uiteraard: de geschiedenis dendert door en iedere dag doen zich telkens weer dingen voor die ons denken en handelen kunnen beïnvloeden. Dat gegeven versterkt echter alleen maar het argument dat ons democratisch besef meer standvastigheid verwerft, en meer innerlijke verbondenheid en persoonlijke trouw verkrijgt, indien de fundamenten en heuse beproevingen van onze vrije samenleving werkelijk ernstig worden genomen. Zo kan ons democratisch besef zich ook op duurzame wijze veerkrachtig tonen tegen vrijheidsbeperkende en vrijheidsondermijnende invloeden. Daarbij past het nederige besef dat wij wellicht niet alsmaar de dwangmatigheid moeten voelen om onze persoonlijke stempel te drukken op iets dat veel groter is dan dat wij ons op dat moment kunnen (of willen) realiseren.
Kan het voorgaande zomaar als ‘conservatief’ (of zelfs in hedendaagse populaire kringen als ‘extreemrechts’) worden weggezet en zou het om die reden geen verdere betekenis voor ons moeten hebben? Op een dergelijke vraag of opmerking laat ik graag het woord nog één keer aan het politiek diverse driemanschap, bestaande uit de sociaal-democraat Wiardi Beckman, de christen(-democraat) Paul Scholten en de liberaal Ben Telders:
Herman Wiardi Beckman
“En nu krijgen wij te hooren, dat de opvatting, die ik hier in het kort heb aangegeven, ‘conservatief’ zou zijn. Het zij zoo. Als het dan ‘conservatief’ moet heeten, na 15 Mei trouw te blijven aan wat voordien in vrijheid en uit eigen kracht in het Nederlandsche openbare leven was opgegroeid, en nóg groeide; – als het dan ‘conservatief’ moet heeten, ook in de tegenwoordige omstandigheden de overtuiging te belijden, die men zich vóór den tienden Mei na rijpe overweging had verworven; – als het dan ‘conservatief moet heeten, als een man zichzelf te blijven; – goed, dan zijn miljoenen Nederlanders ‘conservatief’, en dan stellen wij daar een eer in.”
Paul Scholten
“Het is voor ons van het hoogste belang, hierop te letten. Want wij staan weer voor den strijd om ónze vrijheden. Zij zijn gedeeltelijk dezelfde, gedeeltelijk andere, maar zij zijn kostbare goederen, die wij vóór 10 Mei bezaten en die wij niet mógen prijsgeven zonder al wat in ons vermogen tot handhaving te hebben gedaan. Men noemt dat het conservatisme, als we deze willen behouden. Goed, dan zijn we conservatief… conservatief, als er sprake is van geestelijke vrijheid.”
Ben Telders
“Wie zich aan het eigen verleden spiegelt, spiegelt zich zacht en wie de lessen der historie veronachtzaamt, handelt lichtzinnig en schaadt zichzelf. Moge dat niet van Nederland in de jaren 1940 en volgende moeten worden getuigd en moge het Nederlandsche volk van heden blijven beseffen, dat alle noodzaak en wenschelijkheid van verandering, herziening, verbetering, en hervorming, op welk gebied dan ook, niet kan wegnemen, dat Nederlands plaats in de wereld door onze historie en traditie, door ons ‘geestesmerk’, én door onze ‘geopolitiesche’ functie wordt bepaald, hetgeen beteekent, dat Nederland zal blijven een land van democratie, vrijheid en recht, dat het Nederlandsche volk zal blijven godvruchtig en nuchter, en dat het Nederlandsche geestesleven zijne middelaars-functie zal blijven vervullen, zullen niet de Nederlandsche staat, het Nederlandsche volk en de Nederlandsche cultuur hun eigen bestaansrecht verliezen. Wordt die wensch verhoord, dan zal het nageslacht ook van Nederland, ondanks alle ‘vernieuwingen’, met den Prediker, naar waarheid kunnen getuigen: er is niets nieuws onder de zon. Het zij zoo.”
H.B. Wiardi Beckman, B.M. Telders & P. Scholten, Den Vaderlant ghetrouwe, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1940.
Wetenschappelijk medewerker