‘Nooit geschokte standvastigheid’ | Benjamin Marius Telders (1903-1945)

Op donderdag 2 april jl. organiseerde Liberas – het Liberaal Archief te Gent – het colloquium ‘Liberalisme onder druk. Toen en nu’. In de jaren 1930 stond het liberalisme onder enorme druk. Tussen opkomend fascisme en communisme moesten liberale politici als Arthur Vanderpoorten in België en Benjamin Telders in Nederland hun koers bepalen. Beiden kozen voor principieel verzet, met alle consequenties van dien. Zij overleden beiden begin april 1945 in het kamp Bergen-Belsen.

 

Vandaag staat het liberalisme opnieuw onder druk. Populisme, illiberale democratieën en een crisis van vertrouwen in traditionele politieke partijen dwingen ons na te denken over de toekomst van liberale waarden. Wat kunnen we leren van de jaren 1930? Welke keuzes maken liberalen vandaag in België en Nederland? En hoe verhoudt onze situatie zich tot de wereldwijde uitdagingen waar het liberalisme voor staat? Fleur de Beaufort verzorgde een inleiding over Benjamin Telders, waarvan een nadere uitwerking hier terug te lezen is.

‘Aan zeldzame moed, voorbeeldig doorzettingsvermogen, nooit geschokte standvastigheid en onbevreesde, geestelijke voornaamheid heeft het Telders in de bezettingstijd nooit ontbroken’, aldus memoreerde de Leidse hoogleraar mr. R.P. (Rudolph) Cleveringa tijdens de bijeenkomst ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de prof.mr. B.M. TeldersStichting in 1964 de naamgever van het instituut.

 

Evenals collega’s aan andere universiteiten hadden ook de Leidse docenten op 25 oktober 1940 de zogenoemde ariërverklaring ontvangen, waarmee zij schriftelijk dienden te bevestigen dat hun afstamming vrij was van joods bloed. Op diverse universiteiten was de gang van zaken aanleiding tot protest en ook Leiden bleef niet achter. Voor Cleveringa – op dat moment decaan van de juridische faculteit – was de geëiste verklaring persoonlijk extra pijnlijk daar deze voor zijn leermeester, promotor en ‘vaderlijk vriend’, de joodse mr. E.M. (Eduard) Meijers met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ontslag zou betekenen.

 

Cleveringa en Telders hadden met een aantal gelijkgezinden afgesproken dat zij in hun weigering te tekenen zouden volharden als tenminste 25 van de 73 Leidse hoogleraren dit met hen zouden doen. Hoewel 25 aanvankelijk zonder meer haalbaar leek was het aantal bereidwilligen binnen enkele dagen geslonken tot achttien. Cleveringa vertrouwde aan zijn dagboek toe ‘de vrouwen dringen hun mannen tot tekening, de mijne hoort tot de moedigen’ (de Jong, 794). Uiteindelijk vulden alle hoogleraren de ariërverklaring in, waarbij zestig van hen er een door Telders opgesteld protest aan toevoegden waarin Telders onder meer stelde: ‘Het behoort tot de kostbaarste traditiën van ons Nederlandsche volk in het algemeen en van de Nederlandse wetenschap in het bijzonder, dat tusschen de verschillende rassen en tusschen de belijders van verschillende godsdiensten met betrekking tot het bekleeden van openbare ambten zoowel als met betrekking tot de waardeering hunner wetenschappelijke prestaties geen onderscheid wordt gemaakt’ (Telders 1947, 373).

Als jurist wist Telders als geen ander dat de bezetter, op grond van het internationale bezettingsrecht, gehouden is de lokale wetten te respecteren. Daarmee was het de bezetter, aldus Telders in het protest, op geen enkele wijze geoorloofd aan de ariërverklaring gevolgen te geven. Gevolgen als discriminatie van niet-arische collega’s of zelfs ontslag. Het feit dat niet alle hoogleraren het protest onderschreven greep de strijdvaardige hoogleraren ten diepste aan. Cleveringa gaf aan Telders te kennen dat hij publiekelijk zou protesteren indien Meijers inderdaad zou worden ontslagen. ‘Laat het mij doen’, zei Telders direct, want ‘ik ben ongetrouwd’. Cleveringa weigerde dit grootmoedige aanbod van zijn collega. Als decaan van de faculteit zag hij het als zijn plicht het protest zelf uit te spreken, een plicht die hij niet wenste af te schuiven.

Dinsdagmorgen 26 november 1940 had Meijers inderdaad ontslagbericht ontvangen van het departement. Van Cleveringa werd verwacht dat hij het college van Meijers die ochtend zou waarnemen. De decaan voegde direct de daad bij het woord en greep het college aan om het ontslag van Meijers door de Duitse bezetter te laken. Niet door te protesteren of de studenten daartoe openlijk aan te zetten – hij zou het ze zelfs ontraden – maar door Meijers als persoon en als wetenschapper te eren. Aan het einde zette een student spontaan het Wilhelmus in. Cleveringa was zich als geen ander bewust van de gevolgen, maar voelde opluchting na zijn rede en liep rustig naar huis, alwaar Telders als steunbetuiging een bloemstuk had laten bezorgen voor zijn vrouw (De Jong, 796-798).

 

Cleveringa moest zijn openlijke verzet met acht maanden gevangenschap bekopen. Voor Telders, die drie weken later op 18 december 1940 werd gearresteerd, zou het uiteindelijk anders aflopen. Hij wist dat het openlijke verzet ook voor hem niet zonder gevolgen kon blijven. Toen een student hem een onderduikadres aanbood, bedankte Telders. ‘Ik sta voor het recht. Als ik onderduik, geef ik mijn houding prijs. Het gaat er in deze fase om dat er mensen zijn die het recht durven verdedigen’ (De Jong, 782).

De jonge Telders

Benjamin Marius Telders – Ben voor familie en vrienden – zag op 19 maart 1903 het levenslicht in Den Haag als oudste zoon van Mr. Wilhelm Albert Telders en Johanna Wilhelmina Telders-Vlielanders Hein. Een jaar later volgden twee zusjes en in 1910 jongste zoon Carel. Deze herinnerde zich zijn grote broer vooral als iemand die altijd haast had en zich soms ongeduldig kon tonen wanneer een ander de snelle vlucht van zijn eigen gedachten niet direct kon volgen.

 

In vriendschappen was Telders heel toegankelijk – kameraadschappelijk en charmant – en toonde hij bovendien behulpzame belangstelling. Later zou hij  als ‘uitmuntend gastheer’ zijn gezelschap op met zorg en smaak bereide maaltijden trakteren, die hij vergezeld liet gaan van uitstekende wijnen. Journalist en verzetsman Nico Rost ontmoette Telders in concentratiekamp Vught en typeerde hem in zijn werk Goethe in Dachau als iemand ‘die in het debat steeds de sterkere was, maar ook grootmoedig. Hij hielp me zelfs op weg, als een van mijn argumenten juist was […] Sommigen beweerden dat hij hooghartig is, maar dat is niet waar’ (Rost, 10-11).

 

Toch schiep zijn wat agressieve discussietrant soms vijandigheid en maakte dat ook in zijn studententijd in Leiden niet iedereen evengoed met hem op kon schieten. In de Leidse Studentenalmanak voor 1925 werd Telders gekarakteriseerd met een citaat uit Eline Vere: ‘Kom Ben, wees nu eens niet lastig.’ Zeer toepasselijk gezien het feit dat Louis Couperus een oud-oom van Telders was (via moederszijde), die hem bovendien zijn waardevolle boekencollectie zou nalaten (Telders 1972, 18).

 

Hoewel de jonge Telders op school met voor zijn klasgenoten jaloersmakende snelheid zijn rekensommen en taaloefeningen volbracht, weerspiegelde zijn uiterlijk deze bijzondere intelligentie geenszins. ‘Kan uw zoontje wel goed mee?’ vroeg een andere moeder eens op wat meewarige toon aan mevrouw Telders, die daar wel om kon lachen. Zoals broer Carel het later omschreef: ‘een tamelijk grote neus tussen twee, wat uitstaande oren, flets-grijsblauwe ogen en een nogal zware vooruitstekende mond – het was niet een gezicht, dat een buitengewone, schrandere en rappe geest verried’ (Telders 1972, 14). Telders deed zijn hele leven weinig moeite qua uiterlijk zo voordelig mogelijk voor de dag te komen. Hij bestede bijvoorbeeld weinig aandacht aan zijn kleding, onder het mom dat hij daar geen tijd voor had.

 

Al jong ontwikkelde Telders een niet te stillen honger naar lezen. Boeken deden hem meer dan eens alles om zich heen vergeten. Zo herinnerde een speelkameraadje uit zijn jeugd zich een kinderpartijtje bij Telders thuis. Het gestoei en tumult waar zo’n feestje doorgaans mee gepaard gaat, liet de jonge gastheer rustig aan zich voorbijgaan, gezeten in een hoek van de kamer, verdiept in een boek. Het tekent Telders, die als kind het liefst zijn eigen gang ging.

Naast een voorliefde voor boeken trok ook muziek en meer in het bijzonder de piano al vroeg de aandacht van Telders. Zijn moeder kwam uit een muzikale familie en wist deze belangstelling over te brengen op haar oudste zoon door samen quatre mains te spelen en hem mee te nemen naar concerten. De Bechstein-vleugel die hij later zou aanschaffen behoorde naast zijn bibliotheek tot zijn dierbaarste bezittingen. Pianospel was voor Telders hoofdzakelijk een uitlaatklep voor zijn emoties die hij maar moeilijk op andere wijze kon uiten. Toen Telders na zijn eerste langdurige verhoor door de Duitsers arriveerde bij zijn goede vriend Wouter Nijhoff, zette hij zich eerst aan de vleugel om de emoties met muziek te verwerken. Pas daarna deed hij zijn verhaal (Cleveringa 1950, 13).

 

De familie Telders was van huis uit lid van de Remonstrantse gemeente, maar deed daar in de praktijk weinig mee. De kinderen kregen, mede door het vage godsbegrip van hun ouders, geen religieus gerichte gevoelsbasis mee. Toch bleef de vraag naar het bestaan Telders scherpe verstand van jongs af aan prikkelen. De behoefte aan enige ordening in de ogenschijnlijke chaos van het leven leidde Telders richting de filosofie. Na een korte flirt met de antroposofie keerde Telders zich tot de leer van Hegel. Zijn proefschrift zou hij verbinden aan de volkenrechtleer van Hegel en de rest van zijn leven zou Telders als Hegelliaan te boek staan. Helaas was zijn leven te kort om deze filosofische interesse, naast het juridische werk, volledig uit te diepen.

 

In september 1921 arriveerde Telders in Leiden voor de studie rechten. Hoewel Telders zich nooit tot echte kroegtijger zou ontwikkelen was hij zeer actief binnen het studentenleven als lid van Minerva, waar hij verschillende functies op zich nam. Als bestuurslid van de juridische faculteit mocht hij op 9 februari 1925 aanwezig zijn bij de erepromotie van Hare Majesteit koningin Wilhelmina in de Pieterskerk, waar hij achter de indrukwekkende haardos van Albert Einstein kwam te zitten.

 

Na zijn diensttijd legde Telders op 26 maart 1926 zijn doctoraalexamen af. Ter voorbereiding van zijn dissertatie vertrok Telders voor negen maanden naar Parijs waar zijn liefde voor kunst en literatuur zich verder zou verdiepen. Eenmaal terug in Leiden trof hij de voorbereidingen voor zijn promotie op 6 mei 1927. Het proefschrift Staat en Volkenrecht. Proeve van rechtvaardiging van Hegel’s Volkenrechtleer zou tegen de verwachting van velen in niet met een cum laude worden beloond. Begrijpelijkerwijze tot grote teleurstelling van Telders zelf. Mogelijk was het uitgesproken filosofisch karakter van het proefschrift hier debet aan. Alvorens Telders in Leiden zijn promotor prof.mr. W.J.M. van Eysinga in 1931 zou opvolgen als hoogleraar ging hij als advocaat en procureur aan de slag in het kantoor van zijn vader.

 

De ambitie van Telders lag geenszins bij de advocatuur, doch ging veeleer uit naar de rechtsfilosofie en het volkenrecht. Twee jaar na zijn benoeming tot hoogleraar verruilde Telders Den Haag voor Leiden, alwaar hij aan het Rapenburg een mooi pand verwierf. Al snel trad hij bovendien toe tot de redactie van De Gids, waar de internationale politiek zijn specialiteit zou blijven, maar waar hij ook blijk gaf van veel kennis over letterkunde.

Telders in de politiek

Hoe kwam het dat een man die zo duidelijk voor de wetenschap in de wieg gelegd leek uiteindelijk als partijvoorzitter ook in de politiek actief werd? Telders was weliswaar reeds tien jaar lid van de Liberale Staatspartij, maar trad nooit op de voorgrond. Het was de afdeling Wassenaar die in een circulaire aan alle afdelingen, voorafgaand aan de algemene vergadering van de Liberale Staatspartij, de jonge hoogleraar naar voren schoof als potentiële nieuwe partijvoorzitter, in de overtuiging dat deze ‘jonge, krachtige persoonlijkheid, man van grote bekwaamheid en tevens welhaast onbegrensde werkkracht’ het verloren gegane contact met de kiezers zou kunnen herstellen.

 

Zelf gaf Telders in een interview met de redactie van het Liberale Weekblad aan dat ‘het verzoek dat tot mij werd gericht om een kandidatuur te overwegen, kwam ongeveer in de tijd van de Oostenrijkse Anschluss. Vooral de rol die Seyss-Inquart en zijns gelijken daarin hebben gespeeld trof mij pijnlijk. En ik kreeg de gedachte dat, wanneer mensen die nationaal gevoelen zonder tot een uiterste vleugel te behoren, zich onttrekken aan de nationale zaak, men aan het extremisme vrij spel geeft. Ik meende, door mij te wijden aan de liberale politiek, ertoe te kunnen bijdragen dat het gezonde Nederlandse nationalisme ‘het midden blijft houden’ (Telders 1972, 57).

 

Telders had een onwrikbaar vertrouwen in de bestaansgrond van het liberalisme. In het lustrumnummer van het blad De Jonge Liberaal – uitgegeven door de Bond van Jong-Liberalen – schreef hij ‘En wat anders dan het vertrouwen, het vaste geloof in de toekomst van het Nederlandse liberalisme zou iemand wie het wetenschappelijke, niet het politieke arbeidsveld in de eerste plaats dierbaar is, kunnen bewegen zich ook op het terrein van de politieke actie te begeven’ (Telders 1972, 58). Deze veerkrachtige opstelling was precies wat de Liberale Staatspartij nodig had in het interbellum. Bij de verkiezingen van 1937 – toen mr. Wendelaar nog partijvoorzitter was – hadden de liberalen drie van de zeven zetels die zij bezaten verloren.

 

De liberale zakenman Heldring noteerde na de verkiezing van Telders tot partijvoorzitter tevreden in zijn dagboek: ‘Het ziet ernaar uit, dat de Liberale Partij een nieuw kleed gaat aantrekken, of liever, het oude kleed terdege heeft laten herstellen. De nieuwe voorzitter Telders is zuiver liberaal, zeer bekwaam, en indien hij het gekonkel de baas wordt, kan hij aan het liberalisme grote diensten bewijzen. Ik zie hem voor vast van karakter aan’ (Van Schie, 373).

 

Van Telders werd nieuw elan voor het liberalisme verwacht. De kern van het liberalisme had voor Telders niets te maken met een simpel laissez faire, maar was gelegen in het feit dat de menselijke persoonlijkheid altijd de motor vormt van alles wat in het leven tot stand komt. Alles wat deze motor bedreigt moet verworpen worden, doch dat is niet hetzelfde als stellen dat de motor niet beter van remmen kan worden voorzien. Voor alles heeft het liberalisme vertrouwen in de vrije werkzaamheid van de menselijke persoonlijkheid.

Deze metafoor werkte Telders in zijn toespraak voor het Liberaal Sociaal Congres van 1938 verder uit voor de economische en sociale politiek. Drie stellingen legde hij neer als de grondbeginselen van het liberalisme. In de eerste plaats moeten er, in het belang van de productie en distributie soms van buitenaf, desnoods van bovenaf, remmen worden aangelegd, daar waar blijkt dat zonder remmen uitwassen ontstaan. Daarnaast mag, indien men aanvaardt dat het economische leven wordt geremd ten bate van hogere belangen, de eis stellen dat dit voor alle groepen in gelijke mate gebeurt. De Nederlandse politiek heeft daarin te lang een eenzijdige weg bewandeld, aldus Telders. Tot slot bracht sociale politiek met zich mee dat aan de economisch sterkeren remmingen worden opgelegd ten gunste van de zwakkeren. Dat is in beginsel juist, maar waakzaamheid is wel geboden. De economisch sterkere moet in staat blijken tot het brengen van de gevraagde offers. Een te zware of verkeerde wijze van belasting zou immers de bron van waaruit de sociale offers moeten voortkomen ondermijnen.

 

In de korte tijd die hem gegund was heeft Telders zich met hart en ziel ingezet voor het liberalisme. Bij de statenverkiezingen van 1939 werd iets van de liberale opleving onder zijn leiding duidelijk. Hij wist de partij terug te brengen naar het niveau van 1935. Keer op keer verdedigde Telders in de tijd de liberale en nationale waarden ook toen de Duitse bezetting inmiddels een feit was geworden. In Het Liberale Weekblad van 5 juli 1940 verklaarde Telders onomwonden dat hij ‘vandaag geen andere liberale politiek kon denken dan die eener gemeenschappelijke reconstructie van ons volksbestaan op de drie onverbrekelijke grondslagen van Christendom, Oranje en geestelijke vrijheid’ (Telders 1972, 96).

 

Op 18 december 1940 werd Telders gevangengezet in het Oranjehotel in Scheveningen, vanwaar hij via Vught naar diverse concentratiekampen werd vervoerd. Zijn openlijke verzet zal ongetwijfeld hebben meegespeeld bij de arrestatie, maar een duidelijke aanleiding was er in feite niet. Op navraag bij de Sicherheitsdienst kwam het antwoord dat Telders ‘politisch unerwunscht’ was. Zelf schreef Telders in een brief aan zijn ouders op 28 juni 1941, vanuit de trein naar Düsseldorf: ‘Eén note gaie: ik heb den indruk, dat tot mijne verhuizing heeft bijgedragen mijne vermeende symphatie voor de Russen. Arme liberale staatspartij!’ (Telders 1972, 56).

 

Opmerkelijk genoeg keerde Telders na een langdurig verblijf in Buchenwald in 1944 nog eens terug naar kamp Vught, tot verwachtingsvolle vreugde van zijn familie. Kennelijk leefde ook de Politische Abteilung van Buchenwald in de veronderstelling dat Telders nu wel spoedig zou worden vrijgelaten. Zijn dossier werd niet met hem meegestuurd en de toenmalig secretaris-generaal voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming adviseerde in een brief Professor Telders na vier jaar vrij te laten. Het zou anders lopen. Op Dolle Dinsdag werden de gevangenen die niet voor executie in aanmerking kwamen opnieuw naar Duitsland gestuurd. In Sachsenhausen leek het lot hem nog eenmaal te sparen, toen de voorgenomen executie van onder meer Telders geen doorgang vond. Met de naderende Russische legers werd hij opnieuw op transport gesteld, ditmaal naar Bergen-Belsen. Daar overleed Telders negen dagen voor de bevrijding van het kamp aan vlektyphus. Een jong en veelbelovend leven werd zo in de kiem gesmoord, een offer wat Telders willens en wetens in het belang van de goede zaak bracht.

Tot slot

Graag wil ik afsluiten met enkele woorden die Telders uitgesproken zou hebben tijdens een openbare bijeenkomst van de Liberale Staatspartij te Amsterdam op 14 september 1940, ware het niet dat de Duitsers dit verboden. De redevoeringen van Telders, sociaal-democraat Wiardi Beckman en de christelijk-historische hoogleraar Paul Scholten zijn uiteindelijk gebundeld in het boekje Den vaderlant ghetrouwe. Telders had daar willen zeggen: ‘Er zijn plichten die gelden, ongeacht de omstandigheden waarin de mensch zich bevindt, plichten, waaraan wij hebben te gehoorzamen, ook al wordt daarmede van ons het hoogste offer gevergd’ (Telders 1940).

  • Cleveringa, R.P. en Nijhoff, W., In memoriam B.M. Telders 6 april 1945. Herdenkingsredevoeringen uitgesproken op 6 april 1950 in het Groot Auditorium van de Leidsche Universiteit, Utrecht, 1950.

  • Jong, dr. L. de, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 4; mei ’40-maart ’41, ’s-Gravenhage, 1972.

  • Rost, N., Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid, Amsterdam, 1946.

  • Schie, P.G.C. van, Vrijheidsstreven in verdrukking. Liberale partijpolitiek in Nederland 1901-1940, Amsterdam, 2005.

  • Telders, B.M., ‘De nieuwe tijd’, in: Scholten, P.,Telders, B.M. en Wiardi Beckman, H.B., Den vaderlant ghetrouwe, Haarlem, 1940.

  • Telders, B.M., Verzamelde geschriften IV, ’s-Gravengage, 1947.

  • Telders, C.S. e.a., Levensbeschrijving van prof.mr. B.M. Telders, ’s-Gravenhage, 1972.

Fleur de Beaufort

Wetenschappelijk medewerker