Moeten de gevestigde partijen wel zo tevreden zijn over de verkiezingsuitslag?

Jesse Klaver sprak jubelend de menigte toe dat GroenLinks-PvdA wel eens de grootste van Nederland zou kunnen worden. De burgemeester van Rotterdam beloofde abseilend van de Euromast af te gaan vanwege de ietwat hogere (maar nog altijd bedroevende) kiezersopkomst. Rob Jetten, sprekend over zichzelf in de derde persoon, zegde toe dat ‘de minister-president ook mee naar beneden zal gaan’ bij een hogere opkomst. Jimmy Dijk sprak over ‘goede resultaten’, ondanks dat de SP bijna 40% van haar zetels verloor. Het CDA vierde feest, terwijl de partij slechts negentien zetels meer haalde dan het historisch dieptepunt uit 2022 en daarmee percentueel niets is gestegen. En tot slot de leider van de VVD, die tegen de achtergrond van de inhoudsvolle banner ‘Minder belasting. Meer bitterballen.’ aangaf dat ze wellicht wel iets konden leren van het succes van lokale partijen.

Samengevat was het optreden van haast alle landelijke (oud-)politici voorspelbaar, oppervlakkig en tenenkrommend. Het gejuich en gelach vulde wederom de ruimte waarin politieke ernst zou moeten floreren. De uitslagen van gisteravond laten immers trends zien die politici van gevestigde partijen niet werkelijk lijken op te pikken, of eenvoudigweg weigeren te duiden.

 

De eerste trend is de aanhoudende opmars van lokale partijen. Waar lokale partijen in 2010 nog ‘maar’ 1,5 miljoen stemmen ontvingen en hun aandeel 23% van het totale zetelaantal vormde, stegen zij dit jaar door naar ruim 2,6 miljoen stemmen en 34% van het totale zetelaantal. In diezelfde periode is het aandeel van de VVD geslonken van 16% naar 11%, ondanks dat de partij sinds 2010 viermaal als grootste partij heeft deelgenomen aan zes kabinetten. Nog schokkender is de verandering aan de linkerzijde van het landelijke spectrum: waar PvdA en GroenLinks in 2010 tezamen ruim 30% van de stemmen vertegenwoordigde, is dat aandeel inmiddels gekrompen naar amper 15%. Landelijke partijen lijken zodoende de grip op gemeenten steeds meer te verliezen. Dit kan mogelijk te maken hebben met onwenselijk centraal gevoerd beleid of doordat bepaalde thema’s – die voor lokale gemeenschappen van belang zijn – wél op duidelijke wijze worden aangekaart door lokaal opgerichte partijen. 

De tweede trend is de enorme overwinning van Forum voor Democratie. FvD heeft haast in elke gemeente waar de partij aan deelnam winst behaald, en is in meerdere gemeenten de tweede of zelfs grootste partij geworden. Hun kiezersaandeel is zodoende van 1% naar 4% gestegen. Ook deze stijging is niet een stijging op zich. De wederopstanding van FvD geeft een trend weer die door de gevestigde partijen niet met minachting of laatdunkendheid zou moeten worden bejegend. Elke stijging en overwinning bij de ene partij insinueert immers een verloren kiezerspotentieel bij de andere partij. Gevestigde partijen mogen zich daarom best afvragen wat ze over het hoofd zien, aan welke vraag zij geen gehoor geven en wat FvD wel biedt op lokaal niveau.

Een moment van opluchting na een vermoeiende campagne is alleszins begrijpelijk. Alle leden steken telkens weer opnieuw veel (vrijwillige) tijd en moeite in een zo goed mogelijke uitslag. Die opluchting mag echter niet leiden tot een vorm van politieke verslapping of gelatenheid die langer voortduurt. Indien dat wel gebeurt, zullen te veel partijen op de niet aanwezige lauweren blijven rusten, zal het kiezerspotentieel niet volledig worden benut en wordt de ruimte alsmaar groter voor andere partijen die gretig van niet gehoorde of geziene stemmen gebruikmaken. De gave van zelfreflectie en zelfkritiek is een noodzaak om tot een bepaald inzicht te komen, dat weer tot verbetering kan leiden. Die zelfreflectie en zelfkritiek vergt echter enige mate van bescheidenheid en moed – eigenschappen die de moderne politici helaas vaak vreemd zijn. 

Karel Wijdeveld

Wetenschappelijk medewerker