De blinde vlek van ‘goedbedoelde’ regelgeving

Wanneer het onderwerp van regelvermindering ter discussie staat, wordt nogal eens het argument gebruikt dat het schrappen van regels niet zomaar zou moeten kunnen of mogen, nu veel regels ‘goedbedoeld’ zouden zijn. Dat iets wel of niet ‘goedbedoeld’ zou zijn, zou eigenlijk niet eens beschouwd mogen worden als een valide argument om iets in stand te houden. Een dergelijk argument zou wellicht opgaan als we ergens niet van af willen komen waar we sentimentele waarde aan hechten. Me dunkt dat dat echter niet het geval is als we spreken over het uitdijende bestel van regelgeving: een ontwikkeling die de behoeftige en afhankelijke burger in stand houdt, de uitbreiding en intensivering van overheidsbemoeienis in de kaart speelt, en daarmee de uitwassen van het ‘goedbedoelde’ verzorgingsstaatproject blootlegt.

De ‘goedbedoelde’ argumentatie ten behoeve van de instandhouding van ‘goedbedoelde’ regelgeving geeft dan ook een pijnlijke blinde vlek weer. Deze blinde vlek ziet op de problematiek die aan deze regelgeving ten grondslag ligt. De typering van ‘goedbedoeld’ geeft namelijk aan dat bepaalde regelgeving wel degelijk overtollig is en dus ook geëlimineerd zou kunnen worden. Doordat echter eliminatie (in de vorm van het schrappen van regelgeving) wordt afgewezen, wordt er hierdoor ook niet getoornd aan de zorgelijke ontwikkeling van de toename van regelgeving. Zo kan het gebeuren dat het oppervlakkig debunken van wezenlijke problematiek ervoor zorgt dat diezelfde problematiek in stand blijft.

 

Uiteraard zal geen enkele politicus, politica of andere betrokkene in deze discussie (in dit geval doorgaans een jurist) toegeven dat zij géén voorstander zijn van de vereenvoudiging van regelgeving. Iedereen wil immers graag dat iedere burger in een democratische rechtsstaat weet hoe diegene het beste zijn of haar recht kan halen, dat iedere burger zijn of haar rechten dus goed kent en dat de individuele vrijheid van de burger niet onnodig wordt beklemd door overbodige regelgeving.

 

Zolang het krampachtige argument van ‘goedbedoelde’ regelgeving echter telkens weer ten tonele verschijnt, zijn de bovenstaande wensen niet reëel. De instandhouding van (de toename van) regelgeving zorgt immers voor complexisering en regelverdichting. Dit leidt ertoe dat de burger zijn of haar rechten juist steeds minder goed kent of kan begrijpen, de rechtsonzekerheid toeneemt en dat de burger alsmaar afhankelijker, onzelfstandiger en onvrijer dreigt te worden.

Het argument van ‘goedbedoelde’ regelgeving is daarmee niet alleen een eenvoudige ontduiking van de bewijslast. Het is een minachtende ondermijning van de fundamentele problematiek die ten grondslag ligt aan het uitdijende bestel van regelgeving. Hiermee wordt bovendien de ongemakkelijke vraag ontweken in wat voor democratische rechtsstaat men wil leven.

 

Wil men dat de democratische rechtstaat wordt gekenmerkt door een overheid die de ruimte krijgt om ‘goedbedoelde’ regelgeving te implementeren, met het risico dat de vrijheid, rechtszekerheid en rechtspositie van individuele burgers onder druk komen te staan? Of wil men graag dat de democratische rechtstaat wordt gekenmerkt door een overheid die zich terughoudend opstelt en zich weerhoudt om ‘goedbedoelde’ regelgeving te implementeren, met het risico dat die juridische leemten de ruimte bieden voor meer individuele vrijheid, zelfinitiatief en eigen verantwoordelijkheid?

Hoewel de bovenstaande tweescheiding uiteraard niet zo eenvoudig is als zij nu wordt voorgesteld, insinueert zij wel degelijk een fundamentele keuze waar ook liberalen voor staan. Als liberalen streven naar vereenvoudiging van regelgeving, betekent dat ook een aanvaarding van juridische leemten en een afscheid van goedbedoelde regelgeving. Het is echter de vraag of de moderne liberaal de moed bezit om die onzekerheid aan te durven.

Karel Wijdeveld

Wetenschappelijk medewerker