Made in Europe, maar dan wel met vrijhandel

De Verenigde Staten zetten al langer in op een strategie waarin het eigen markt- en industriebelang vooropstaat. Onder de noemer ‘Buy American’ combineren ze industriebeleid met importheffingen en oefenen diplomatieke druk uit om toeleveringsketens te veranderen. Het doel is om de import van goedkope Chinese producten terug te dringen, zodat productie en waardeketens verschuiven richting Noord-Amerika. De renteverlaging die Trump onlangs heeft ingevoerd hoort hier ook bij.

Deze maatregelen hebben ook invloed op Europa.  De importheffingen van Trump hebben grote delen van de Amerikaanse markt, tegen onder andere Chinese producten die met staatssteun worden geproduceerd, afgeschermd. Nu deze stroom van goederen minder ruimte krijgt, is Beijing op zoek gegaan naar andere afzetmarkten. We zien dat het overschot wordt gedumpt in derde markten, van Afrika tot Brazilië en van Mexico tot Europa.

 

Om de Europese markt te beschermen, heeft Brussel al verschillende regelingen getroffen. Bovenop het basistarief voor auto’s zijn compenserende heffingen ingevoerd om de toestroom van gesubsidieerde Chinese elektrische voertuigen af te remmen. Verder worden maatregelen voorbereid voor sectoren die blootgesteld worden aan importgolven die veroorzaakt worden door overcapaciteit van Chinese bedrijven. Hierbij kan gedacht worden aan het voorkomen van de import van goedkoop staal, maar ook aan een mechanisme waarmee in de gaten kan worden gehouden hoe de wereldwijde handel verandert en zich aanpast, zodat hier beter op ingespeeld kan worden.

Om weerstand te kunnen bieden tegen enerzijds de tarievenoorlog van de VS en anderzijds de overproductie van China, probeert Europa tevens haar eigen maakindustrie te ondersteunen. Dit doet zij op de terreinen rond technologie, defensie en betaalsystemen. In de deels uitgelekte plannen rond de Industrial Accelerator Act, die eind februari officieel gepubliceerd wordt, zie je dat terug. Het idee is om afhankelijkheden van externe handelspartners zoals de VS en China te verminderen, onder meer door meer steun voor Europese industrie via Made in Europe-aanbestedingsregels.

 

De ‘Made in Europe’-discussie is al jaren een discussie en de strijd wordt, hoe kan het ook anders, voornamelijk gevoerd tussen de Fransen en de Duitsers. De Fransen zijn voorstander van een ‘Made in Europe’-strategie, waarin Europese vraag bewust richting Europese bedrijven wordt verlegd. Dat moet bedrijven helpen groeien, Europa minder afhankelijk maken van buitenlandse machten en de exportafhankelijkheid verminderen. Duitsland kijkt daar vaak anders tegenaan, omdat het profiteert van handel naar buiten de EU. Daarom waren de Duitsers eerder voorstander van een bredere ‘Made with Europe’-strategie, waarin handel mogelijk blijft met landen zoals Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, en liefst ook met andere gelijkgezinde partners.

 

Wat er vaak vergeten wordt in de hele discussie over strategische autonomie en industriepolitiek, is dat vrijhandel het uitgangspunt moet zijn. We moeten oppassen dat we onszelf niet richting een crisis en een grotere, gefragmenteerde wereld bewegen. Zoals Copeland laat zien, beïnvloeden de verwachtingen over toekomstige handel en asymmetrische afhankelijkheden in hoeverre staten coöperatief blijven. Een hoge mate van interdependentie, zoals liberalen die tot dusver hebben nagestreefd, kan zowel vredesbevorderend zijn als oorlog uitlokkend, afhankelijk van de verwachtingen ten aanzien van toekomstige handelsmogelijkheden.

Europa moet de individuele keuze- en bewegingsvrijheid centraal zetten. De standaard moet zijn dat er vrijhandel is, en alleen wanneer het echt niet anders kan (spionage van de Chinezen) moeten we de vrijhandel gaan inperken. Bedrijven weten heel goed manieren te vinden om alternatieve wegen te vinden. Dit zagen we ook tijdens de coronaperiode en alle leveringsproblemen die daaromtrent ontstaan waren.

 

Tevens moeten we eerlijk tegenover onszelf zijn. De problemen waarmee Europa geconfronteerd wordt, worden veroorzaakt door een overproductie van China, een tarievenoorlog van de VS, maar ook door de grote hoeveelheid regelgeving waardoor bedrijven niet meer competitief zijn (terwijl ze technisch wel goede dingen maken). Wat China en de VS doen, daar hebben wij geen zeggenschap over. Wel kunnen we onze eigen regelgeving verbeteren, zodat bedrijven beter produceren. Tevens kunnen we strengere eisen stellen aan deelname aan de interne markt, zodat de eerlijke concurrentie wordt gehandhaafd. Europa heeft genoeg competitieve, goed functionerende bedrijven, maar deze kunnen het niet opnemen tegen bedrijven die door de overheid worden ondersteund.

Meta van der Starren

Wetenschappelijk medewerker