door Karel Wijdeveld
Wetenschappelijk medewerker
Op woensdag 7 oktober jl. gaf Marco Rubio, de minister van Buitenlandse Zaken van de VS, tijdens zijn werkbezoek aan en in Griekenland een toespraak met een historische, filosofische en morele lading. De toespraak werd gegeven op de Pnyx, een heuvel in Athene die in de klassieke oudheid werd gebruikt voor volksvergaderingen. Deze heuvel biedt daarnaast een uitzicht op de Akropolis, waardoor de bakermat van de democratie het symbolische decor vormde van Rubio’s speech. De locatie zelf en het decor van de toespraak waren – uiteraard – niet toevallig. Zij dienden de inhoud van zijn voordracht meer lading en betekenis te geven. Maar wat zei Rubio nu precies, waarom was uitgerekend deze plek belangrijk voor zijn boodschap en heeft zijn speech enige meerwaarde voor liberalen in deze tijd?
In het licht van de precaire verhoudingen tussen de VS en Europa is met name de laatste vraag van belang om serieus te benaderen. Sinds de tweede termijn van Donald Trump is aangevangen, zijn de meeste liberale, progressieve en democratische ‘continentalen’ gewoon om alles wat de Trump-regering doet, zegt en aanricht af te doen als iets verschrikkelijks. En dat is ook niet gek, gezien de intensiteit en agressiviteit van de gebezigde taal en verrichte handelingen door hem en zijn regering.
Maar toch schuilt er meer achter de (geo)politiek van de Trump-regering dan liberalen wellicht zouden willen geloven. Sterker nog: de (geo)politiek van de Trump-regering is er grotendeels op gericht om de zwakke punten van het moderne liberale denken bloot te leggen en op eigen wijze te herstellen. Is het dan aan liberalen om deze kritiek te negeren of te bagatelliseren? Aangezien liberalen zowel op nationaal, als Europees, als mondiaal niveau niet meer de gevierde status hebben als aan het einde van de twintigste of aan het prille begin van de eenentwintigste eeuw, lijkt mij die ijdele houding ongepast.
De liberale filosofie lijkt op het moment te vaak afhankelijk te zijn van de grillen van het politieke debat, waarbij liberalen naarstig op zoek zijn naar vormen van houvast, richting en visie. Hierdoor dreigt de waarde en diepere betekenis van de liberale filosofie te worden vergeten, en dreigt het liberalisme zelfs in zijn geheel ten onder te gaan. Indien liberalen niet ingehaald en overrompeld willen worden door conservatieve, reactionaire, ‘progressieve’ of religieuze tendensen in en buiten deze samenleving, zijn zelfkritiek en zelfreflectie noodzakelijk. Een terughoudende en beschouwende blik op Rubio’s ‘anti-liberale’ speech kan bijvoorbeeld een eerste stap zijn in de richting van liberale herwaardering en zelfvernieuwing. Zeker, nu deze toespraak een zeer actueel onderwerp raakte dat liberalen liever lijken te vermijden, te weten: cultuur en identiteit.
Gewoon jezelf kunnen zijn
Onder aanvoering van Ed Nijpels haalde de VVD tijdens de verkiezingen van 1982 maar liefst 36 zetels, de hoogste uitslag tot dan toe. Het ‘discoliberalisme’ bleek – in ieder geval voor even – een succesformule, waarbij de slogan uit het muzikale campagnefilmpje van de partij het moderne liberale denken samenvatte: “Gewoon jezelf kunnen zijn.”
De morele en inhoudelijke ‘leegte’ van deze leus geeft precies aan waarom liberalen vraagstukken rondom cultuur en identiteit lastig vinden, en wellicht liever willen vermijden. Het is immers aan de mensen zelf, het individu, om daar iets over te zeggen en te vinden, en niet aan iets of iemand anders. Hoewel dit uitgangspunt fraai oogt, brengt het de nodige problematiek met zich. Zo weten velen niet goed wie zij zijn, wie zij willen zijn, bij welke groep zij horen, bij welke groep zij willen horen, wat zij willen worden, wat zij zelf werkelijk belangrijk vinden, waar zij in geloven, enzovoorts.
Vooral bij jongeren spelen dergelijke existentiële vragen een belangrijke rol in de bepaling van hun identiteit, van hun rol in de maatschappij en van hun plek in de wereld. Bovendien kunnen de omstandigheden van het moment – van het betreffende tijdperk – deze vragen extra lading geven. Denk hierbij aan omstandigheden die het beeld van de nabije toekomst onzeker, niet hoopvol of zelfs hopeloos maken. Geeft de leus “Gewoon jezelf kunnen zijn” op die momenten voldoende houvast en geeft die leus op de bovenstaande vragen een bevredigend antwoord? Me dunkt van niet.
De kracht van een gemeenschappelijke cultuur of religie
Dat individuen, groepen en samenlevingen doorgaans behoefte hebben aan en zelfs baat kunnen hebben bij een verhaal of een boodschap die ze grond, richting en betekenis kan geven, is evident. Deze observatie werd al gemaakt in Boek III van Plato’s Politeia. Hier werd het belang van de ‘nobele leugen’ besproken: een volksmythe die ertoe moet dienen om maatschappelijke harmonie te creëren, te bewaren en te bevorderen.
Een dergelijk concept is in een meer recent verleden ingezet voor extreem-nationalistische, nazistische en daarmee desastreuze doeleinden. Karl Popper koppelde het concept van de nobele leugen uit Plato’s Politeia daarom ook aan de Blut und Boden-ideologie die een centraal kenmerk vormde (en nog steeds vormt) van de nationaalsocialistische ideologie. Ook het Servische nationalisme kenmerkt zich door mythen, sprookjes en verhalen die de Servische aard, cultuur en volksgeest moeten verklaren en typeren. Hét voorbeeld hiervan is de Kosovo-mythe, ook wel bekend als 'de Slag op het Merelveld', die een verklaring biedt voor de blijvende etnische spanningen in de regio van de Westelijke Balkan.
De kracht van een verhaal kan zodoende heel eenvoudig verkeerd worden ingezet. Maar daar gaat het in dezen niet om. Waar het wel om gaat is dat een gemeenschappelijk existentieel of metafysisch verhaal een enorme meerwaarde kan hebben voor veel mensen, nu het aan hen – zogezegd – grond, richting en betekenis kan geven in hun leven. Zeker in tijden van crisis, conflict, onzekerheid of oplopende spanningen, maar ook in het alledaagse leven, is een verhaal dat een diepere betekenis heeft van groot belang voor velen. Het was ook om die reden dat de christen(democraat) Paul Scholten, sociaaldemocraat Herman Wiardi Beckman en liberaal Benjamin Telders in de bundel Den Vaderlant ghetrouwe (1940) individueel doch tezamen op zoek gingen naar een meer diepgravende betekenis van Nederland, het Nederlanderschap, de Nederlandse identiteit en de Nederlandse cultuur om de Nederlandse burger inzicht in de raison d’être te geven en zo hoop te bieden in de bange dagen van de Duitse bezetting.
Het is mede vanwege de existentiële en metafysische meerwaarde van verhalen dat religie nog altijd een fundamentele rol speelt in allerlei samenlevingen. Hoewel in Nederland 42% van bevolking religieus is (CBS, 2025), ligt dat percentage voor de rest van de wereld op ca. 76% (Pew Research Center, 2025). Dit getal had hoger kunnen zijn, ware het niet dat China met 1,4 miljard inwoners behoorlijk areligieus is (10,4%). In Afrika, het Midden-Oosten en Zuid-Amerika liggen de percentages van het aantal religieuzen immers rond (en vaak zelfs boven) de 90%.
De existentiële of metafysische meerwaarde van het liberalisme…?
Wat betekent dit voor Nederland of, wellicht een betere vraag, wat betekent dit voor liberalen? Het betekent dat liberalen behoorlijk in de minderheid zijn, dat een leus als “Gewoon jezelf kunnen zijn” niet langer resoneert of überhaupt gedoemd was nooit te resoneren, en dat het individu doorgaans wellicht behoefte heeft aan meer zingevende fenomenen en taferelen.
Dat verklaart ook waarom het liberale denken wereldwijd bij lange na niet de plek van religie heeft ingenomen en dat op dit moment het liberalisme op veel plekken medestanders dreigt te verliezen. Want hoewel de kosmopolitische feestgeluiden van de liberaal-democratische overwinning van de Koude Oorlog nog voor sommige liberalen lijken na te galmen, zijn deze geluiden niet meer dan sirenenzang. Autocratieën en theocratieën zijn (grotendeels) geen stabiele liberale democratieën geworden, religie en gemeenschap vormen in plaats van individualisme voor velen nog altijd belangrijkste uitgangspunten, en de moderne interpretaties van liberale en democratische waarden lijken steeds meer steun te ontberen.
Het liberale project is daarmee niet af en het is ook maar de vraag of het ooit afgerond zal raken (gezien de anti-utopistische sentimenten in het liberale denken lijkt een ontkennend antwoord op deze vraag mij de enig mogelijke optie). Afgeven op de evenzeer befaamde als beruchte boodschap die Francis Fukuyama verkondigde in The End of History and the Last Man (1992) ten aanzien van het 'afgeronde' karakter van het liberale project zal ik in dezen niet doen, nu het louter afgeven hierop is verworden tot een politicologisch inkoppertje en daarmee tamelijk betekenisloos is geworden.
Wat daarentegen voor liberalen wél betekenisvol kan zijn, is om zichzelf de vraag te stellen wáárom het liberale project niet is afgerond, waarom dat project wellicht nooit afgerond zal raken, welke implicaties de antwoorden op die vragen (of het eenvoudigweg nader in beschouwing nemen van die vragen) zouden hebben voor het liberalisme, en voor welke opdracht de liberalen en het liberalisme vandaag de dag staan.
Botsing der beschavingen
Op dit punt is de toespraak van Marco Rubio van belang. Rubio poogde in zijn speech in Athene de bijzondere betekenis en blijvende meerwaarde van de klassieken voor het moderne Westen te benadrukken. Hierin stelde hij centraal dat met name het verloochenen, bagatelliseren of louter voor lief nemen van de implicaties van de klassieken voor de huidige tijd kan leiden tot het (nog verder) laten afglijden van de westerse cultuur, en uiteindelijk tot de ondergang van de westerse beschaving.
Rubio benadrukte dat de dingen die het Westen hebben gevormd, te danken zijn aan de plek waar hij stond: Athene. Deze dingen gaan veel verder dan de formele en juridische begrippen of de moderne instituties an sich. Het gaat om de ideeën die daaraan ten grondslag liggen, over moraliteit, ethiek en cultuur. Hiervoor is de filosofische grondhouding van fundamenteel belang geweest; de grondhouding die uitgaat van nieuwsgierigheid, openheid, ontvankelijkheid en innovatie. Een grondhouding die onwetendheid, onkunde en afstandelijkheid tegengaat. Die grondhouding is er één van moed, risico’s durven nemen, en het onbekende durven en willen beproeven.
Het moderne Westen kenmerkt zich volgens Rubio daarentegen als een wereld die deze grondlijnen niet meer lijkt te erkennen of herkennen. Het Westen houdt te veel van en streeft te veel naar veiligheid, een utopistische orde, en het vermijden van risico en falen. Het is een wereld waarin ‘winnen’ en ‘verliezen’ onbelangrijke fenomenen zijn geworden. In plaats daarvan streeft het Westen naar modernere waarden en uitgangspunten als radicale gelijkheid, nivellering en vergaande sociale rechtvaardigheid, waardoor er geen nieuwe hoogtes kunnen worden bereikt: “We preoccupy ourselves more with the comfort of the worst than the potential of the best.”
Het Westen zou zichzelf, aldus, gevangen houden in het streven naar het middelmatige. In die vruchteloze bezigheid dreigt het Westen ten onder te gaan. Hoewel passie, kracht, moed en trots tot de kern behoren van succesvolle beschavingen, dreigen die facetten steeds minder betekenisvol te worden, waardoor ook de reden wegvalt om voor die beschaving te blijven strijden. Indien die weg bewandelt blijft worden, zullen de westerse beschavin én het liberale denken uiteindelijk ten onder gaan. Het is daarom van essentieel belang om de bewustwording van de westerse verworvenheden verder aan te wakkeren en die verworvenheden niet voor lief te nemen. Want geen enkele discussie, geen enkel debat, geen enkel gevecht, en geen enkele oorlog is gewonnen door een houding die zich laat kenmerken door achteloosheid, onverschilligheid en een onwil. Om die reden zal het Westen zich volgens Rubio bewuster moeten worden van de grondredenen van zijn bestaan, voordat die grondredenen en het bestaan zelf nog verder in de verdrukking komen: “We will either choose to act now or lose the choice to act at all.”
De bovenstaande boodschap van Rubio was geen verrassende, nu hij – net als het buitenlandbeleid van de Trump-regering – zich veelal baseert op de lessen die voortkomen uit The Clash of Civilizations (1996) van de Amerikaanse politicoloog en politiek adviseur Samuel Huntington (1927-2008). Dit werk, dat grotendeels geïnspireerd door Der Untergang des Abendlandes (1918) van Oswald Spengler (1880-1936), probeert te laten zien dat er verschillende beschavingen zijn, dat deze beschavingen zijn gefundeerd op onder andere culturele en religieuze gronden, dat er daardoor fundamentele verschillen zijn en zullen blijven bestaan tussen de verschillende beschavingen, en dat deze verschillen op den duur zouden kunnen leiden tot een strijd, conflict of botsing der beschavingen. Hoewel er over de gehele wereld buitengewoon veel verschillende (sub)culturen bestaan, maakt Huntington een grof onderscheid tussen beschavingen die in zichzelf op grote lijnen overeenstemmen op onder andere culturele en religieuze gronden. De betreffende beschavingen zijn de Westerse, Orthodoxe, Latijns-Amerikaanse, Islamitische, Hindoeïstische, Chinese, Japanse, Boeddhistische en Afrikaanse (Sub-Sahara).
Waardenconflict
Voor liberalen mag een dergelijke observatie of analyse eigenlijk niet als een verassing heten, laat staan dat het als iets schokkends kan worden ervaren. De analyse van Huntington sluit namelijk behoorlijk goed aan bij het door de liberale filosoof Isaiah Berlin (1909-1997) getypeerde ‘waardenconflict’. Het waardenconflict – de strijd tussen (persoonlijke) waarden – zou volgens Berlin inherent zijn aan de werkelijkheid en maatschappij, nu het waardenconflict onvermijdelijk onderdeel zou uitmaken van de menselijke conditie.
Dat zit als volgt. Individuen verschillen op allerlei mogelijke vlakken van elkaar: zowel qua uiterlijk als qua innerlijk. Die innerlijkheid bepaalt wat het betreffende individu denkt, wat diegene uitdraagt qua ideeën, en welke waarden diegene belangrijk vindt en vertegenwoordigt. Die waarden kunnen bepaald worden door allerlei omstandigheden: de omgeving of het milieu waarin je opgroeit, levensgebeurtenissen, nieuwe inzichten, ontmoetingen met vreemden, filosofische of religieuze inzichten, enzovoorts. Dat betekent dat waarden tussen individuen kunnen overeenkomen, zeker wanneer deze individuen dezelfde culturele, identitaire of religieuze ervaringen hebben opgedaan. Maar dat betekent ook dat waarden tussen individuen kunnen botsen – en niet zo’n beetje ook.
Als liberaal zag Isaiah Berlin dit conflict van waarden niet als een kwalijk en een noodzakelijk te vermijden fenomeen. Integendeel. Ten eerste was het waardenconflict voor Berlin geen kwalijk fenomeen, omdat het verschil tussen waarden, culturen en individuen nu eenmaal onderdeel uitmaakt van de werkelijkheid. Ontkenning of taboeïsering van deze verschillen zou derhalve een naïeve ontkenning van de werkelijkheid zijn. Ten tweede was het waardenconflict voor Berlin geen kwalijk fenomeen, omdat het vanuit een liberaal oogpunt juist wenselijk is als er een samenleving kan bestaan waarin individuele verschillen geen hindernis vormen, maar juist worden aanvaard en omarmd. Een dergelijke samenleving is de liberale democratie, de open samenleving, de pluralistische samenleving.
Zodoende zou het streven naar de homogene samenleving het einde van de individuele vrijheid en daarmee het liberale project inluiden, zou de taboeïsering van de innerlijke individuele verscheidenheid de werkelijkheid en daarmee ook het liberale project tekortdoen, en zou de bagatellisering van fundamentele verschillen tot onomkeerbare uitkomsten voor de vrije samenleving en het liberale project kunnen leiden.
Ten aanzien van dit laatste waarschuwde Isaiah Berlin vooral voor het ‘Panglossiaans optimisme’ dat moderne liberalen zou kenmerken: een overdreven optimistische en bovenal naïeve grondhouding die weigert vormen van tragiek – en daarmee conflifct – te aanvaarden. De Panglossiaanse liberaal zou met zijn ontkenning, taboeïsering of bagatellisering van de fundamentele verschillen tussen individuen, culturen en beschavingen weigeren in te zien dat dergelijke verschillen wel degelijk bestaan en dat een waardenconflict ook niet altijd zal leiden tot de meest prettige, beschaafde of rationele uitkomsten. Individuen maken immers niet altijd de meest prettige, beschaafde of rationele keuzes – hoe graag enkele Verlichtingsdenkers dat ook wilden geloven. De meeste menselijke keuzes en handelingen zijn uiteindelijk irrationeel, intuïtief, radicaal of – zoals Berlin het noemde – ‘tragisch’ (in de zin van onmogelijk ideaal, imperfect, niet-utopisch). Nu ook persoonlijke waarden vaak een irrationele, intuïtieve, radicale of tragische grondslag hebben, zijn verschillen tussen persoonlijke waarden eenvoudiugweg reëel en is het zeer aannemelijk dat die waarden (en personen) met elkaar in conflict kunnen raken.
Culturele grenzen aan verdraagzaamheid
Zo laten Rubio, Huntington en Berlin zien dat er tussen individuen, waarden en culturen onoverbrugbare verschillen bestaan en dat een conflict of strijd tussen individuen, waarden of culturen absoluut niet ondenkbaar is. Een dergelijke strijd wordt met name tastbaar, wanneer wij spreken over een beschaving die – in beginsel – zeer openhartig en tolerant is jegens allerlei individuen, waarden of culturen. Ik doel in dezen uiteraard op de westerse beschaving.
Bij veel lezers zullen, zo schat ik in, de gedachten op dit punt uitwijken naar de zogeheten ‘tolerantieparadox’ die Karl Popper (1902-1994) omschreef in The Open Society and Its Enemies (1945). De strekking van deze paradox is dat grenzeloze verdraagzaamheid kan leiden tot het in beginsel verdragen van de onverdraagzamen, wat uiteindelijk kan leiden tot een onderdrukking van de verdraagzamen. Om dat te voorkomen en de verdraagzame, open samenleving te beschermen, behoudt de verdraagzame samenleving volgens Popper zich het recht voor om tijdig de onverdraagzamen te onderdrukken, onverdraagzaam te zijn naar de onverdraagzamen en daarmee de verdraagzame samenleving in stand te houden:
“Wij moeten eisen, dat iedere beweging, die onverdraagzaamheid predikt, zichzelf daarmede buiten de wet stelt, en wij behoren opruiing en aanstichting tot onverdraagzaamheid en vervolging als misdadig aan te merken…”
Zodoende gelden er ook voor liberalen grenzen aan de morele en inhoudelijke leegte van “Gewoon jezelf kunnen zijn”, te weten: de situatie waarin iemand niet meer gewoon zichzelf kan of mag zijn. Dit geldt – in meer eloquente bewoordingen – ook voor Berlin en Popper. Bij Popper ligt die grens bij de onderdrukking van verdraagzaamheid. De grens bij Berlin is iets lastiger te definiëren. Wat in ieder geval vaststaat is dat de grens ligt bij het moment dat waardenpluralisme wordt ondermijnd of wordt onderdrukt, maar ook wanneer de mogelijkheid tot een waardenconflict niet meer bestaat, wordt bemoeilijkt of wanneer het waardenconflict zelf leidt tot extreme vormen van onderdrukking van de ander. De mogelijkheid tot (vreedzaam) conflict moet immer blijven bestaan, wat veronderstelt dat het bestaan van verschillen tussen individuele opvattingen en waarden moet worden begrepen, aanvaard en getolereerd.
Kort gezegd komt het hier op neer: voor liberalen is het van belang dat het niet slechts gaat om verdraagzaamheid of tolerantie an sich, maar om wederzijdse verdraagzaamheid of wederzijdse tolerantie. Passieve verdraagzaamheid of tolerantie is een te naïeve houding om de waarde van verdraagzaamheid en tolerantie na te streven. Het is een houding die onbedoeld destructieve gevolgen kan hebben.
Voor de bescherming en instandhouding van de liberale filosofie, van de liberale democratie en daarmee van de westerse beschaving is daarom meer nodig dan een lijdend toezien. Hoewel Rubio uit deze conclusie in zijn toespraak beleidsbeslissingen trok die vooral (in zijn ogen) voor de VS van belang zijn, zou dezelfde conclusie ook voor liberalen enige betekenis moeten hebben. Het Westen dient trots, maar ook uiterst waakzaam te zijn ten aanzien van de westerse verworvenheden. Zodra die trots wordt omgezet in schaamte of wanneer die waakzaamheid afglijdt naar onverschilligheid, lonkt het gevaar van de ondermijning van pluralisme, het gevaar van onverdraagzaamheid, en het gevaar van het niet meer jezelf kunnen zijn.
Liberalen zouden zich daarom bewuster moeten worden van het belang van cultuur en identiteit, en de conflicten tussen cultuur en identiteit die onvermijdelijk zullen blijven plaatsvinden of zelfs kunnen verergeren. Zodra liberalen geen positie trachten in te nemen en zich te schuilhouden achter grenzeloze verdraagzaamheid of passieve tolerantie, dreigen de liberale verworvenheden ten onder te gaan. De strijd om cultuur en identiteit is nu eenmaal nog meer aan de orde van de dag gezien de druk op de Europese buitengrenzen (oorlog en migratie), die zich thans uit in een toenemend aantal stemmen op de ‘flanken’ in het Europese politieke discours. Als liberalen niet nog verder overrompeld willen worden door conservatieve, reactionaire, ‘progressieve’ of religieuze tendensen, is het noodzakelijk om bewuster, helderder en strijdbaarder om te gaan met vraagstukken rondom cultuur en identiteit.
Geraadpleegde bronnen:
De TeldersStichting floreert mede dankzij haar betrokken abonnees, donateurs en gulle gevers.
Meld je aan en blijf op de hoogte.
Mauritskade 21
2514 DH Den Haag
+31 (0) 70 3631948
info@teldersstichting.nl
www.teldersstichting.nl