Rechters mogen onze democratie niet versmallen

Patrick van Schie

Liberale Reflecties

De rechter gaat de laatste tijd te vaak op de stoel van de politiek zitten, stelt directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie in de decembereditie van Liberale Reflecties. 'Gerechtelijke uitspraken die de politiek voorschrijven welke beleidslijn dient te worden gekozen, perken de democratische beslisruimte in. Ongekozen rechters beknotten op die manier de democratie.' 

De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is een groot goed. Zij moet burgers beschermen tegen de andere overheidsorganen. Wie twijfelt aan het belang ervan moet maar eens kijken naar landen als Turkije, Rusland en (communistisch) China waar (mogelijke) politieke tegenstanders van de machthebbers, en evenzo kritische burgers of burgers die anderszins lastig zijn voor het regime, door politiek geïnstrueerde ‘rechters’ naar de cel of naar een strafkamp worden gezonden.

In een rechtsstaat zoals Nederland is het dus uit den boze voor politici om zich te bemoeien met een lopende rechtszaak. We willen immers niet dat een minister een rechtbank opdraagt hoe een vonnis dient te luiden. En om zelfs maar de schijn van beïnvloeding te voorkomen, doet een minister er goed aan over elke lopende zaak te zwijgen. In de Nederlandse politiek wordt deze terughoudendheid van politici tegenwoordig verdergaand opgevat. Ook volksvertegenwoordigers durven geen uitspraak te doen over zaken die onder de rechter zijn. Of zo’n puristische houding geboden is, is nog maar de vraag. Een volksvertegenwoordiger is immers niet bij machte instructies aan een rechter te geven. Hij of zij is in wezen een gewone burger, die het volste recht heeft het zijne of het hare van een zaak te vinden.

Heeft een rechter eenmaal gesproken, dan is de nu meestal gebezigde terughoudendheid van een volksvertegenwoordiger in ieder geval ongepast. Als (mede-)wetgever heeft de volksvertegenwoordiger namelijk te bezien of de toepassing van een wet in individuele gevallen wel is zoals was beoogd. Is dat niet het geval – werkt een wet in specifieke gevallen anders dan bij het maken van de wet was voorzien – dan dient dat een signaal te zijn de wet te wijzigen, zodat het oogmerk van de wet voortaan wel wordt gediend. Een volksvertegenwoordiger die stelselmatig wegkijkt van rechterlijke uitspraken of deze steeds gelaten ondergaat, is iemand die zijn of haar taak verzaakt.

Volksvertegenwoordigers moeten zich niet passief opstellen

De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht mag een volksvertegenwoordiger dus niet passief maken. Een parlementariër moet juist alert zijn, in de gaten houden hoe de wetten die hij maakt in de praktijk werken en worden toegepast. De wetgevingstaak houdt mede in het onderkennen van de noodzaak wetten bij te stellen, en daarnaar te handelen. Rechterlijke macht en wetgevende macht staan als het goed is dus niet onverschillig naast elkaar, maar verkeren in wisselwerking. De rechter heeft te bezien hoe een wet door het parlement was bedoeld. Het parlement heeft te bezien of de toepassing van de wet wel juist is, niet om zich te mengen in de oordeelsvorming door een rechter maar wel om ongewenste uitwerking van een wet te voorkomen.

Juristen verruimen de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht nogal eens tot onaantastbaarheid, in die zin dat deze macht boven elke kritiek verheven zou (moeten) zijn. Maar rechters zijn feilbaar, net als iedereen. In een vrije samenleving dient kritiek op elke macht mogelijk te zijn, evengoed op de rechterlijke macht. Dat is een kwestie van uitingsvrijheid en het houdt de machthebbers scherp. Althans, mits zij zich bereid tonen op inhoudelijke kritiek te reflecteren, dus zich af te vragen of de criticasters misschien een punt hebben. Een verkeerd opgevatte onafhankelijkheid van de rechterlijke macht leidt tot een gesloten bolwerk van zelfgenoegzame vakbroeders (en -zusters), die menen als geen ander te weten wat goed voor de samenleving is.

Urgenda, stikstof en kinderen van Syriëgangers

Is het deze houding of is het een bewuste missie die maakt dat rechters zich heden ten dage steeds vaker op het terrein van de politiek begeven? De Urgenda-zaak was een voorbeeld van een gerechtelijk oordeel over hoe de politiek zou moeten beslissen. De stikstofuitspraak van de Raad van State is een recenter voorbeeld van een gerechtelijk college dat de politiek een bepaalde richting opduwt, en en passant de halve bouwwereld platlegde. De uitspraak van weer een andere rechtbank dat Nederland zich zou hebben in te spannen om kinderen van Syriëgangers naar ons land te halen, is een indringende poging onze buitenlandse politiek in te kleuren.

Rechters nemen aldus plaats op de stoel van de politiek. De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is echter niet hetzelfde als de allerhoogste macht aan de rechters. Die onafhankelijkheid past in het stelsel van de scheiding der machten. De politiek dient niet te bepalen hoe een rechter in een individueel geval de wet toepast. De rechter heeft op zijn beurt niet te bepalen hoe de politieke koers van een land eruitziet. Dat is aan het samenspel tussen de wetgevende en de uitvoerende macht, waarbij het parlement het beslissende woord heeft.

Geknaag aan de democratie

Gerechtelijke colleges die zich als politieke activisten gedragen doen niet alleen afbreuk aan de scheiding der machten, maar knagen daarmee tevens aan de democratie. Zoals zij in Nederland is vormgegeven berust de democratie op het uitgangspunt dat een door de volwassen burgers gekozen en aldus gelegitimeerde volksvertegenwoordiging uiteindelijk bepaalt wat er wel en niet dient te gebeuren. Die volksvertegenwoordiging mag daarbij grondrechten van (groepen van) burgers niet schenden, maar wat in het algemeen belang is behoort te worden bepaald door een democratisch gelegitimeerd orgaan (of na een eventuele stelselwijziging door de burgers zelf). Rechters hebben geen enkele democratische legitimatie. Gerechtelijke uitspraken die de politiek voorschrijven welke beleidslijn dient te worden gekozen, perken de democratische beslisruimte in. Ongekozen rechters beknotten op die manier de democratie. Dat kan niet de bedoeling zijn, en dat mag niet worden toegestaan.

Maar is het dan geen taak van rechters na te gaan of wetten wel worden nageleefd? Een rechter dient een wet met algemene bepalingen toe te passen op specifieke gevallen. Wat gerechtelijke organen niet behoren te doen, en wat in bovengenoemde en andere gevallen wel is gebeurd, is het uitdragen van algemene richtlijnen waardoor de wetgevende macht wordt ingesnoerd. Het is de rechter in ons land – wat men daar ook van moge vinden – zelfs verboden wetten aan de grondwet te toetsen (ook al wordt dit verbod grotendeels ondergraven door de vreemd genoeg wel toegestane toetsing aan internationale verdragen). Dit is niet zonder reden: toetsing aan de grondwet zou de democratie aantasten. Dan is het vreemd en onaanvaardbaar dat rechters politiek wel toetsen en binden aan hun eigen interpretatie van gewone wetten.

Hoewel de fout in hoofdzaak ligt bij de tegenwoordig te vaak politiek opererende rechters, hoeft de politiek dit niet lijdzaam te ondergaan. De politiek mag zich inderdaad niet mengen in de vorming van een gerechtelijk oordeel inzake een specifieke zaak. Maar de politiek hoeft zich op zijn beurt niet door rechters de algemene wet te laten voorschrijven. Zoals rechters op hun terrein gevrijwaard dienen te zijn van politieke inmenging, zo hoort de wetgevende macht gevrijwaard te blijven van gerechtelijke inmenging. Rechters: ken uw plaats; en die is niet op het terrein van de politiek. Parlementariërs: laat je niet klein krijgen, en kom op voor onze democratie.