De memoires van een pragmatisch Conservatief Prime-Minister

Bespreking van David Cameron, For the record, HarperCollins, Londen, 2019. ISBN: 978-0-00-823928-2

Patrick van Schie

Boekrecensie

De voormalig Britse premier David Cameron bracht onlangs zijn memoires uit. Een omvangrijk boek met onder meer aandacht voor het onder zijn leiding uitgeschreven Brexit-referendum. Directeur van de TeldersStichting Patrick van Schie geeft zijn mening over het boek. 

Begin 2014 dook het Ebolavirus onrustbarend massaal op in West-Afrika. Dat virus is nog vele malen gevaarlijker dan het huidige coronavirus: 95 procent van alle met Ebola besmette personen sterft een gruwelijke dood. “The World Health Organization, one of the most dysfunctional examples of an international institution, did not call a public health emergency until August 2014, five months after the disease had spread from Guinea to neighbouring Liberia”, schrijft voormalig Brits premier David Cameron. Helaas weidt hij hier verder niet over uit, maar deze woorden zijn voor nu veelbetekenend, te meer daar Cameron zijn memoires afgelopen najaar publiceerde, dus ruim voordat de WHO met zijn Beijing-vleiende koers in de coronacrisis weer in de fout is gegaan.

Interessant als memoires van politici zijn, zij dienen mede ter rechtvaardiging van het eigen beleid en de door de auteur gemaakte keuzes. Ook voor de memoires van Cameron geldt dit. De Britse oud-premier ontkent niet dat hij zo nu en dan fouten heeft gemaakt maar op hoofdzaken verdedigt hij zijn beslissingen en meent hij vooral zijn land in de zes jaar dat hij het leidde beter te hebben gemaakt. Daar is natuurlijk niets mis mee, het valt ook goed te begrijpen, en we krijgen hierdoor inzicht in wat de politicus in kwestie bewoog. Dat wil zeggen: volgens zijn weergave achteraf. Dagboekaantekeningen, wanneer ze niet direct voor publicatie waren bedoeld, geven ons al meer inzicht. Maar iets is beter dan niets, dus de Britse traditie dat talloze politici achteraf hun memoires uitbrengen valt al met al alleen maar toe te juichen, hoezeer we ook bedacht moeten zijn op de forse portie zelfrechtvaardiging.

Maar wat bewoog David Cameron nu echt? Zelf schrijft hij meer dan eens, en met trots, dat hij een pragmaticus is; geen ideoloog. Dit is dan ook de reden dat de Thatcherites in zijn partij hem altijd met een zeker wantrouwen hebben bekeken. Cameron veroordeelt Margaret Thatcher niet – dat zou voor elke Britse Conservatief uiteraard politieke zelfmoord zijn –, hij verdedigt zelfs enkele van haar belangrijkste wapenfeiten, maar hij wil daarnaast tonen dat zijn conservatisme beter is dan het hare. Dat ‘betere’ zit kennelijk in het laten zien meer compassionate te zijn, wat (volgens Cameron) vooral moet worden afgemeten aan het gelijke kansen bieden aan eenieder ongeacht zijn of haar achtergrond, in het wettelijk verankeren van gay rights en in het ervoor zorgen dat Groot-Brittannië als een van de weinige landen (met de Scandinavische landen en Nederland) ten minste 0,7 procent van het BBP aan ontwikkelingssamenwerking uitgeeft.

Met zulke linksig aandoende doelstellingen maakte Cameron zich niet altijd even populair bij de eigen achterban. Maar zat er meer achter dan het gevoel goed te doen? Hét concept waarmee de Conservatieven onder Cameron de verkiezingen van 2010 ingingen, was de Big Society, de gedachte om burgers meer zelfbeschikking te geven en zo uit de greep van de nanny state te halen. Cameron beschrijft in een paar pagina’s van zijn dikke memoires ook duidelijk uit welke exacte onderdelen deze Big Society-agenda bestond. Het was ook een mooi, zeer verdedigbaar programma. Maar voor een concept dat volgens hemzelf zo centraal in zijn beleid stond, krijgt het verder in het boek teleurstellend weinig aandacht.

Veel meer aandacht krijgt een aantal buitenlandspolitieke crises, waar een premier niet om gevraagd heeft maar evenmin omheen kan. En, onbedoeld, toont hier het gevoelsmatige pragmatisme van Cameron, die niet op enige buitenlandspolitieke expertise kon bogen, zijn beperkingen. Bijvoorbeeld toen de burgeroorlog in Syrië uitbrak en Cameron, onder de indruk van hartverscheurende beelden, íets wilde doen. Dat de Amerikaanse president Obama veel terughoudender was, dat de Duitse bondskanselier Merkel hem vroeg waarom wel in Syrië en niet in Iran of andere landen waar veel mis is [een realisme dat de Duitse kanselier helaas niet altijd tentoon heeft gespreid], dat sommigen in zijn eigen kabinet – onder wie minister van Buitenlandse Zaken William Hague – hem vroegen hoe hij zinvol in Syrië dacht te interveniëren zonder de bereidheid Britse boots on the ground te zetten, ook zoveel jaren nadien irriteert het Cameron slechts omdat het hem hinderde in zijn wens goed te doen. Nog altijd meent hij het gelijk aan zijn zijde te hebben, wat natuurlijk mag, maar hij verzuimt aannemelijk te maken hoe een Britse interventie werkelijk een keer ten goede had kunnen betekenen.

Met een goede inborst alleen kom je natuurlijk niet op een politiek toppositie. Hoe rücksichtlos Cameron kon zijn, blijkt waar hij zijn reshuffles beschrijft, vooral de grotere reshuffle van 2012. Sommige partijgenoten moeten worden beloond, nieuwe talenten moeten de kans krijgen zich in de regering, al dan niet op een junior post, te bewijzen, maar dan moeten anderen onvermijdelijk plaatsmaken. Dat daarbij het al dan niet goed functioneren voor de premier bepaald niet altijd de belangrijkste overweging is om iemand op zijn of haar post te houden, of een op zijn minst evenwaardige positie te geven, komt in het boek goed naar voren. Sommige ministers slikten het gedwee, anderen wilden weten waarom zij dienden te vertrekken terwijl Cameron hen niet kon zeggen wat zij verkeerd zouden hebben gedaan. Voor zulke protesterende ministers kan Cameron geen compassie opbrengen. Nu kun je redeneren: in de politiek is dat all in the game; je weet als politicus waar je aan begint. Maar tegelijkertijd maakt Cameron zich achteraf nog altijd kwaad over ministers die zich ten tijde van het referendum over het EU-lidmaatschap ontpopten als voorstanders van een Brexit. Hij kwalificeert hen als deloyaal. Dat loyaliteit alleen werkt als zij wederzijds wordt betracht, komt blijkbaar niet in hem op.

Cameron staat nog altijd achter zijn beslissing om de Britse burgers een kans te geven zich uit te spreken over een voortgezet lidmaatschap van de EU. Hem is verweten dat hij het landsbelang aan partijbelang heeft opgeofferd (dat het een poging was de op dit gebied verdeelde Conservatieve Partij te verenigen) maar hij weet helder en overtuigend te beargumenteren dat een voortmodderen in een EU die bezig is een ‘ever closer union’ door te drukken zonder de Britten een kans te geven zich over die kwestie uit te spreken, geen optie was. Vroeger of later had er een referendum moeten worden uitgeschreven.

Cameron noemt zichzelf euroscepticus. Zijn doel is nooit geweest de EU te verlaten, maar wel om haar te hervormen en Groot-Brittannië niet te laten belanden in een politieke unie. Hij beschrijft treffend hoe de voorstanders van een almaar verdergaande Europese integratie en de Brusselse bureaucratie niets te dol is om hun zin door te drijven, tot en met het doodleuk breken van de eigen verdragsregels. En hij geeft een klein kijkje achter de schermen van de Europese Raad, de gewichtig aandoende topontmoetingen van de politiek leiders in de EU. Die worden steevast geopend met ellenlange verklaringen van de voorzitters van de verschillende EU-organen, waarna half murw gebeukt eindelijk de 28 regeringsleiders hun zegje mogen doen. Blijkbaar vonden ook eurofiele leiders als de Franse president Sarkozy en de Duitse bondskanselier Merkel dat zij wel wat beters hadden te doen: de eerste zat in zulke vergaderingen zijn kranten te lezen, de tweede bekeek ondertussen voetbalwedstrijden.

De echte zaken werden natuurlijk achter de schermen gedaan, en in besloten ontmoetingen met andere leiders. Hoewel Cameron een paar keer de noordelijke landen en Nederland als vaste bondgenoten van Groot-Brittannië noemt – en Mark Rutte zelfs een keer als een van zijn vrienden in de politiek – waren zijn ogen bovenal gericht op Frankrijk en Duitsland. Van zijn relatie met de Franse president Hollande komt de lezer niet al te veel te weten, maar diens voorganger Sarkozy komt duidelijk naar voren als iemand die zodra hij zijn zin niet leek te krijgen dacht met schreeuwen dat ‘gelijk’ te kunnen binnenhalen. De Duitse bondskanselier  Merkel daarentegen bleef altijd rustig en tegenover de Britten niet per se onwelwillend. Maar zij bleek gedane beloften weer even makkelijk te breken. Cameron noemt dit “the half-life of a Merkel promise”.

Waar Cameron de verdienste toekomt de Britse burgers zelf de kans te hebben geboden zich uit te spreken over het al dan niet voortzetten van het EU-lidmaatschap, blijkt duidelijk dat hij zoals zoveel politieke leiders wel een ‘ja’ verwachtte. Nog altijd ziet hij in de campagne van het Brexit-kamp een overwinning van charlatans en andere praatjesmakers. Dat zijn eigen Remain-kamp met een louter op de portemonnee gerichte boodschap niet wist te overtuigen, schrijft hij toe aan de ongelukkigerwijs in de jaren voor 2016 sterk gestegen immigratie. Onderzoek heeft echter laten zien dat dit wel één factor maar niet de voornaamste is geweest: de belangrijkste is de wens van de stemmers voor Brexit in eigen land als het erop aankomt zelf de definitieve zeggenschap te hebben.

Dat Cameron, die exact dít streven naar zelfbeschikking elders in zijn boek juist een hoofddoelstelling van zijn politiek noemt (bijvoorbeeld een leidende gedachte achter de Big Society), daar niet meer oog voor heeft duidt op een gebrek aan diepere reflectie bij een politicus die zich toch bovenal door pragmatisme heeft laten leiden. Anders echter dan zoveel politici die zich niet kunnen voorstellen dat burgers gegronde redenen kunnen hebben om tegen hun plannen ‘nee’ te zeggen, heeft Cameron zich bij de uitkomst van het referendum neergelegd. Hij heeft niet getracht zich onder de uitslag uit te wurmen, en heeft de consequentie getrokken en zijn ontslag genomen. Dat siert deze voormalige politiek leider, die ons naast zijn ongewilde vaderschap van de Brexit nu weliswaar volumineuze maar vlot leesbare herinneringen heeft nagelaten.

dr. P.G.C. van Schie is directeur van de TeldersStichting.