/* INDICATIVE START */ /* HOTJAR END */ /* GOOGLE ANALYTICS START */ /* GOOGLE ANALYTICS END */ /* MOUSE FLOW START */ /* MOUSE FLOW END */ /* GOOGLE TAG MANAGER START */ /* GOOGLE TAG MANAGER END */ /* GOOGLE TAG MANAGER START */ /* GOOGLE TAG MANAGER END */

Vrouwenquota zijn heilloos

Fleur de Beaufort

Column

Een vrouwenquotum is een onliberaal middel, stelt wetenschappelijk medewerker van de TeldersStichting Fleur de Beaufort. De Tweede Kamer stemde recent voor een motie voor een bindend vrouwenquotum voor raden van commissarissen van beursgenoteerde bedrijven.

         ‘We schrijven geschiedenis. We doorbreken het old-boys-netwerk en zetten een grote stap naar gelijkheid en diversiteit in de top van het bedrijfsleven’, aldus minister Van Engelshoven, nadat een meerderheid van de Tweede Kamer zich voorstander van een wettelijk vastgesteld quotum voor vrouwen in de top van het bedrijfsleven toonde. Hoewel ik zonder meer voorstander ben van diversiteit en kansengelijkheid ben, bekruipt me als liberaal altijd weer een ongemakkelijk gevoel als de overheid in stelling wordt gebracht om een onwelgevallige uitkomst dan maar hardhandig te beïnvloeden naar een meer wenselijk resultaat.

            Vertrouwen in het vrije spel der maatschappelijke krachten is zeker in het private domein voor liberalen van oudsher een leidend principe. De overheid heeft een taak om aan de start alle belemmeringen weg te nemen en kansengelijkheid zo optimaal mogelijk te faciliteren, bijvoorbeeld via onderwijs. Na de start hebben allerlei factoren en individuele keuzes invloed op de uiteindelijke uitkomsten. Het is dan ook veel te simplistisch om te stellen dat vrouwen, alleen omdat ze vrouw zijn, last hebben van een glazen plafond, er speelt zoveel meer mee.

            Voorstanders van vrouwenquota kijken altijd verlekkerd naar Noorwegen, waar al sinds 2006 een wettelijk quotum bestaat voor beursgenoteerde bedrijven. Als Noorwegen iets laat zien, dan wel dat het gedroomde resultaat van meer gelijkheid op alle niveaus als gevolg van de wettelijke regeling – het trickle-down-effect – is uitgebleven. De vrouwen die hun positie danken aan de wettelijke regeling zorgen in de top van het Noorse bedrijfsleven weliswaar voor diversiteit maar vertalen dit niet naar de rest van de organisatie. De top-down-benadering met hulp van de wetgever stopt dus bij de top en verandert niets wezenlijks aan de werkvloer, waardoor de echte verandering – namelijk van onderop – uitblijft. Nog even afgezien van het feit dat het aantal beursgenoteerde bedrijven in Noorwegen van 563 (in 2003) daalde naar 179 (in 2008) waarmee de feitelijke groei van topvrouwen gelijk was aan die in Denemarken, waar geen quotum bestaat.

            In de ondervertegenwoordiging van vrouwen die fulltime werkzaam zijn in het bedrijfsleven ligt mogelijk ook een verklaring voor enkele opmerkelijke resultaten uit de jaarlijkse Female Board Index. Een eerdere editie maakte duidelijk dat het percentage vrouwen in Nederlandse topposities weliswaar gestaag steeg, doch dat vrouwen al snel deel uit gingen maken van het zo vervloekte old-boys-netwerk en verschillende topfuncties combineerden. De meest recente editie toonde bovendien als opvallendste resultaat dat 54% van de nieuwe vrouwelijke commissarissen in ons land uit het buitenland werd gehaald. Over het algemeen is het aantal vrouwen in topfuncties uit het buitenland veel hoger dan bij mannen. Of er een kern van waarheid in de veronderstelling schuilt dat kwaliteit niet altijd voorhanden is onder Nederlandse vrouwen, laat ik even in het midden. Wel kan worden gesteld dat het nog maar zeer de vraag is of Nederlandse vrouwen nu echt doorstoten naar de top als gevolg van de wettelijke regeling. Zeker als vrouwen ondervertegenwoordigd blijven in de dwarsdoorsnede van het bedrijfsleven.

Excuustruus

     De veelgehoorde angst om voor excuustruus te worden versleten als gevolg van de wettelijke regeling is niet slechts een denkbeeldige. Vrouwen met kwaliteit willen de top liever op eigen kracht bereiken en zullen daarvoor moeten knokken en keuzes moeten maken, zowel in hun carrière als op persoonlijk vlak. Ze willen beoordeeld worden op hun kwaliteiten en hun bereidheid zich in te zetten om de top te bereiken. Hier ligt nu juist ook het grote probleem van de quotering. Niemand zal erop tegen zijn als daadwerkelijk het talent aan de top van overheid en bedrijfsleven staat. Het wordt wat anders als dat talent opeens (tijdelijk) alleen maar uit vrouwen blijkt te kunnen bestaan. Het verschil wordt dan niet meer gemaakt door talent, maar door het geslacht.

            Radicale gelijkheidsdenkers zetten de kwaliteit van een individu op de tweede plaats ten gunste van in dit geval iemands geslacht. Van eerlijke kansen in dan al lang geen sprake meer. Immers hoe eerlijk is het om aangenomen te worden omdat je een vrouw bent? Hoe serieus word je als vrouw in een toppositie nog genomen als blijkt dat je slechts bent aangesteld opdat je werkgever aan de wettelijke eisen kan voldoen en dat in zijn jaarverslag kan verantwoorden? In een vrije samenleving krijgt ieder individu een reële kans om zijn kwaliteiten ook daadwerkelijk in te zetten. Daarbij is iedere vorm van discriminatie uit den boze, zogenaamde positieve net zo goed als negatieve. Positieve discriminatie – bijvoorbeeld door quotering – doet immers net zoveel afbreuk aan een eerlijke individuele kans op de arbeidsmarkt als negatieve discriminatie. In dit geval neemt de kans van gekwalificeerde mannen af ten gunste van gequoteerde vrouwen.

            In een vrije samenleving krijgt ieder individu naast kansen ook de ruimte om eigen keuzes te maken. Al te vaak trekken voorstanders van wettelijke quota ten strijde tegen vrouwen die ervoor kiezen (een periode) thuis bij de kinderen te blijven, liever in deeltijd te willen werken of helemaal geen carrière na te streven. Deze vrouwen zouden voor hun seksegenoten de weg naar de top onnodig belemmeren, zo de gedachte. De reflex om keuzes van vrouwen op de arbeidsmarkt te beïnvloeden door allerlei ‘vrouwvriendelijk’ beleid, werkt uiteindelijk ook averechts. Het brengt ons toch weer terug bij het liberale principe van het vrije spel der maatschappelijke krachten en de zo wezenlijke individuele vrijheid.