Tolerantieparadox: intolerant tegenover intolerantie?

Maartje Schulz

Column

Oorspronkelijk betekende tolerantie dat je een sterk afwijkende mening van een ander zou moeten kunnen verdragen. Tegenwoordig lijken mensen vooral onder tolerantie te verstaan dat je ‘intolerant’ gedachtegoed moet tegengaan. Maar de enige bescherming van vrijheid is een zo groot mogelijke tolerantie voor de uiting van andersdenkenden, ook voor de vermeende intoleranten, stelt wetenschappelijk medewerker van de TeldersStichting Maartje Schulz. Voorkomen moet worden dat 'tolerantie' ieders stok wordt om mee te slaan.

Oorspronkelijk betekende tolerantie dat je een sterk afwijkende mening van een ander zou moeten kunnen verdragen. Tegenwoordig lijken mensen, zowel links als rechts politiek georiënteerd, vooral onder tolerantie te verstaan dat je ‘intolerant’ gedachtegoed moet tegengaan. Anders gaat de tolerante samenleving ten onder, zo is de gedachte. Boerka’s moeten worden verboden, de verspreiding van anti-abortus folders is zeer onwenselijk, en kunnen we die demonstratie van Pegida niet ook even verbieden? Maar hoe verstandig is het, om intolerant te zijn tegen ‘de intoleranten’?

Het idee dat je soms intolerant moet zijn tegenover intolerantie, om zo de tolerante samenleving te behouden, is niet nieuw. De filosoof Karl Popper beschreef deze ‘tolerantieparadox’ in een voetnoot in zijn boek The Open Society and Its Enemies (1945). Een paradox, omdat het tegengesteld aan elkaar lijkt dat je ingrijpt in de uitingsvrijheid van personen, terwijl het hoofdkenmerk van tolerantie juist is dat je een niet-welgevallige uiting van een ander verdraagt. En dus niet ingrijpt. In principe is ingrijpen in vrijheden dan ook tegengesteld aan tolerantie, behalve als het voorkomt dat de tolerante maatschappij teniet wordt gedaan, stelt Popper. Een staat moet volgens hem daarom het recht hebben tegen intolerante uitingen op te kunnen treden.

Maar het is oppassen met deze manier van redeneren. Want je krijgt algauw dat er wel erg makkelijk uit naam van de tolerante samenleving moet worden gestreden tegen ‘gevaarlijke’, ‘intolerante’ ideeën. Dan komt de uitingsvrijheid onder druk te staan van subjectieve ergernissen en angsten, en wordt deze beperkt tot wat de dominante opvatting toestaat. Vandaag is de boerkadraagster de klos, morgen de Pegida-demonstrant. Tegen dat soort grillen moet tolerantie nu juist beschermen. De enige bescherming van vrijheid is een zo groot mogelijke tolerantie voor de uiting van andersdenkenden, ook voor de vermeende intoleranten.

Dat sommigen een boerka er onderdrukkend of intolerant vinden uitzien, is dus geen reden om het wettelijk te verbieden. Net zoals het onprettig vinden van het ontvangen van een anti-abortus folder niet genoeg reden is om verspreiding van deze folders te verbieden (de nee-nee sticker dient wel te worden gerespecteerd). Dat soort sentimenten zouden mensen in naam van tolerantie moeten kunnen doorstaan. Hoewel iemand niet onverschillig hoeft te zijn: je mag vinden dat een boerka of een anti-abortus folder abject is. Beargumenteren waarom je dat vindt is juist goed voor het vrije debat. Des te meer reden om intolerantie niet gauw te verbieden: intolerantie biedt vaak een mogelijkheid om uit te leggen waarom vrije waarden beter zijn.

Niet alles toestaan

Dus alles maar toestaan? Nee, dat is ook niet verstandig. Zo is het legitiem om intolerant te zijn tegenover intolerantie als het een directe inbreuk maakt op de veiligheid en vrijheden van anderen. Als iemand uit naam van de sharia stokslagen zou uitdelen, of als iemand een moskee fysiek aanvalt bijvoorbeeld. Of als vrouwen worden gedwongen een boerka te dragen. Dan pak je degene aan die zorgt voor de dwang (en laat je vrouwen die menen uit vrije wil een boerka te dragen met rust). Ook het aanpakken van salafistische moskeescholen waar kinderen leren dat anders- of niet-gelovigen de doodstraf verdienen, is gerechtvaardigd. Kinderen zijn nog niet volledig in staat eigen afwegingen te maken. Als je deze indoctrinatie van kinderen toestaat, ondervinden ze schade: ze worden verhinderd vrij te leren nadenken over diverse (vreedzame) perspectieven.

Als je dit schadecriterium hanteert, heb je die verwarrende ‘paradox’ dus helemaal niet nodig om grenzen te stellen in een maatschappij. Dan kan tolerantie ook weer gewoon verdragen betekenen en voorkom je dat tolerantie ieders stok wordt om mee te slaan.