Aan Lubbers heeft het niet gelegen, bleef Lubbers vinden

Patrick van Schie

Boekbespreking

Theo Brinkel, Haagse jaren. De politieke memoires van Ruud Lubbers (Amsterdam, 2020) 414 pp., ISBN 9789026352607

Veel vaker dan vroeger gaan Nederlandse oud-politici tegenwoordig over tot het publiceren van hum memoires. Zij geven ons daarmee een welkom kijkje achter de schermen. Eind augustus verschenen de memoires van Ruud Lubbers, de CDA’er die tot nog toe de langst dienende minister-president van Nederland is geweest: 12 jaar (van 1982 tot 1994). Het concept-boek heeft een kwart eeuw ‘op de plank’ gelegen. De publicatie bestaat uit interviews die Theo Brinkel, destijds verbonden aan het wetenschappelijk instituut van het CDA, afnam tussen 1992 en 1995. Al die tijd werd het te gevoelig geacht om reeds te worden gepubliceerd. Dat maakt de verwachtingen hooggespannen.

Het aantal echte onthullingen stelt echter teleur. Veel van wat Lubbers vertelt ‘wisten’ we eigenlijk wel. Bijvoorbeeld hetgeen bij het verschijnen de meeste aandacht trok: dat de Duitse bondskanselier Helmut Kohl zo’n hekel aan Lubbers had dat hij in 1994 benoeming van Lubbers tot voorzitter van de Europese Commissie blokkeerde. Lubbers meent zelf dat Kohl in de loop der jaren steeds arroganter was geworden en niet meer wenste te worden tegengesproken; zeker geen onaannemelijke verklaring. Lubbers had, net als de Britse premier Thatcher en de Franse president Mitterand, tijdens de Duitse eenwording (1989-1990) waarschuwende woorden laten horen en gold daardoor als ‘nicht deutschfreundlich’. Dit werd de premier van een kleinere lidstaat door Kohl hoogst kwalijk genomen. Het is interessant dat allemaal nog eens uit Lubbers’ mond te vernemen, maar nieuw is het niet.

Lubbers tracht in zijn memoires het beeld van een machtspoliticus bij uitstek bij te stellen. Hij wil graag als een man van ideeën worden gezien. Hij spreekt zelfs over ‘ik als intellectueel’ (p. 43). Maar zijn poging zich als een man met visie neer te zetten strandt op een onvermogen duidelijk te maken wat die visie dan wel inhield. Hij debiteert wel verschillende christen-democratische overtuigingen maar komt niet verder dan wat tot het standaard repertoire uit het cursusaanbod van het CDA behoort. Nu is het helemaal niet erg dat de voormalig CDA-leider geen intellectueel was. Dat zijn de meeste politici niet, en zij hoeven het ook niet te zijn om succes te (kunnen) hebben. Maar het zegt iets over Lubbers dat hij als diepzinniger wil worden herinnerd dan hij was.

Het beeld dat na het lezen van het boek blijft hangen is van een zakelijk man, zonder poespas. Meer ook iemand die de dossiers beter doorgrondde dan de mensen met wie hij te maken kreeg. Zo kenden we hem al. En ook dat is niet erg. Het wil evenmin zeggen dat hij niet aardig zou zijn geweest. Zelf heb ik hem (slechts) twee keer gesproken – veel te weinig natuurlijk om hem te leren kennen – en beide keren was hij uiterst voorkomend. Maar een ‘mensen-man’ was hij niet. Dat vond hij zelf ook. Zijn politieke herinneringen beginnen en eindigen namelijk met de opmerking dat hij ‘eenzaam’ was. ‘Ik heb altijd enigszins dat eenzame gehad’, merkt hij in het boek op. En dat werd hij, naar eigen zeggen, gedurende twaalf jaar premierschap alleen maar meer (p. 398).

VVD’ers bewaren niet altijd plezierige herinneringen aan Lubbers. Tussen 1982 en 1989 werkte de VVD met het CDA samen in kabinetten onder zijn leiding. Daar profiteerden Lubbers en zijn partij veel meer van dan de VVD. Het beeld uit die tijd is dat Lubbers de liberalen gepiepeld heeft. Deels is dat waar, deels was de VVD bepaald ook geen toonbeeld van rust. Lubbers merkt bijvoorbeeld op dat de VVD-ministers in zijn eerste kabinet zich de meerdere achtten van de toen nog piepjonge fractievoorzitter van de VVD, Ed Nijpels (pp. 154, 179 en 184). Het ontbrak Nijpels daardoor aan gezag in eigen kring.

Lubbers’ tweede kabinet, dat na drie jaar ten val zou worden gebracht, ging meteen gebukt onder strubbelingen. Algauw zette de premier zijn vice-premier, VVD’er Rudolf de Korte, voor paal nadat De Korte publiekelijk zijn bedenkingen had geuit over een voorgenomen staatsbezoek van de Japanse keizer Hirohito aan ons land. Dat lag heel gevoelig, omdat Hirohito al keizer was tijdens de Tweede Wereldoorlog, terwijl talloze Nederlanders in Jappenkampen een lijdensweg ondergingen en omkwamen. Lubbers schrijft dat hij het niet vond kunnen dat De Korte met zijn bezwaren in de openbaarheid trad; ‘de koningin is immers in het geding’. Dat De Korte de kwestie toch in een toespraak aansneed schildert Lubbers af als ‘een bewust proberen uit die zaak electoraal gewin te halen’. Vandaar dat Lubbers in de Tweede Kamer uitsprak dat dit een kwestie van “eens maar nooit weer” was.

Voor wie slechts Lubbers’ kant van het verhaal leest, lijkt dit niet eens zo onredelijk. Maar in de ook niet lang geleden gepubliceerde memoires van Rudolf de Korte is te lezen dat Lubbers dit gevoelig liggende staatsbezoek in het diepste geheim al verregaand had voorbereid zonder de coalitiepartner (de VVD) erin te kennen (zie Rudolf de Korte, Vrijheid in gemeenschap (Soesterberg, 2018) pp. 232-235). Op zijn vriendelijkst geduid was dat nogal slordig.

Het tweede kabinet-Lubbers zou in mei 1989 door de VVD-fractie ten val worden gebracht maar Lubbers neemt de indruk niet weg dat hij al geruime tijd naar samenwerking met de PvdA lonkte. Al langer geleden is bekend geworden dat het CDA daarover al in het geniep met PvdA’ers heeft zitten onderhandelen. In zijn memoires voegt Lubbers wel toe dat er ook binnen het CDA spanningen waren, in het bijzonder tussen minister van Financiën Onno Ruding enerzijds en minister van Onderwijs Wim Deetman en fractievoorzitter Bert de Vries anderzijds. Meer in het algemeen merkt Lubbers enkele keren op dat het CDA lang niet zo’n geoliede machine was als de buitenwereld dacht.

Inwendige spanningen binnen het CDA kwamen natuurlijk aan het einde van Lubbers’ Haagse carrière naar buiten via veelvuldige wrijvingen met toenmalig CDA-fractievoorzitter Elco Brinkman. Die probeerde als de nieuwe man – hij was in 1994 CDA-lijsttrekker – een eigen positie te markeren, hetgeen Lubbers als hinderlijk ervoer. Maar wie nog eens leest met welke uitspraken Lubbers vervolgens Brinkman als lijsttrekker ondermijnde, kan niet anders dan (weer) concluderen dat Lubbers zelf de nodige blaam voor de CDA-nederlaag in 1994 – een verlies van 20 zetels, van 54 naar 34 – trof. Dat vindt Lubbers zelf niet. Hij tracht zijn weinig vleiende opmerkingen over Brinkman alsnog te rechtvaardigen en impliceert dat als hij zelf de kar in 1994 nog een keer had mogen trekken het CDA wel 48 zetels had kunnen halen (p. 371).

Het premierschap van Lubbers wordt al te vaak bekeken in het licht van het tragische einde en de gigantische nederlaag van het CDA in 1994. Dat doet Lubbers natuurlijk onrecht. Hij is meer dan twintig jaar actief geweest in de landelijke politiek, in de toen (nog) machtigste partij van Nederland, de laatste twaalf jaar aan het hoofd daarvan. Dan heb je wat in je mars. Maar het waren geen onderscheidende ideeën die Lubbers zo ver brachten, doch een tomeloze ambitie. CDA’ers verbloemen dit altijd liever – zij zeggen steevast ‘ik neem mijn verantwoordelijkheid’ nadat ze zich naar het pluche hebben gevochten – maar waarschijnlijk onbedoeld toont Lubbers in zijn memoires dat hij zijn eigen ministerschap en later zijn leiderschap volkomen vanzelfsprekend achtte.

Het duidelijkst komt dit naar voren als hij beschrijft hoe na de formatie van het kabinet-Van Agt/Wiegel eind 1977 zijn ministerschap (hij was minister van Economische Zaken in het kabinet-Den Uyl) niet wordt gecontinueerd. Hij moet dan plaatsnemen in de CDA-fractie. Hij mokt hardop over ‘wat mij is aangedaan’ en spreekt tegenover interviewer Brinkel openlijk over zijn ‘gekrenkte trots’. Zelf-relativering is aan Lubbers ook bij nader inzien niet besteed. Aan het einde van het boek herinnert hij zich hoe KVP-topvrouw Marga Klompé hem bij aanvang van zijn premierschap in 1982 waarschuwde: “Op de dag dat je begint, gaat het bederf toeslaan”. Dit heeft Lubbers kennelijk opgevat niet als een eigen bederf maar dat van zijn omgeving.